Strepen onder de afwezigheid

'Het is een valkuil voor veel beginnende prozaschrijvers: scènes die niet zouden misstaan in een filmpscript met regie-aanwijzingen.' Ik las het, knikte, pakte mijn tas, sloot mijn computerscherm af, groette mijn stagiaire en nam de twee trappen die de webredactie en Spui scheidden. Het was de donderdag van de presentatie van Bart Koubaa's nieuwe roman Een goede vriend. Op Facebook postte de Querido Academie haar 29ste schrijftip. Over regie-aanwijzingen. Ik nam de trein, vroeg de conducteur of ik echt voor € 19,- mee mocht met de Intercity Direct, en pakte de proef van de roman er weer bij. Bart was goed in regie-aanwijzingen, stelde ik vast. Of was het het streng toepassen van de regel show, don't tell? Maar daardoor miste ik wat, en dat lijkt precies de bedoeling. Ik maakte aantekeningen.
Hoe een thema zich ook in de vorm kan openbaren, hoe rouw zonder emotie beschreven kan (worden?). Hoe een consequente poëtica kan irriteren en fascineren. Hoe je als criticus omgaat met de literatuur van vrienden.

Je moet niet over ons schrijven, Daan, zei een oud-collega me, dat geeft een slechte indruk, van ons-kent-ons, van zelffelicitatie. Over vrienden moet je niet schrijven, over vijanden evenmin, die literair-kritische regel heb ik ooit geleerd en geprobeerd in de praktijk te brengen. Je voorkeuren niet te veel volgen, de schrijvers die je niet waarderen kan, niet te veel bespreken. Daar heeft niemand wat aan, je bevestigt hooguit jezelf. Maar wat moet je met die vriendschappen die bij hun boeken begonnen, bij de vriendschap die onlosmakelijk verbonden is met kunstenaarschap? 
Belangrijker: bij een vriend, een favoriet, een vijand, een schrijver wiens werk je niet waarderen kan, bij zo iemand ben je nogal eens opmerkzamer. Zo las ik Benali onlangs, zo zal Grunberg vast nog eens hier aan bod komen, zo lees ik nu Koubaa. Die vooringenomenheid geeft ook focus aan je lezen, je ziet andere dingen, en dat is de moeite van het doorlezen en schrijven waard. Dat andere is het minste wat je van kunst mag verwachten, en van vriendschap.

*

1. ‘De troost van schoolslag, elke dag opnieuw. Elke dag ’s ochtends vroeg naar het zwembad gaan aan het Vossenplein. De lift nemen. De metalen hokjes. Over de tegels lopen. Door het voetbad. En dan: het lege, doodse zwembad. Vaak ben ik de eerste. Door de grote ramen valt het herfstige zonlicht op het water. Het water breekt in duizend scherven, duizend kommetjes schittering. Douchen, duiken, onderblijven. [...] Elke dag opnieuw. Zwemmen. Zwemmen, om niet te hoeven denken, nee, om trager te denken.’

2. ‘Alleen met het maanlicht en de fluorescerende golven zette ik het zelfportret van mijn vriend op de handdoek op het kille zand, waarna ik mijn kleren uittrok en in de ruisende oceaan dook. Het water was koud, er blies een lichte noordwestenwind waarop drie meeuwen zich schaterlachend lieten meevoeren. Ik zwom een paar honderd meter en dreef daarna een tiental minuten op mijn rug terwijl ik de sterren en de maan gadesloeg; daarna sloot ik even mijn ogen tot ik een hond hoorde blaffen. Ik zwaaide kort naar de man die zijn hond uitliet en waadde door de zee tot in de branding. [...] De ober had me net een espresso gebracht toen ik door het open raam op het terras een kat met een propje papier zag spelen. Eerst ging ze liggen en pingpongde het propje heen en weer tussen haar pootjes, daarop sloeg ze het weg, sprong erachteraan en beet erin, waarna ze een soort judoworp maakte waarbij ze over de kop ging. Daarna begon ze er weer met een pootje tegen te tikken. Het was aandoenlijk hoe de kat een zielloos propje papier tot leven kon wekken.’

Een rouwroman uit 2007, een uit 2016. Een stadsroman, een strandroman. Twee schrijvers, allebei een rouwroman. Vooral qua stijl dringen zich de verschillen op. Het staccato en het kale taalgebruik van 1 bevalt me zeer, korte indrukken die een beeld en een pure functionaliteit uitdrukken. De lyriek is me iets te zwaar, 'duizend scherven, duizend kommetjes schittering', het aantal is een cliché (zo oud als Homeros, maar dat maakt het niet homerisch goed), de alliteratie te nadrukkelijk, het beeld verrast net niet. En is 'Elke dag opnieuw' niet overbodig? In 2 stuit je eerder op geschakelde zinnen, die even goed opgesplitst zouden kunnen worden: 'waarna', 'daarna', 'eerst' zijn in chronologisch vertelde fictie eenvoudig door een punt te vervangen, of door komma's, wat de pingpongzin ook illustreert. Er zijn kleine eigenaardigheden, noem het een sobere lyriek: 'schaterlachende' meeuwen, 'gadeslaan'. En is 'fluorescerend' en 'ruisend' niet net zo slap als die 'schitterende' scherven?

Waar 1 ontdaan is van specifieke details, een bijna universele zwembadbeschrijving die geen herhaling behoeft, is 2 heel concreet, stap voor stap ontvouwt zich een scène die zich op geen ander moment, op geen andere plek kan afspelen. De details trekken de aandacht: het maanlicht, het zelfportret, de drie meeuwen, de hond, de kat. Ja, de kat. Die ontpopt zich tot een beeld dat herbruikt kan (en zal) worden, tot iets universelers. Auteur 2 vermijdt het te duiden. Ja, hij laat in cursief hierop volgen: 'Misschien moet ik je zelfportret verfrommelen en de kat ermee laten spelen, amigo, kunnen we volgende keer weer samen een duikje nemen; wat denk je?' De clichés van noodlot en je klein voelen in het universum - 2 blijft er verre van.

*

Ik ben niet gewoon alleen te reizen. Op de reis en op het feest, waar ik een zestal mensen kende, een paar gezichten herkende en een rijkdom aan nieuw te sluiten vriendschappen had, was ik me daarvan zeer bewust. Ik bedacht me dat ik alles moest kunnen navertellen aan vriendin, vierjarige en tweejarige. Ik probeerde me dingen in te prenten: het uitzicht vanuit de trein, de warmte van de namiddagzon, de snoepjes op de tafels, de voetbalslaapkamer in het stadspaleis van de Koubaa's, de poffertjes als ontbijt, de kat, rapporten, de nabijheid van de camping, de resten frites, de rood-witte vlaggetjes die wandelroutes aanduidden zoals we die talloze dagen hadden gevolgd, de mensen die er waren en die er niet waren.

Tijdens de presentatie wist Bart heel elegant de afwezigen op te roepen. Hij bedankte vrienden en familie, en noemde apart zijn vader die vorig jaar stierf. Aan hem is Een goede vriend opgedragen. Hij had geluidsopnamen van de Atlantische Oceaan, immer aanwezig in de roman, en van zijn band Buckey Down. Hij playbackte en danste mee. Zijn lip sync, zijn moves, het waren onderstrepingen van een afwezigheid die groter was dan de ruimte. Ik realiseerde me dat pas toen hij stopte en wegstaarde.

*

Zoals David Van Reybrouck in zijn prachtige romandebuut Slagschaduw het dag na dag bezoeken van het lege zwembad samenbalt in fragment 1, zo beschrijft Bart Koubaa keer op keer de avondlijke baantjes van zijn hoofdpersoon in de oceaan - zoals in fragment 2. Zijn roman is een opeenvolging van scènes, observaties, details, dialoog - wat verwacht je anders in een roman? - maar de duiding, of althans de emotionele verwerking ervan ontbreekt. Daar verschillen 1 en 2: tegenover 'troost' en 'niet hoeven denken' van Van Reybrouck staat hoogstens 'aandoenlijk' bij Koubaa. Beide hoofdpersonen missen een beste vriend, maar het sentiment staat op de voorgrond bij Van Reybrouck, hij benoemt het - subtiel, maar niettemin - waar Koubaa het niet of zeer summier doet.

Wel is daar telkens de ingelijste foto van de overleden vriend, die overal meereist en op een soort indirecte selfies figureert: met een bewegend beeld van Charlie Chaplin, een schilderij van Jeroen Bosch, de oceaan. De dode is zeer nadrukkelijk aanwezig, maar de rouw niet. Dat het vanaf het begin (hier te lezen) tot zeer ver in het boek vooral bij observatie en regie-aanwijzingen blijft, ergert. Zeker, er is veel meer in Een goede vriend te genieten: mooie beelden, geestige herhalingen, de kookmanie van de ik, de eigenaardige, onthechte vriendschappen die hij sluit, de Koubaa vs. Koubaa-achtige dialogen met de overledene.
Maar de rouw krijgt pas na tweederde van het boek expressie, in zo'n dialoog : ‘Je mist me, is het niet? - Ja verdomme, ik mis je... ik mis je... ik mis ons... ik wil hier in deze omstandigheden niet zijn, ik wil dat het weer wordt zoals voor je in god weet wat bent veranderd... ik wil weer samen kaa Gent tegen Club Brugge zien winnen en doorzakken na een dwaas theaterstuk over niets, of naar Marrakech liften en lauw bier drinken met Berbers met gouden tanden die ons kristallen willen aansmeren, ik wil weer samen boodschappen doen voor je moeder en daarna in de Blaarmeersen duiken of gebakken tong eten in Oostende en cognac drinken en op onze rug in het zand de zotte Noordzeewolken ontcijferen, ik wil weer samen nietsdoen... ik wil...’
Het is in die cursief gedrukte dialoog dat de vriend opmerkt dat de ik een avond niet gezwommen heeft.
Het is pas in die fase dat de ik ook daadwerkelijk contact met anderen aangaat.

Je zou ook kunnen stellen dat Koubaa de regel show, don't tell consequent volgt. Laat maar zien, laat de lezer maar zijn conclusies trekken. Dat doet hij een groot deel van het boek, en daardoor dreigt je aandacht te verzwakken. Maar het klopt wel: de observaties zonder duiding, zonder emotie, vallen samen met de verdoving van de hoofdpersoon. De logistiek van de rouw kent geen emotie, alleen handelingen, de herinnering is summier, het nu overheerst. Koubaa kiest scherp, en hij kiest ervoor de afwezigheid te benadrukken. Maar: wat als die realistische, consequente vormkeuze betekent dat de lezer slechts met moeite doordringt tot het boek?

Misschien moeten we de vraag omkeren. Is een boek wel interessant als de hand van de kunstenaar niet zichtbaar is? Het is niet eenvoudig om een goed verhaal goed te vertellen, zeker als je ook iets over de mens, het leven, de wereld wilt zeggen. Maar literatuur wordt pas waardevol als kunstvorm als het vorm heeft, een andere vorm. Daarin onderscheiden goede en mindere schrijvers zich van elkaar. Het is aan de lezer vervolgens te bepalen of die vorm past, of werkt.

Dries Muus was er snel bij in Het Parool met zijn bespreking van de roman. Hij is positief, drie sterren, maar eindigt à la Daniëlle Serdijn (bij een vorige roman: 'Van Bart Koubaa valt nog wat te verwachten.' Of: 'Een paar van dit soort zinnen en je reikhalst naar een nieuwe Koubaa.') nogal slap met een vooruitblik naar de volgende roman.

‘Het is een inzichtelijke roman, die wel iets van de vaart, de suspense van Koubaas eerdere werk had kunnen gebruiken. Het perfecte evenwicht tussen verhaal en bespiegeling, vaart en verstilling - dat heeft Koubaa nog niet gevonden, maar met Een goede vriend is hij er weer een stap dichterbij, en het zou zomaar kunnen dat hij het in roman nummer negen definitief vindt.’

De vragen die Muus zich stelt, maar niet uitgebreid beantwoordt: was het wel de bedoeling dat er vaart inkwam? Nee, denk ik. Belangrijker: past het? Ja, vind ik. Werkt het? Daarover twijfel ik - maar twijfel past deze zachte roman ('verrassend ingetogen, verstild,' schrijft Muus). Na het doorgronden van een kunstwerk is de twijfel het hoogst haalbare. Dat die twijfel amper aanwezig is in Een goede vriend, doet daar niets aan af.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog