Naschrift (1): ontdekken en eerlijk zijn en gesprekken voeren

Het objectieve subject

Ik schreef, er kwamen reacties, en mijn denken is gaan schuiven. Eén stap extra, één op de plaats. Vandaag die stap extra: natuurlijk mag je als criticus of journalistiek of literair medium alleen interessante (goede en/of bekende) boeken belichten, maar je mag de context niet verhullen. Ik beschreef in Negatieve recensies ontbreken - dat is het probleem in het voorbijgaan hoe boekenbijlages negatieve recensies vermijden: interessante boeken selecteren om te bespreken. Ja, schreef Arjen Fortuin in NRC, we zijn te braaf. Ja, schreef Jann Ruyters in Trouw, maar kijk eens wat een ontdekkingen. Nee, twitterde Arjan Peters, de Volkskrant heeft Pia de Jongs Charlotte wel besproken. Tja, dacht ik, wat doe ík eigenlijk als de facto boekenchef van Athenaeum.nl? En wat hebben de dialogen van Murakami en Marja Pruis hiermee te maken? Een volgende stap in een chaotisch gesprek.

Het interessante

Ik citeer Jann Ruyters voluit; ze refereert onder het kopje 'Kritiek' aan de discussie die Gerda Aukes op gang bracht.

‘Ook een negatieve recensie, mits goed beargumenteerd, kan het debat over wat wel of niet goede literatuur is verheffen, reageerde Daan Stoffelsen op Recensieweb.'
Dat klopt. Maar in de beperkte ruimte van een krantenbijlage als Letter&Geest, die elke week selecteert uit een enorm aanbod, kies je liever voor de boeken die ertoe doen. Dat kan de tegenvallende laatste Franzen zijn, of Palmen, maar wie zit op een recensie te wachten van de half gelukte roman van een middelmatige onbekende schrijver - ook al roept de figuur wel sympathie op.
Er is nog zoveel goeds te ontdekken, zie bijvoorbeeld de romans van Parker, Costello, Roy en Kazantzakis deze week.’

De foutieve bronvermelding - Recensieweb - is begrijpelijk: waarom schreef ik dat stuk bij het literaire tijdschrift, en niet bij de website die beoogt te recenseren en recensies te beoordelen? Misschien omdat literaire tijdschriften bij uitstek kritisch moeten zijn. Moeten kiezen en bekritiseren.

Maar er is zeker veel te zeggen voor Ruyters' argumentatie. Er is zoveel, waarom ook de middelmatigheid en de shit belichten? En niets fijners dan iets moois of interessants te ontdekken. Maar hoeveel kun je ontdekken? Wie zit er te wachten op vier geweldige romans per week? Als ik iets ben, dan een professioneel lezer, en ik kom net aan één per week. (Ik ben ook een amateurvader, misschien speelt dat een rol.) Wat dat betreft is de strategie van Vrij Nederland (één boek van de week) wellicht vriendelijker voor de lezer.

Het negatieve

Bovendien: Trouw kraakt ook wel eens. Ik herinner me wel stukken van Jaap Goedegebuure, die een handje debuten of vergelijkbare romans nam, ging vergelijken en kool noch geit spaarde. Dat is dan wel degelijk óók interessant, om die term te handhaven, want het geeft een beeld van het literaire landschap. Dat geeft een eerlijk beeld: er zijn niet alleen hoogtepunten in het lezen, net zomin als in het leven. Maar de dieptepunten geven meer kleur en gewicht aan de hoogtepunten.

Vergelijkbaar is de bespreking door Aleid Truijens van Pia de Jongs Charlotte. Truijens bouwt een kritisch oeuvre op rond literatuur over familieverhoudingen, kinderen, ziekte en dood, en daardoor is dit stuk extra geïnformeerd en dus de moeite waard. Sowieso stelt de Volkskrant zich liever niet al te braaf op. Arjan Peters besloot zijn bespreking van W.F. Hermans' Mandarijnen in zwavelzuur:

‘Een tijd ook waarin je op de televisie onder het mom van aandacht voor literatuur al te vaak wordt geconfronteerd met een roedel kirrende, zichzelf "onafhankelijk" noemende boekhandelaren die elk kritisch geluid maar vervelend vinden, uit laffe angst voor hun nering.

Dit ongelikte boek, vol negatieve recensies en oprispingen, wil geen middelmatigheid die als literatuur wordt gepresenteerd, en ook geen camaraderie: een bom erop, zei Hermans, en hopen dat iedereen een flink stuk bomsplinter in het oog krijgt.’

Deze week in de Volkskrant: eenmaal vijf sterren, achtmaal vier, tweemaal drie, eenmaal één. Nee, echt kritisch is de criticus in literaire tijdschriften. Carel Peeters zou vijf pagina's Tirade gebruiken voor een negatieve bespreking, kondigde Jutta Chorus aan in haar NRC-column. Of de eenzame recensent in HP|De Tijd, die in zijn eindejaarsoverzicht over Jonathan Franzen schreef: '... beging in Zuiverheid vooral een literaire zonde : een saai ongeloofwaardig en onuitstaanbaar personage scheppen, wier frêle schouders te zwaar waren om het gigantische verhaal te dragen.' Ja, Dries Muus is eerlijk.

Het gesprek

Ik kan wel zeuren over anderen, maar ikzelf dan? In mijn enthousiasme en ergernis (dat gaat bij mij samen) vergat ik dat ik zelf ook recensent ben, en redacteur van een literair tijdschrift, en de baas over Athenaeum.nl, die minstens driemaal per week een nieuwe bespreking publiceert. Ik schreef mijn stuk als lezer, maar ik ben op zijn minst een akelig goed geïnformeerde lezer. En dus bestempelde Nina Polak in De Correspondent deze week mijn positie als die van de criticus, tegen literaire kritiek als consumentenvoorlichting, en voor het elitaire perspectief als leidend in de kritiek. Dat behoeft nuance, die heb onderaan haar stuk gegeven.

Het is echt zo dat ik literaire kritiek in de eerste plaats lees als amateur. Maar maak ik me niet net zo goed schuldig aan juichende besprekingen en een verkoopbevorderende website? Als Athenaeum.nl-chef heb ik net gemengde besprekingen van Fleur Speet (over Faulks, uiteindelijk positief), Maarten Dessing (over Knausgård) en Lex ter Braak (over On Rereading) gepubliceerd, maar vaker zijn de stukken neutraal of enthousiast. Dat is waar.

En ikzelf, als 'criticus'? Ik was lovend over het Boekenweekgeschenk (Recensieweb), ik zal mild zijn over Ronald Gipharts Harem in de nieuwe Revisor, en ik heb het nieuwe tijdschrift Freeman's geprezen (Athenaeum). Freeman's bracht mij een paar mooie ontdekkingen, auteurs die ik leerde kennen: Kamila Shamsie, Tahmina Anam (een van 'Granta's Best Young British Novelists'), Laura van den Berg, Carnette Gadogan, Fatin Abbas.

Wel stonden er wat gemakzuchtige stukken in van bekendere namen, en zeurde ik met genoegen over het openingsverhaal van Haruki Murakami, 'Drive My Car' ('... met die mysterieuze manier van vertellen redt de Japanse Nobelprijskandidaat het niet bij mij. [Zie] bijvoorbeeld een onnatuurlijke dialoog met pasklare antwoorden op vragen als "Why did you become an actor?" en "You loved being someone other than yourself?"?'), een beetje zoals collega Van Mersbergen dodelijk doorzaagde over hetzelfde verhaal (geen 1 april).

Maar echt, een goede dialoog, dat is veel waard. Ik vond dat bij Gerritsen belangrijker dan plot en karaktertekening, en bij Murakami de boel verpesten. Nu lees ik (de lezer, niet de boekverkoper of criticus) Marja Pruis (de schrijfster, niet de criticus), en ik moet mijn aandacht er continu bij houden. De ik, Guusje, gaat alle kanten op - maar het gesprek ook. Het proefschrift van haar beste vriend is af, maar er is een verdenking van plagiaat, en Guusje moet het uitzoeken. Geen wonder dat ze er niet helemaal bij is.

Leon stopt nog een koekje in zijn mond. ‘We hebben wat te vieren, Guus.’
‘O jee,’ zeg ik.
Hij pakt een plastic tas vanonder zijn stoel. ‘Alsjeblieft.’
Ik schuif het dikke pak papier eruit. Het bovenste vel is blanco, heel discreet.
‘Is dit wat ik denk dat het is?’
Leons hele gezicht wil lachen, maar het houdt zich nog in. ‘Ik wilde het niet de hele tijd zeggen, hoever ik was. Maar ik ben klaar. Ik ben gewoon klaar.’
‘Wat heerlijk voor je!’ Er zijn dingen die je niet meisjesachtig genoeg kunt benaderen. ‘We hebben echt wat te vieren!’
‘Wat is er, Guus? Er is iets, ik zie het aan je.’
‘Zullen we wat bestellen? Ik heb zin in koffie.’
Er zit een zin in mijn hoofd die ik er maar niet uit krijg. Die afschuwelijke uitdrukking, over je billen branden en op de blaren zitten.
Aan het tafeltje naast ons gaat een vrouw zitten, als ze vooroverbuigt zijn de contouren van haar ondergoed te zien onder haar strakke witte broek. Ik zie Leons blik afdwalen.
‘Je moet het tegen me zeggen als ik dat heb.’
Leon snapt het, natuurlijk snapt hij het, hij knikt gedienstig. ‘Zal ik doen.’ De ideale reactie was geweest: dat zie je bij jou nooit, en dat zul je ook nooit zien. Je kunt de ideale reactie niet afdwingen, zelfs ik kan dat niet.

Dat is een natuurlijke dialoog. Een beetje gek, dat wel, maar het klopt: Guusje is met heel andere dingen bezig dan deze wetenschappelijke en persoonlijke doorbraak, en denkt over alles na: 'Er zijn dingen die je niet meisjesachtig genoeg kunt benaderen.'

Ben ik nu alweer positief?

Gesprekken hebben iets chaotisch, en daarom houd ik van recensies, meerdere recensies, waarin je zelf de accenten kunt leggen. Ja, misschien houd ik wel het meest van de criticus als zender, ietwat elitair ja, maar vooral deskundig en met verantwoordelijkheidsgevoel. Hij of zij houdt rekening met het besprokene én met zijn publiek. Maar niet als gesprekspartner - een invulling van de rol van criticus die Nina Polak voorstelt. In een reactie op mijn reactie lichtte ze dat toe: 'Als ik schrijf dat een criticus een gesprekspartner moet zijn dan bedoel ik in de eerste plaats dat zijn oordeel de lezer moet inspireren om zelf verder te denken over het werk. Het moet betrokkenheid wekken.'

Dit is een gesprek, we zijn het eens - op een geregelde manier, met argumenten.

En ja, misschien hebben we het dus inderdaad over de rol van de criticus. Als consumentenvoorlichter, of beter als curator in een bijlage als Letter & Geest: wij kiezen het beste voor u. De Correspondent volgt eenzelfde lijn als het gaat om literatuur. Daar vonden we eerder dit jaar ook een uitgebreider variant van Polaks gesprekspartner: Dries Muus, die eind 2015 Jonathan Franzens Zuiverheid neersabelde, leidde daar een digitale leesclub, met thematische stukken en uitgebreide reactiemogelijkheden - over hetzelfde boek. De criticus als moderator, immer behulpzaam bij het analyseren en ontdekken - maar minder kritisch dan kort daarvoor.

Je kunt in je persoon of medium vele rollen verenigen, dat is waar. Maar je moet ervoor uitkijken jezelf tegen te spreken: naast expertise hoort eerlijkheid. Een gesprek moet ook weer niet té natuurlijk worden.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog