Onder de bomen

500 à 1000

Bij de laan omhoog naar school komen we elkaar vaak tegen, in dat bekakte dorp waar iedereen iedereen kent. Hij komt van de ene kant en ik van de andere. Hij is een jaar jonger en ik geloof niet dat we elkaar vaak groeten, hoewel we vrienden delen. Hij is klein en verlegen. Hij is ook knap en slim, maar zijn broer is knapper en slimmer.
Wanneer hij gaat studeren logeert hij een paar weken bij mij, ik woon al een jaar in de stad. Ik maak mee hoe studenten hem ontgroenen, zie hem de fouten maken die ik ook heb gemaakt.
Hij slaapt een keer met een meisje dat op dat moment mijn vriendin is, een klein wicht met grote tieten. We staan op een feest als hij het opbiecht en anderen kijken toe, hij zegt: ‘Alle recht me op mijn bek te slaan.’ Ik hoor hem aan, ik weet me nog minder raad met de situatie dan hij.

Op de dag dat een goeie vriend uit ons dorp zelfmoord pleegt, delen we die eerste avond na het nieuws dezelfde kamer. Iedereen van vroeger is bij elkaar en hij zit stil in een hoek aan tafel, hij laat de anderen praten. We kijken elkaar af en toe aan en ik geloof dat we de enigen zijn die niet huilen, misschien heeft hij net als ik het idee dat hij iets moet acteren.
Ik schrijf aan een verhaal, de dag dat hij wordt aangereden. Ik weet niet zeker of het een warme dag was, maar zo wil ik me die herinneren. Ik heb mijn kamer verduisterd, ik wil schrijver worden en zit daar in mijn onderbroek. Ik heb mijn studie opgegeven, maar dat weet nog niemand. Ik word opgebeld en hoor over een racefiets, over een auto, over de intensive care. Ik schrijf verder aan dat verhaal. Het is een verhaal waarin twee broers worden gevonden bij een oude steenfabriek. Ik ben ervan overtuigd dat ik voor de eerste keer iets opschrijf wat meaning heeft.
Ik zie zijn ouders in het ziekenhuis, ze gaan net weg. Ik ben hetzelfde als hij, ik laat de mensen met wie ik ben het woord doen. Ik zie hoe vol hoop die vader is, hoe hij in zijn handen klapt en ons moed in praat.
Even later houd ik aan zijn bed zijn hand vast, ik heb nog nooit de hand van een jongen zo lang vastgehouden. Of ooit een hoofd gezien waaruit een stuk schedel is verwijderd om het gevaar van zwellingen tegen te gaan.
In het revalidatiecentrum zie ik hem nog één keer. Ik ben met hem alleen, ik zeg de stomste dingen, ik schaam me er achteraf voor. Ik praat over mezelf, over mijn toekomst, mijn eerste boek komt binnenkort uit. Hij ziet er zo verrekte slecht en raar uit, na een tijdje doet hij of hij in slaap valt. Later weet ik wat ik had moeten zeggen. Dat ik ook een oudere broer heb en weet hoe dat voelt. Dat ik opgelucht was dat hij me belazerde met dat wicht. Dat hij is afgestudeerd en ik niet, dat hij tenminste dan van iemand heeft weten te winnen.
Wanneer we hem op een mooie winterse dag begraven, vraagt iemand of dit in een boek zal terugkomen. Ik wuif de vraag weg, ik weet het niet, misschien ben ik alleen maar een leugenaar.
Af en toe keer ik terug naar zijn graf, het liefst in de winter, ik sta daar nooit erg lang. En als ik terug loop onder de bomen moet ik altijd denken aan die dag dat hij van me wegfietst, met zijn weekendtas op het stuur, de ontgroening in. Nadat ik op straat een tijdje op hem heb ingepraat. Je gaat nieuwe vrienden maken. Je zult alleen wat slaap moeten missen. Ze gaan schelden maar dat is een grap. En dat hij van de zenuwen niet luistert en wegfietst en slingert, en dat ik lachend denk: het is verdomme net alsof je voor het eerst leert fietsen.

Foto © Annalisa Turolla

twee reacties

Arthur

Erg mooi Vincent!

Arthur, - 13-05-’16 17:07
Mark

Au.. Prachtig!

Mark, - 13-05-’16 22:43
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog