Twee vluchten ooievaars (2)

Het objectieve subject

Nog vol van mijn overwegingen over dieren waar je niet te veel in moet lezen, stuitte ik in W.G. Sebalds De emigrés op ooievaars. Ooievaars: zeldzaam genoeg om door ze verrast te worden, omgeven door een oud geloof dat ze de baby's brengen. En statig, altijd in de verte, een onaanraakbare vogel. Het verschil: bij Sebald zijn het er heel veel. En toen dacht ik ook aan de Britse avonturier Patrick Leigh Fermor, die net zo'n moment beschrijft. Wat voor symbolen zijn dit? Of is dit gewoon iets uitzonderlijks, uitzonderlijk beschreven?

(Lees eerst aflevering 1)

De observatie bij Sebald was me vast niet zo opgevallen als ik het fenomeen niet al eerder beschreven had gezien, bij Patrick Leigh Fermor, in zijn postuum uitgegeven The Broken Road (2014, vertaling Een onvoltooide reis, 2015, door Barbara de Lange). (Hier speelt een interessante paradox: ik kon pas op de Sebald-passage stuiten na er bij Fermor veel uitgebreider over te hebben gelezen. Sommige verrassing heeft een geschiedenis, de herkenning versterkt het gevoel.) Leigh Fermor loopt in dit deel van zijn reisboeken in de balkan en wordt door een herder op de lucht gewezen.

[De witregels zijn van mijn hand, de aaneengeschreven pagina's-lange scène laat zich op het scherm minder prettig lezen.]

‘De lucht boven een engte in het bergsilhouet werd verduisterd door een vage vlek: een brede vlek die in het midden wel massief leek. Aan de rand dunde hij uit tot een franje van talloze bewegende spikkels, alsof de wind net uit het zicht door een enorme berg stof of roet of veren blies. Deze bewegende massa, voortdurend van achter de einder aangevuld, viel uit het silhouet weg nadat ze over de kam aan onze kant van de berg was gekomen, en dijde verder uit totdat duidelijk bleek dat ze meer weg had van veren dan van stof of roet; het wit ging overheersen. Lager gekomen waaierde de voorhoede nog verder uit en groeide aan terwijl ze zwenkend en schommelend precies afkwam op het deel van de berghelling waar wij gefascineerd toekeken. Het was een loom vliegende menigte, reusachtig en ontzagwekkend, bestaande uit duizenden vogels, waarvan de leiders, die intussen op vrijwel roerloze vleugels op ons afzeilden, nu duidelijk te onderscheiden waren, en toen ze zich opnieuw tegen de lucht aftekenden, werden ze eindelijk herkenbaar. Ooievaars!

Algauw zweefde er vlak boven ons een ongeregeld leger verkenners – zo recht als de kiel van een kano van de punt van hun snavel tot het uiteinde van de poten die in het spoor van de vogels meestroomden, in balans tussen de bijna bewegingloos gespreide, machtige vleugels, terwijl het gouden zonlicht speelde tussen hun relatief doorzichtige veren en de donkere, cilindervormige contouren van hun gestrekte hals. Alleen de verst uitstekende veren trilden. De brede zwarte zoom van hun vleugels liep van het uiterste puntje tot de plek waar ze als de donkere streep van een senatorstoga op het lichaam aansloten. De leiders waren ons al snel voorbij. Er volgden enkele eenzame vogels en opeens stonden we onder een hoog, bewegend dak van vleugels, een flottielje die aanzwol tot een armada zodat onze oren ten slotte gonsden van het geritsel en geruis met zo nu en dan geklapwiek wanneer een vogel met een paar trage vleugelslagen van positie veranderde, en van al dat vreemde kraken, als van ontelbare broze scharnieren, van tienduizenden tengere gewrichten. De zon werd verduisterd. Over de helling om ons heen lag een vlekkige, rafelige schaduw. Een aantal vogels vloog voort onder de hoofdmassa met hun metgezellen, meekoersend onder hun schaduw, terwijl andere in hun eentje of in kleine groepjes naar de randen waren gedreven, als onordelijke escortes. Een van de laagvliegers zakte met een naar binnen gebogen v van vleugels in het fluctuerende schemerdonker af naar de berghelling en deed, opeens op de grond beland, een paar onbeholpen stappen op zijn geknikte vuurrode stelten, met zijn vleugels nog gespreid als de evenwichtsstok van een koorddanser. Na een paar keer met zijn gesnavelde kop te hebben geschud, kwam hij weer los en steeg met trage, moeiteloze vleugelslagen op naar het zwevende baldakijn van veren boven ons.

Achter ons kwamen de stipjes in een even grote stortvloed als voorheen over de bergrug, waar ze als een gestage waterval een stukje langs de helling afdaalden om bijna meteen weer boven te komen en in één vloeiende, ononderbroken boog over het dal te vliegen. De leiders, en algauw ook de eerste eenheden van de hoofdmacht, waren tot vlak onder ooghoogte gezakt: we zagen het zonlicht op de rug en de vleugels van hun volgelingen in de lengende reeks. De grillig uitgesponnen massa, die schommelde en kantelde en werd verstoord door hevige dwarrelingen, met aan de uiterste randen een gekolk van gefladder en gewoel, verplaatste zich naar de andere kant van de machtige, lege baai van lucht tussen de tweeduizend meter hoge waterscheiding van de zojuist gepasseerde Šipka Balkan en de lagere toppen van de Karadža Dagh. Algauw slonken de leiders tot stipjes, toen vervloeiden ze tot één donker waas, hoog boven de langgerekte, onregelmatige schaduw waar de formatie meer dan duizend meter lager door werd gevolgd, zoals een vloot door haar schaduw op de zeebodem. Geleidelijk nam de toevoer af; het snoer vogels slonk, de losse groepjes werden kleiner en uiteindelijk zweefde alleen nog een verstrooide achterhoede naar het oosten. Minuten later, toen de laatste over het brede dal van de Tundža was weggevlogen, passeerde er boven ons nog één ooievaar die langzaam en alleen wiekend zijn weg zocht: Maak voort! wilde je wel roepen. Al snel waren ze veranderd in één langgerekte, loom zwenkende zwerm die moeiteloos op de onzichtbare luchtstromingen laveerde en almaar waziger werd, tot ze ten slotte mijlen verder in de corridor van de Balkan uit het zicht van onze turende ogen verdwenen.’

Ook deze scène vind ik zeer indrukwekkend. Letterlijker kan iets je bijna niet overkomen, en Fermor beschrijft tot in detail hoe de gevleugelde duisternis als een vlek over de vallei valt, in levende wezens uiteenvalt en weer samenkomt in een waas. Zijn lange, geschakelde zinnen - Sebald schrijft die elders ook veel - houden de aandacht vast, korte zinnen werpen spanning op. Mooie beeldspraak: treffende verwijzingen naar water en een geweldige beschrijving van het spel van licht en vleugels. Het 'kraken, als van ontelbare broze scharnieren, van tienduizenden tengere gewrichten' roept iets zeer kwetsbaars op.

Er zijn ook overeenkomsten met Andersen en Sebald. Fermor hanteert ook oorlogstaal, met 'leiders', een 'leger verkenners', 'flottielje' tot 'armada', 'escortes', 'hoofdmacht', 'vloot'. Maar misschien is het vooral maritiem, minder gewelddadig. Geen doden als in sprookjes. En net als Sebald ziet Fermor 'een hoog, bewegend dak van vleugels', een 'zwevende baldakijn van veren'. Fermor zet lange zinnen in, geschakelde, zoals we die ook wel bij Sebald tegenkomen. Maar veel meer dan de Sebald beschrijft de Brit een natuurfenomeen veeleer dan iets dat bij de mensen hoort. Geen mensenmenigte hier. Maar hij is dan ook niet in de stad.

(Een vraag: is de ontbrekende schakel tussen Fermors beeldtaal en die van Sebald, en die van Andersen in de verte, niet die van het Bijbelse spreken over Heerscharen, legioenen engelen (Mattheus 26:53), die ook de strijd met Satan aangaan (Openbaringen)? Daar is ook de paradox van goede, hemelse boodschappers met een intimiderende macht.)

*

Want waar Sebalds dagboekschrijver ons achterlaat met het gevoel een wonder te hebben aanschouwd, amper de wereld uitgeholpen door het droge 'ooievaars, talloos op hun trek naar het zuiden', wandelt Fermor door, en analyseert, en vraagt zich af. Dat doet iets af van de kracht van de observatie, maar Fermor voegt er alsnog iets aan toe.

Maarten Asscher schreef bij verschijning van het boek: 'Leigh Fermor schrijft een onwaarschijnlijk rijk Engels, doorspekt met citaten en taalobservaties, en met een voorkeur voor een elliptische zinsbouw die nog het meest aan versregels doet denken. Zijn bijna Homerische beschrijving over twee bladzijden van een vlucht ooievaars in de buurt van de Bulgaarse stad Kazanlik is zo’n stilistisch juweel.' Later voegde hij daaraan toe dat Leigh Fermor zich hier ook een essayist toont. Hij verwondert zich, bevraagt de routes, lepelt encyclopedische kennis op (hier toont hij zich ook een evenknie van Sebald, bijvoorbeeld in De ringen van Saturnus), en eindigt zoals alleen een literator kan, theatraal, met een greep naar het ongekende.

‘De Turkse herder haalde zijn schouders op en hief zijn handen en liet ze in een breed gebaar naar buiten weer zakken, als wilde hij zeggen: “Nou, dat was het dan. Ze zijn weer weg.&rqduo; Maar hij riep niets, alsof hij net als ik te aangedaan was om iets te zeggen. Misschien was hij bedroefd bij de gedachte dat deze mooie vogels, deze geluksboden die bij het voorjaar en de zomer hoorden, Europa verlieten. 
Ik vroeg me af waar ze vandaan kwamen. Te oordelen naar hun richting waarschijnlijk uit Transsylvanië en Hongarije, misschien Polen. ’s Zomers vestigen ze zich ver in het noorden, in de Baltische landen. De ooievaars van Oost-Europa, West-Rusland en de Oekraïne verzamelen zich meestal verder ten noorden en oosten van de lijn die deze vogels volgden. De Dobrogea is hun plaats van samenkomst. Daarna volgen ze de Zwarte Zeekust tot Constantinopel, vliegen over de Bosporus en langs de kusten van de Levant naar Egypte, steeds met vasteland in zicht. (In tegenstelling tot de kraanvogels: onbevreesd voor de open zee vliegen die dwars over de Griekse archipel en Kreta en de uitgestrekte leegte van de Libische Zee tot ze op de woestijn stuiten.) Bij het bereiken van Egypte trekken sommige ooievaars naar de Arabische oases in het zuidoosten, maar de meeste gaan door naar het zuiden, naar hun bestemming bij de evenaar en vaak nog verder. Een minderheid waaiert westwaarts uit tot bij het Tsjaadmeer en Kameroen: er zijn ooievaars na terugkeer in Europa aangetroffen met in hun lichaam pijlpunten die uitsluitend door stammen in deze streken worden gemaakt. Daar moeten ze de naar het oosten uitwaaierende zoom van de West-Europese zwerm verwanten tegenkomen – uit Elzas-Lotharingen, Spanje en Portugal – die bij Gibraltar naar Afrika oversteken en over Marokko en de Sahara zuidwaarts vliegen. Aangezien alle ooievaars uit Europa via een van deze twee zeestraten – de Bosporus en de Zuilen van Hercules – oversteken, kunnen de twee vogelgemeenschappen voor het gemak worden geclassificeerd als de Byzantijnse en de Herculische groep.
De exacte datum van de trek waar ik zojuist getuige van was geweest, weet ik niet, maar het moet al in september zijn geweest. Nog niets wees op een wisseling der seizoenen: geen enkele aanwijzing dat de herfstequinox nabij was. Alles in dat verschroeide landschap getuigde nog van de zomer; dat wil zeggen, met uitzondering van een licht respijt van de martelende hitte van het middaguur en een nauw waarneembare vervroeging van de zonsondergang. Iedereen sprak van het ongelooflijk lange verblijf van de ooievaars dat jaar. Ook de vogels moesten, misleid door de fantastische zomer, hebben gedacht dat er geen einde zou komen aan de warme dagen. Hadden ze soms uit onbewust waargenomen tekenen van de verschuiving van de aardas opgemaakt dat het tijd was om te gaan? Een daling van de temperatuur, vocht in de lucht, een opeenhoping van nevelen, de waarschuwende formatie van verre stapelwolken of een zachte windvlaag uit een onheilspellende hoek? Een heel samenspel van aanzeggingen: “Edelen, ga heen! De lucht betrekt!”’

Fermor lepelt de achtergronden op, hij geeft deze uitzonderlijke gebeurtenis een context, een bijna teleurstellende vanzelfsprekendheid. Ooievaars zijn ook maar gewoon vogels. Tot die laatste zinnen van dit fragment. Daar gebeurt het, daar krijgt de observatie alsnog iets heel bijzonders. (Bird, plane, bird - superman!) Daar worden de vogels alsnog menselijk, geleid, gedreven, met een bewustzijn, en al zijn de motieven meteorologisch, het literaire slot klopt, het past, we zijn weer terug bij het drama.

Literair, ja, maar is het van Fermor zelf? Je googlet en ziet nu niet een bijbelse achtergrond, maar een letterlijk citaat uit Shakespeares Love's Labour's Lost: 'Worthies away! The scene begins to cloud!' Een komedie, dus een komische noot? Of moeten we vooral het bedachtzame karakter van het bewolkend toneel zien: de vader van de prinses is op dat moment immers overleden. De acteurs die de 'Nine Worthies', 'Van neghen den besten' spelen, gaan af, en de komedie eindigt atypisch bedachtzaam, zonder huwelijken.

Dus ja, een ooievaar is ook maar een vogel, een mooie, indrukwekkende, heel veel ooievaars zijn des te indrukwekkender. Het Dictionary of Symbols heeft hier verder niets te zoeken, punt. Maar bij Sebald en Fermor, en zelfs bij Andersen, krijgt de massale ooievaarsvlucht een veel grotere lading dan zomaar een fenomeen, zomaar een verveelvuldiging van 'a migratory bird'. Dus belast de literatuur een natuurverschijnsel met oneigenlijke beeldspraak en literaire verwijzingen? Of roept de ooievaarsvlucht simpelweg groot ontzag op, en vinden deze twee mannen in de literatuur daarvoor een passende vorm? Ja, dat denk ik, de beelden en symbolen staan in dienst van de beschrijving, natura artis magister, de natuur leidt de literatuur, tot beider triomf.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog