Ik moet niet hoesten

Klein hoofd II

De baby zat klem. Om precies elf uur ging de bel en viel hij eruit. Wie er die ochtend voor de deur stond hebben we nooit geweten. Even dacht ik dat er een kalf op de slaapkamervloer lag. Hij was reusachtig en een beetje blauw. De verloskundige boog zich over hem heen. 
Mag ik hem vasthouden? vroeg ik. 
Ze keek me aan. Nee, zei ze. Toen knipte ze de navelstreng door en liep met hem weg. 
Ga erachteraan, zei ik tegen Bas. 
De kraamhulp had net mijn placenta in een plastic tas gestopt toen we de baby hoorden huilen. Het duurde maar even en toen was het weer stil. Ik mocht voorzichtig naar de woonkamer lopen, waar de baby op tafel lag. De verloskundige hield een zuurstofmasker over zijn gezicht. Inmiddels had hij een dieproze huid. Toen ik op de bank lag kwamen er vijf ambulancemensen tussen mij en de baby staan. Een van de mannen deed iets met een slangetje en legde hem op een minibrancard. Bas mocht met hem mee. Ik zou de tweede ambulance nemen. 

Mijn ambulanceman heette Sjoerd. Je hebt hard je best gedaan, zei hij. Dat zie ik aan je ogen. In het ziekenhuis kon Sjoerd de juiste afdeling niet vinden. Hij rolde me verschillende gangen door en we namen twee keer de lift voordat we de baby weer zagen. De verpleegster legde hem in mijn armen en toen was het alsof ik even wakker werd.
In het ziekenhuis deelde ik een kamer met een vrouw die steeds haar neus ophaalde tijdens het huilen. Haar baby lag ook in een couveuse. Hij had ook klem gezeten. Elke dag belde ze verschillende mensen om te vertellen hoe traumatisch haar bevalling was geweest, hoe de verloskundige niet luisterde toen ze zei dat ze een ballerina was, dat iedereen toch weet hoe het zit met de bekkenbodemspieren van ballerina’s, die zijn te sterk om er een baby door te laten. ’s Nachts smakte ze in haar slaap. Rondom onze bedden hing een gordijn dat de verpleegster elke ochtend opentrok, omdat ze vond dat we licht nodig hadden. Maar ik had helemaal geen licht nodig. Een paar keer per dag, als ik naar de couveuse-afdeling liep, passeerde ik een wegwijsbord met daarop de naam van het gekkenhuis. Het leek jaren geleden dat ik daar was. En het leek maanden geleden dat ik thuis was.

Na drie dagen mochten de baby en ik naar huis. Onze slaapkamer was een schoongepoetste crime scene en ik legde de baby, die inmiddels Marius heette, op het strak opgemaakte bed.
Ga jij ook maar even slapen, zei Bas. De kraamhulp komt zo.
Marius gaapte en kreunde en smakte en ik gaf hem kusjes en dacht aan hoe mijn moeder me vroeger altijd klapzoenen gaf op mijn oor.
Volgens de kraamhulp was Marius de grootste baby die ze ooit had gezien na die van Alain Clark.
Bas kuchte.
Ik heb liever dat je een keer hard hoest dan dat je steeds zo zit te kuchen, zei ik.
Maar ik moet niet hoesten, zei Bas, ik moet kuchen.
Hij zei ook dat de koffie op was en hij pakte zijn jas toen de telefoon ging. Het was een medewerkster van het gekkenhuis.
Je kan in de groep van december, zei ze. Ik zal je het rooster mailen.
Het was groepstherapie. Dat wist ik niet.
’s Avonds googelde ik Alain Clark. Daarna googelde ik de gedragstherapeuten die op het rooster stonden. Ze hadden allemaal een Facebookprofiel. Een van hen zat met een bezweet gezicht achter een bord Vietnamese loempia’s. Een ander stond in een korte broek op een berg en zwaaide naar me met een wit vlaggetje.

*

We verwelkomen Jente Posthuma (1974) voor een nieuwe reeks op Revisor.nl. Eerder won ze de A.L. Snijdersprijs en publiceerde tweemaal in Revisor; in het najaar verschijnt haar roman Mensen zonder uitstraling bij AtlasContact. Nu zal ze ons tien afleveringen lang meenemen in 'Klein hoofd'. Lees ook deel 1.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog