Ritje

Voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) schreef Frank Heinen het verhaal 'De plechtigheid', over iemand die uit het niets een held wordt. Op ons verzoek schreef Heinen een satellietverhaal: 'Het ritje'.

Mijn vriendin drukt de wekker altijd twee keer uit voor ze opstaat. Na de eerste keer rinkelen draait ze zich op haar zij en blaast haar ochtendadem in mijn gezicht, na de tweede kruipt ze nog even tegen mij aan, met haar rug tegen mijn borst en haar haren in mijn mond.
Na de derde staat ze op.
Iedere ochtend overweeg ik haar te vertellen dat ik het wel mooi geweest vind en iedere avond moet ik vaststellen dat dat ook weer zowat is.
‘Maak een foto met hem,’ zegt ze aan de ontbijttafel. ‘Voor op Insta.’
Als mensen me vragen wat ik ben, denk ik: ik ben schrijver. Maar zoiets zeg je niet, vind ik. Meestal antwoord ik: ik ben chauffeur.
Overigens vragen ze in de meeste gevallen trouwens heel andere dingen. Hoeveel het kost. Of de rolstoel achterin past. Waarom ik zo laat ben.

Als ik onder de douche vandaan kom, is ze verdwenen. Ze werkt in de Universiteitsbibliotheek, ze gaat over de te-laatboetes.
Ik heb de buitendeur niet horen dichtslaan, en ze heeft ook geen gedag geroepen. Ik loop naar de slaapkamer, waar ze niet meer is. Dan kijk ik toch even onder het bed. Niets. Haar tas is ook weg.
We kennen elkaar nog maar kort. De eerste ontmoeting vond plaats tijdens een juryvergadering voor een verhalenwedstrijd van de universiteit. Zij fietste opeens voor me, op de een of andere manier precies op het tempo dat ik ook onderhield. Voor een toeschouwer moet het geleken hebben of ik haar achtervolgde, zeker toen zij remde voor het café waar ik ook moest zijn.
In principe doe ik geen jury’s. Kunst is geen wedstrijd. Mijn principes zijn krachtig, maar de wens aardig gevonden te worden is sterker.
Na de vergadering – vruchtbaar – fietsten we samen terug naar onze wijk.
‘Leuk dat we elkaar nu eens echt spreken,’ zei ze. Ze had rossig haar dat ze in een knotje bovenop haar hoofd droeg.
‘Ja,’ zei ik.
Ze zag me altijd zitten, zei ze. ‘In de bieb, bedoel ik.’ Dat kon kloppen: overdag zat ik meestal in de universiteitsbieb aan een privé-studieplek om te schrijven. Ik schreef er aan een stapel korte verhalen waarvan een enkeling bij verhalenwedstrijden in de prijzen viel. Als ik opkeek van mijn scherm, keek ik naar de mooie meisjes die door de gangen zwermden. Het leek wel een plaag. Haar had ik nooit gezien.

Ik kleed me aan, knoop mijn stropdas en strik mijn veters. Voor ik mijn colbert aantrek, poets ik mijn tanden, om vlekken te voorkomen. We slapen eigenlijk altijd bij haar, ik vind het prettig om te vertrekken wanneer ik wil en niet te hoeven wachten tot de ander opstapt. We zien elkaar twee of drie keer per week, afhankelijk van het aantal vroege diensten dat zij heeft. Ik vermoed dat zij wel vaker zou willen, maar ik vind het wel even prima zo. Met vannacht erbij hebben we deze week nu vier keer bij elkaar gelogeerd. Dat is te veel. Vanavond slaap ik alleen. Ik mag voorlezen op een open podium van mijn oude studentenvereniging. In principe zijn mijn verhalen om te lezen, niet om te beluisteren in een werfkelder met open bar, maar het initiatief is sympathiek en de jongen die het organiseert is een soort van vriend, vandaar.
Ze stond opeens op de stoep, vannacht. Ik zat nog te werken aan een verhaal, al vielen mijn ogen langzaam dicht. Voor me op tafel stond een schaaltje waar alleen nog wat pepernootkruimels in zaten.
Bij de deur viel ze me al om de hals.
‘Ik hou van je!’ hijgde ze. Ze rook naar rook.
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Dat weet ik. Kom je uit het café?’
‘Ik wilde bij je zijn.’
‘Ik moet vroeg op,’ zei ik. ‘Ik moet rijden. En ik ben aan het werk, zoals je ziet.’ Ik gebaarde naar de laptop. Er stond een voetbalsite open.
‘Natuurlijk!’ riep ze. ‘Natuurlijk! Doe wat je moet doen! Je zult niet eens merken dat ik er ben. Ik wilde gewoon alleen maar bij je zijn.’
Het taxibedrijf werkt met een soort roulatiesysteem. Als je aan de beurt bent voor een ritje word je gebeld en als je om wat voor reden dan ook niet kunt, kom je weer onder aan de lijst. Op die manier proberen ze te voorkomen dat mensen te vaak afzeggen, denk ik.
Het was nota bene mijn moeder die de vacature doormailde. Een exclusieve taxiservice zocht jonge, representatieve mannen om op oproepbasis belangrijke mensen rond te rijden. Mijn moeder, die bij mijn diploma-uitreiking nog de vrees uitsprak dat ik nu misschien wel leraar moest worden.
Sindsdien zit ik ongeveer eens per week met een ‘belangrijk iemand’ in de auto. Ik werk voor filmfestivals, beurzen, grote bedrijven en bemiddelingsbureaus die sprekers voor allerhande evenementen laten invliegen. Ik beval, geloof ik. Misschien omdat ik de indruk geef dat ik geen idee heb wie de mensen in mijn auto zijn, of wat voor interessant werk ze doen. Vaak klopt die indruk: ik ken bijna niemand. Ik volg geen nieuws. Het heeft iets ordinairs om voortdurend op de hoogte te willen blijven van de actualiteit.
Vlak voor ik in slaap viel, gisteren, vroeg ze of ik een bekend iemand moest rijden.
‘Ik geloof van wel. Die vent uit die nachtwinkel. Sleutelaar. En zijn vrouw.’ Om sommige actualiteiten kun je niet heen, al maak je nog zo’n brede bocht.
‘Wauw,’ zei ze zacht. ‘Wauw.’ Het was even stil. Toen zei ze: ‘Bedank hem van me, als je wilt.’

In de hal trek ik onverhoeds de wc-deur open. Leeg.
Ze is echt vertrokken. Wie zijn geld met te-laatboetes verdient, moet op tijd komen.
Ik trek mijn colbert aan, voel nog een keer aan mijn stropdas, pak mijn sleutels uit het pennenbakje en trek de voordeur achter me dicht.
Als ik in de frisse, stille ochtendlucht naar het kantoor van de taxiservice fiets, trilt mijn telefoon in mijn broekzak.
Ik hou van je. En vergeet de foto niet.
Het is half negen, ze gaat nu aan het werk.
Eerst het ritje, denk ik. Eerst het ritje, dan vanavond op dat podium, dan volgende week de laatste juryvergadering en dan is het echt mooi geweest.

twee reacties

Henk

Twee zinnen vond ik voor verbetering vatbaar. De eerste vanwege de vage formulering, ‘dat dat ook weer zowat’. De tweede vind ik dubbelop: overigens en trouwens. Komt er nog een vervolg/slot?
-moet ik vaststellen dat dat ook weer zowat is. – Overigens vragen ze in de meeste gevallen trouwens

Henk, - 21-09-’16 17:55
Daan Stoffelsen

Beste Henk,

dank voor uw meedenken. Ik vind die frases wel passen bij het personage, en de overvloedigheid van de tweede mooi gecompenseerd door de zinnen die erop volgen.

Wat het vervolg/slot betreft, ik ben bang dat dit een open einde is, maar het verhaal in ons nummer kan als vervolgverhaal dienen – zij het vanuit een ander perspectief.

Vriendelijke groet,

Daan Stoffelsen

Daan Stoffelsen, (URL) - 22-09-’16 21:29
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog