Het dubbelgangersthemanummer

Bij wijze van uitgebreid Redactioneel bij het septembernummer 2016

Toen onze redacteur bij de uitgeverij me vroeg of er een thema was, voor ons tijdschrift, dat wars was van goedbedoelde adviezen (waarom zijn jullie Das Mag niet?), dat al zes jaar lang trots themaloos was, toen ze me dat vroeg, mij daarmee overviel, kon ik maar één ding bedenken: dubbelgangers. Eerder, toen er dubbelgangers ons nummer binnenslopen, had Thomas gezegd: 'Ik houd niet zo van dubbelgangersverhalen.' Toen, ten slotte, onze vormgever me 'ca. 280 woorden' gaf, verbond ik met schaar, naald en draad en vooral ductape alle bijdragen aan elkaar tot wat er vandaag in de winkels (bijvoorbeeld bij Athenaeum) en binnenkort op de deurmatten ligt:

Wie is Revisor?

Voor mijn kinderen ben ik net zo goed forens als vader. Bij elke trein die voorbijraast, roepen ze ‘Dag papa’ – zelfs als ze bij mij voor op de fiets zitten. Het zou een dubbelganger van Merijn de Boer kunnen zijn, of een beeld in Miriam Rasch’ essay: een ik in de trein parallel aan mij. Die verdubbeling is kenmerkend voor literatuur, en niet alleen voor autobiografisch proza: de auteur is aanwezig bij Thomas Verbogt, ongetwijfeld ook bij Annelies Verbeke – haar hoofdpersoon heet ‘de auteur’. Maar hoeveel Emily Kocken zit er in ‘Stewart’? Waar is Flor Declerqs ik in ‘Passant’? Heeft Frank Heinen een cameo in ‘De plechtigheid’? Is Chris Honingh de ik in ‘Een zo goed als droge dag’? Hoeveel zien we van het Britse talent KJ Orr in ‘Aan het kanaal’?

Is zij dezelfde als vóór haar debuut? Wat doen gebeurtenissen met ons? vraagt Miriam Rasch (Jan Hanlo Essayprijs Klein 2015) zich af. Als herlezing van een oeuvre zo’n gebeurtenis is, hoe is Thomas Heerma van Voss dan veranderd? ‘Wellicht is dat uiteindelijk de reden waarom [Au pair] me zo stoorde, niet vanwege de kwaliteit, maar omdat Hermans niets lijkt te hebben herzien, alsof hij dat gezien zijn reputatie niet meer nodig achtte.’ Wanneer word ik een ander? De Revisor heeft een nieuwe vorm. De trein rijdt vanaf nu viermaal per jaar, in een frisse vormgeving. Vaker nog op revisor.nl. Bij elk blog, essay, gedicht en verhaal, elke nieuwe versie roepen we: Dag Revisor. Dag Jan, dag Bernke, dag Jente, dag Jori, dag Alja, dag Willem Tieske, dag Daan. Dag veelkoppig monster, waarvoor veel herzien, herschreven werd – en dat herlezen verdient.

Het is een vals verbond. Het dubbelgangersmotief is heel wat anders dan autobiografische elementen, personen en personages zijn valse vrienden en aan herschrijven is niets dubbels, het is de enige kern van goede literatuur, een doorgaand proces. Mijn Redactioneel barst van de halfwaarheden en slappe bruggetjes die maar amper te rechtvaardigen zijn met de volwaardige schoonheid en waarheid in de aangekondigde bijdragen.

Toch zou ik zo'n dubbelgangersnummer wel willen vullen.

  • Middenin een fotokatern met begeleidende korte fictie van tweelingbroers - de Van Mersbergens, de Dautzenbergs;
  • Fragmenten van Nabokov en Dostojevski, vertaald door twee vertalers elk;
  • Thomas Heerma de Voss een essay contra;
  • Het verhaal van Merijn de Boer dus;
  • Het essay van Miriam Rasch.
  • We openen zoals Freeman's met zes korte verhalen van Bregje Hofstede, Marieke Rijneveld, Daniël Rovers, Kees 't Hart, Laura Broekhuysen, Bart Koubaa. Bart voerde in zijn Koubaa vs. Koubaa-blogs, een dubbelgangersvariatie, al een schizofreen gesprek met twee Koubaa's ('Nee, Koubaa, we zijn één, je loopt in de cartesiaanse val…' 'Jij dus ook.'). Waarom niet?
  • Nog een recent verhaal van een schrijver uit Finland, Chili of Nigeria, vertaald door een jonge vertaler uit Utrecht?

(En iemand zou moeten schrijven over het Döppelgangermotief, een overzicht met Poe erin, Gordimer, Dickens en Conrad. Een onderzoek naar de aantrekkingskracht, een poging te begrijpen. R.W., staat hier in mijn aantekeningen, alsof een ander ze drie weken geleden heeft neergepend. Welke R.W.? P.S. had natuurlijk gemoeten, tóén was hij er nog, verdomme. In Lezen &cetera (2003) was het niet een van zijn 52 thema's, maar hij had zo'n overzichtje moeiteloos samengesteld, in de dikke Steinz (2015) komt hij ook met Hermans (natuurlijk!), Zwagerman (verdomd: Chaos en rumoer), E.T.A. Hoffmanns Die Elixiere des Teufels, Bret Easton Ellis' Lunar Park (oh?), Stevenson, Roths Operation Shylock, Pamuk, Richard Powers' The Echo Maker, Komrij's Dubbelster. Steinz was de boekenchef toen ik voor NRC begon te schrijven, de directeur toen ik adviseur werd bij het Letterenfonds. Maar vooral was hij akelig goed belezen (en kon hij ook goed schrijven over taal, muziek, strips, hij was oudhistoricus en anglicist) en bewonderenswaardig vriendelijk. Een man met een open blik, een vlotte pen en de talenten te bewonderen én te bekritiseren - een combinatie die weinigen in mijn métier volhouden. We misten hem al langer, maar nu... Dag goede Pieter.)

Rouwkaart Pieter Steinz

Dit zou hij vast ook hebben vastgesteld: dat het Döppelgangermotief een essentieel onderdeel is van de literaire ervaring. Herkenning is essentieel, de ervaring echo't heel expliciet - te expliciet zou Thomas betogen in zijn contrastuk - die van de lezer: ik ken die mens, ik begrijp hem, hem wil ik zijn. Of juist helemaal niet. En daarmee zou mijn ductape-redactioneel toch ergens gerechtvaardigd zijn.

*

Belcampo noemt Steinz niet. 'Bekentenis', uit de bundel De verhalen (1936) is dan ook maar een kort verhaal, over een man die zichzelf in de trein tegenkomt: 'Toen ik het portier geopend had, bleef ik verlamd staan. Ik zat er al. Ik was al ingestapt.' Even verder: 'Het was niet om uit te houden. De noodrem! Wel twee dagreizen leek hij me weg. Zat er maar een monster of een pestlijder, zat er maar een wild beest, maar het was ikzelf die me daar aan zat te staren, ikzelf. En de trein reed rustig verder en er gebeurde niets.' Dat is, na die gemeenplaats, mooi gezegd, een fijn contrast ook tussen die pestlijder en die rustige trein. De twee, een geslaagd in een saai burgerlijk leven, de ander het flierefluiten zat, besluiten ten slotte te ruilen van plek, elk jaar.

Een mooi gegeven, zoals met het dubbelgangersmotief op zich niets mis is, maar het in de uitwerking vaak iets gekunstelds krijgt. Hier blijkt ook weer dat Belcampo (een jeugdliefde, dus ik schrijf dit met pijn in het hard) een betere plotbouwer is (wat heet! Een fantastische), dan een stilist. De egocentrische preek die de minder gefortuneerde ik opsteekt, is een draak, passend ingeleid: 'Als ik over mezelf spreek moet ik staan, evenals bij het zingen van 't Wilhelmus, want al heb je nog zoveel eerbeid voor je volkslied, het lied van je eigen leven gaat er tenslotte mee strijken.' Je gunt deze ikken, zo makkelijk gokkend met hun levens en die van een echtgenote en kinderen, een veel vervelender einde dan Belcampo ze geeft: 'En het merkwaardigste van al deze omwisselingen is dit: Hier zit ik nu; geen van u allen weet, wie van ons beiden ik ben — en ik weet het zelf ook niet meer.'

Maar wij, wij zijn de Revisor. Dag!

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog