Koufront

500 à 1.000 woorden

Het moest rond acht uur zijn geweest toen zijn vader het douchegordijn openrukte. Het blauwe plastic had het licht van de badkamerlamp iets verduisterd. Om de jongen heen groeide een plasje water, want zijn billen rustten op het putje.
Het licht sneed zijn blikveld in. De ogen van zijn vader hingen klein onder zijn zware wenkbrauwen. Het haar aan weerszijden van de kale plek op zijn hoofd stond recht omhoog. Rode wangen. De jongen wilde vragen wat er was, maar voor hij iets kon zeggen greep zijn vader zijn natte haar beet en trok hem omhoog. De jongen schreeuwde, klauwde in de behaarde rug van de sterke hand.
Ik heb je toch gezegd van die spullen af te blijven? Ellendig jong.

Zwaar aangezette l-klanken, de v was een w geworden: drank. De hele dag was hij in zijn studeerkamer geweest. Hij had ook niet met de jongen en zijn moeder meegegeten. Dat kwam vaker voor. Als hij niet in zijn kamer was, was hij in de schuur. Bij zijn geprepareerde dieren. 
De vader sleepte de jongen onder de waterstralen vandaan. De jongen gleed uit. Zijn hoofd kwam los van de hand. Het geluid van zijn op elkaar klappende kiezen toen hij zijlings de vochtige tegelvloer raakte.
Ik heb nergens aan gezeten, riep hij, liggend op de koude vloer.
Lieg niet.
Hij probeerde op te staan, zijn vader pakte hem bij de arm en sleurde hem mee door de gang, naar de grote slaapkamer. De voeten van de jongen vonden geen greep op het parket en piepten. Op het bed lag een geopende zwarte koffer. Een teddybeer, tekeningen, foto’s, enkele kledingstukken.
Je bent in die kist geweest! brulde de vader. Hij kneep nog harder in de arm van de jongen.
Helemaal niet.
Nog ontkennen ook.
Toen duwde hij de jongen naar de deur van het balkon. Hij opende de deur en gaf de jongen een zet. Buiten viel de kou meteen zijn naakte lichaam aan. Wind joeg over zijn gloeiende huid, drukte op zijn borst, schaafde zijn wangen. De waterstralen waren iets te heet geweest, merkte hij nu. De huid van zijn schouders trok. Zijn voeten leken vast te vriezen aan de ijzige betongrond. De deur ging dicht.
Het gezicht van zijn vader achter het glas, diep tussen de schouders en nog steeds verwrongen van woede. Een mondhoek trilde. Tussen zijn wenkbrauwen zat een diepe groef. Hij draaide de deur op slot, knikte een keer resoluut en wendde het hoofd af. De jongen sloeg niet op het raam, schreeuwde niet. Met beide handen hield hij zijn bovenarmen stevig vast.        
Dit is niet echt, dacht hij. Kan niet anders.
Hij wreef over de pijnlijke plek op zijn hoofd. De haren zaten er nog. Hij huppelde van de ene verkleumde voet op de andere. Zijn piemel had nu de grootte van een vingerhoedje.
Stond hij hier echt? Hier in het donker?
De bomen in de straat waren al helemaal kaal. De takken grepen als klauwen naar het niets van de straatverlichting. Een eend vloog over – de jongen hoorde hem, zag hem niet. De maan was een veeg witsel.
Zo meteen word ik wakker, dacht hij. Dan lig ik in mijn bed.
Een auto stopte tegenover het huis. De portieren gingen open en de familie Groutars stapte uit. Als vanzelf bukte de jongen zich toen hij het meisje zag. Esmée. Ze zou hem in het avondlijk donker waarschijnlijk niet kunnen zien, maar hij was toch blij dat de balustrade was opgetrokken van rood baksteen en niet bestond uit metalen spijlen. Hij kon zich er volledig achter verschuilen. Gehurkt als een hardloper in de starthouding voelde hij de inmiddels kille druppels douchewater over zijn rug en langs zijn benen kruipen. Ze drupten op de grond. Zijn ademhaling was schokkerig, zijn neusvleugels schrijnden. Hij hoorde zijn kiezen op elkaar tikken.
Een week eerder mocht hij tussen de middag met Esmée mee naar huis. In haar slaapkamer kuste ze hem op zijn mond. Zijn eerste meisjeslippen.
Nu moeten we in bed gaan liggen, zei ze. Onder de dekens.
En dan?
Dan moeten we op elkaar gaan liggen en hijgen en kreunen.
Waarom? 
Weet ik niet. Ze dacht na en zei dat dat geil was.
Wat is geil? vroeg de jongen.
Ze haalde haar schouders op. Toen pakte ze even zijn hand vast, liet hem weer los en vroeg: Wil je mijn tut zien?
Je tut?
Zo noemt mijn moeder het altijd. Ze deed haar broek en onderbroek naar beneden. Waar bij hem zijn piemel zat zag de jongen niets meer dan een verticaal streepje in opbollend meisjesvlees.
Nu moet jij jouw broek ook naar beneden doen.
Nee.
Jawel.
Hij deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep naar het raam. Met zijn vingers tikte hij op het kozijn. Hij vroeg: Waarom mocht ik eigenlijk met je mee en niet een van de andere jongens?
Omdat jouw broer dood is, zei ze. En omdat je Bastiaan in het water hebt gegooid.
Bastiaan en hij hadden op de brug ruzie gekregen over een paar knikkers en toen had Bastiaan gezegd dat hij hem naar zijn dooie broer zou slaan. De jongen greep hem toen stevig bij zijn jas en duwde hem tegen de brugleuning.
Je houdt je bek over mijn broer.
Bastiaan wist hem in het gezicht te slaan.
Klootzak.
Even was hij alleen maar spierkracht geweest. Had hij hem bij de benen gepakt, of bij de armen? Bastiaan had geschreeuwd. Een plons. Kopje onder.
Esmée pakte zijn arm. Doe nou toch je broek naar beneden, joh. 
Wakker worden, fluisterde de jongen.
De balkondeur ging weer open en zijn moeder verscheen in de opening.
Kom gauw binnen, zei ze.
Hij schoot op haar af, onder haar arm door en naar binnen. Ze sloot de deur. Hij ademde de warmte diep in. Zijn vader zat op het bed. De woede was van zijn gezicht gevallen, zijn ogen stil en half dicht. Op één arm lag, als een baby, de teddybeer van zijn broer. De hand van zijn vrije arm had hij op het gezichtje van de beer gelegd.
Precies zoals ik heb gedaan, dacht de jongen. Tijdens de opbaring was hij even alleen met zijn broer geweest. Eerst had hij zijn handen gevouwen en gevraagd of Jezus hem Zijn kracht wilde geven. Toen legde hij zijn handpalm op de mond van zijn broer. Lippen van rubber.
Meester Ben had verteld dat Jezus gezegd had: Lazarus, kom naar buiten! en dat Lazarus toen uit zijn graf opstond.
De jongen sloot zijn ogen en mompelde: Allard, sta op.
Er gebeurde niets.
Allard, sta op.
Zijn broer bleef een pop.
Sta op.
Wild sloegen zijn vuisten op het witte gezicht van zijn broer. 
Er kwamen handen die hem wegsleurden, de kamer uitgooiden. Op de gang verloor hij de kracht in benen, zakte tegen de muur in elkaar.  
De koffer lag nog op het bed, maar was nu gesloten.
Die jongen had wel kunnen bevriezen met dit weer, zei zijn moeder. Ze legde een warme hand op zijn schouder. Zijn gehele lijf tintelde.
Zijn vader opende zijn mond, knipperde met zijn ogen. Hij keek haar niet aan. Via zijn neus zoog hij piepend lucht naar binnen. Zijn borst zwol op.
Ga je nog iets zeggen? vroeg zijn moeder. 
Een menselijk lichaam, antwoordde zijn vader zacht en hij slikte, dat bevriest pas als het langere tijd wordt blootgesteld aan extreem koude omstandigheden. Temperaturen ver onder de nul graden Celsius. Dat is het buiten bij lange na nog niet.
Hij tuitte zijn lippen, deed zijn ogen dicht.

*

Foto: Alexander Baneman

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog