, 04 April 2016

De dood van Arie

500 à 1000

De ijsbaan was een weiland langs de rivier, dat half onder de brug lag. In de lente maakten we de balans op van de winter. Tijdens de zomervakantie namen we vrij om de keet te onderhouden en kapotte lampen te vervangen. Elke herfst kwamen we samen om het sluisje te inspecteren waardoor het water naar de ijsbaan kon stromen. Als de vorst was ingetreden en enkele dagen aanhield, belegden we een vergadering waarin we besloten of we open zouden gaan of niet. Eens in de zoveel tijd maaiden we het gras.
Niemand weet meer precies wanneer het begon, maar op een avond moet een van ons hebben voorgesteld om een biertje te drinken. We vonden nog een kratje pils in het keukentje.

Al werd het ijs zelden dik genoeg, we spraken steeds vaker af, uiteindelijk zelfs een paar keer per week. Om de beurt namen we bier mee. Tegen onze familie zeiden we dat we moesten klussen.
Arie had niemand om tegen te liegen. Alleen mensen die hij zag als er iemand was overleden. Hij kookte zijn eigen kostje en waste zelf zijn kleren, maar niet vaak. Meestal was hij er al als de rest kwam, na het eten.
Wij kropen ’s nachts met onze dronken kop achter moeder de vrouw en zaten met onze kinderen aan het ontbijt. Arie verdachten we ervan dat hij in de keet bleef slapen, maar harde bewijzen hebben we daarvoor nooit gevonden, ook niet na zijn dood, die kwam op een benauwde avond in de nazomer.
Hij ging voorop, wij sukkelden achter hem aan, de brug op. Het was laat, er reed niet veel verkeer meer. We liepen de steile trap op die leidde naar het fietspad achter de vangrails.
Voor de zoveelste keer was Arie zijn kratje vergeten. Misschien had hij geen geld meer om bier te kopen, want achteraf denken we dat hij was ontslagen en leefde van het statiegeld van de kratjes die de anderen verzuimden terug in hun auto te zetten als ze midden in de nacht naar huis slalomden.
Gelukkig was er iemand met wat flesjes in de laadruimte van zijn bestelwagen, genoeg zelfs. Nadat hij de vorige keer zijn bierplicht had verzaakt, beloofde Arie als ie zijn kistje nog eens vergat van de brug te springen. Als kind had hij het zo vaak gedaan, vertelde hij. Toen alles op was, togen we met zijn allen naar de brug. Voor ons hoefde het niet, wij vonden het grappig genoeg om met zijn allen de brug op te gaan, zonder dat iemand in de ijskoude rivier sprong.
Boven zagen we hem staan in zijn spijkerbroek en zijn vuile T-shirt, in het midden van de brug, op het fietspad. De zon was rood ondergegaan en de hemel kleurde nog een beetje, Arie leek geel licht uit te stralen door de felle natriumlamp hoog boven hem in de lucht. Af en toe reed er een auto voorbij. Eindelijk kwamen wij ook allemaal boven.
In de keet beneden brandde nog licht. Op het weggetje naar de ijsbaan stonden onze wagens op een rij. De brommer van Arie helemaal vooraan. De lichtjes van de stad in de verte werden wiegend weerspiegeld in het kalme water. Aan de overkant lag donker de polder.
Een van ons riep: ‘Kom, Arie, we gaan terug. Het is mooi geweest.’ Een ander liet een boer. Iedereen lachte.
Toen we vlakbij bij hem waren, klom Arie over de reling op de rand van de brug. Hij ging met zijn rug naar ons toe staan, zijn armen gestrekt in de lucht, als een schoonspringer die voor goud gaat. We juichten.
De overgang tussen staan en vallen verliep ongemerkt.
Het water in de diepte brak als een glasplaat, de profielzolen van de zware werkschoenen verdwenen als laatste in de rimpeling. Het spatte bijna niet. We bogen ons verder over de reling tot het schuim was verdwenen en de belletjes die Arie had gemaakt waren verzwolgen door het riet langs de oevers.
We riepen, maar de rivier bleef stil.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog