, 24 Oktober 2016

Het is mijn koffie

500 à 1.000 woorden

Ieder klapje is een kusje, fluistert Berry. Hij fluistert met hetzelfde ritme waarmee hij zijn vuisten laat landen. Een combinatiestoot. Links, rechts. Klapje, kusje. Twee woorden vlug achter elkaar, alsof ze met elkaar verbonden zijn. Verbonden zoals mijn wangen, die steeds meer beginnen te branden. Wij staan bij de bushalte en in de verte zie ik de bus over het glimmende asfalt rijden, langs de plek waar vroeger stoplichten stonden en nu alleen nog gevarenheuveltjes liggen. Berry knijpt even in mijn nek voordat ik de bus instap. Zijn vingers komen tot onder mijn kaak en ik ruik het zweet in zijn T-shirt. Als ik het trappetje oploop geloof ik dat zijn handen groter zijn geworden, de laatste tijd.

Mijn chipkaart druk ik tegen het grijze kastje naast de deur. Er brandt een rood lampje.
Onvoldoende saldo. Ik laat mijn de kaart aan Dennis, de buschauffeur van lijn 174, zien en zet de witte plastic tas met boterhammen en een flesje sinas onhandig tussen mijn benen.
Sorry Ines, zegt Dennis, dan mag ik alleen contant accepteren. Hij houdt het kleine boekje met dagkaarten omhoog op dezelfde manier waarop ik mijn kaart aan hem laat zien. Ik draai me om naar Berry. Zo onopvallend mogelijk vraag ik of hij geld bij zich heeft. Ik wrijf mijn duim en wijsvinger kort langs elkaar. Berry geeft geen antwoord en blijft omhoog kijken, zijn linkerhand op de deur, alsof hij bepaalt wanneer dat ding open en dicht gaat, en zijn voet op de onderste trede, alsof hij ieder moment achter mij aan kan komen.
Ik heb ook niks bij me, zeg ik, iets harder, zodat Dennis het hoort. Ik draai me weer om en kijk Dennis met grote ogen aan. Neem mij mee, wil ik roepen, of eerder: laat mij niet achter. Gewoon rijden tot we ergens anders zijn, de straat uit, de hoek om. Uit het zicht.
Hij schudt voorzichtig zijn hoofd en ik merk hoe de andere passagiers mij bekijken. Het zijn er tien, misschien meer. Er is in ieder geval een man, die kijkt. Hij zit vooraan, op de plek waar zwangere vrouwen mogen zitten als het ze allemaal even te veel wordt. De rode letters op het raam losgepulkt. Terwijl ik de tas steviger tussen mijn enkels klem en mij afvraag waar normale vrouwen mogen zitten, als het ze even te veel wordt, voel ik ook hoe Berry mij bekijkt. Zijn blik op mijn blote knieholtes. Wanneer ik de bus uitstap realiseer ik me dat het nog een uur gaat duren voordat ik dit verdomde dorp verlaat.
We lopen terug naar huis. Langs de kerk en langs de huizen met de oprijlanen. De oprijlanen gaan gauw in carports over en de carports maken langzaam plaats voor huizen die tegen elkaar gebouwd zijn. Huizen waarin mensen wonen die hun auto gewoon op straat parkeren. Als ik alleen loop lijkt het altijd sneller te gaan en als ik alleen loop lijken mijn wangen niet zo te branden. Nu is het allemaal weer zo traag en zo pijnlijk.
Als we over het pleintje lopen pakt Berry mijn hand. Ik laat mijn hand slapjes in de zijne rusten, zoals mijn neefje dat doet op een familiefeestje. Hij drukt zijn vingers tussen die van mij. Ze kunnen nergens heen. Zo lopen wij samen naar de buurtsuper.
Er klinkt een belletje als Berry mij naar binnen leidt. Pas bij de kassa laat hij mijn hand los om een pakje Marlboro af te rekenen. Het blonde kassameisje noemt zijn naam. Hij glimlacht en pint tien euro extra, twee briefjes van vijf. Voordat we de winkel verlaten geeft hij mij een van de briefjes en ik weet zeker dat hij het andere briefje in een fruitmachine gaat stoppen. Buiten steekt hij een sigaret op en slaat zijn arm om mijn middel. Hij zegt dat het niet mijn schuld is en hij noemt me mop. Daarna zegt hij dat het de schuld van die vuilak is die zo naar mij zat te kijken, met zijn stomme bonnenboekje. Hij knijpt zijn ogen samen, neemt een trekje en de rook die hij vervolgens uitblaast, blaast hij tegen het kleine askegeltje aan. Alles gloeit.
Ik kijk naar de sigaret in zijn grote hand en ik weet dat ik beter mijn mond kan houden maar ik weet ook dat hij mij niks kan maken, hier op het plein, voor de supermarkt. Boven ons, in de schaduw van oranje zonneschermen, zitten de oudjes en dat weten we allebei. Ik zie zijn moeder er nog zitten en misschien, als ze toen bij ons naar binnen had kunnen turen, was hij nooit zo’n vechtersbaasje geworden.
Dennis kan er ook niks aan doen, zeg ik duidelijk. Berry’s hand lijkt iets kleiner te worden. Als ik nog een keer goed kijk zie ik dat die hand alleen maar groter wordt. Klaar voor de start.
Zijn andere hand glijdt van mijn rug en hij snuift. Dennis, zegt hij. Waarom weet jij eigenlijk dat die griezel Dennis heet?
Ik wil hem vragen hoe het kind achter de kassa met haar puntige tietjes heet maar ik bedenk me. Voorzichtig herinner ik hem er aan dat ik vijf dagen per week de bus neem en dat Dennis een naamplaatje draagt, zoals alle buschauffeurs tegenwoordig.
Ik hoorde het wel, zegt Berry. Hoe hij je naam uitsprak. Hij noemt mijn naam en hij noemt zijn naam en dan noemt hij weer mijn naam. Hij laat de laatste letter iedere keer lang en hard sissen. Als hij klaar is schudt hij zijn hoofd zoals hij dat ook doet wanneer iemand op tv een penalty mist.
Ik vouw het briefje van vijf in mijn hand en herhaal de namen hardop alsof ik wil horen hoe ze klinken als je ze normaal uitspreekt. Dennis en Ines, Dennis en Ines. Alsof ze met elkaar verbonden zijn, op een trouwkaartje of zo. Ik glimlach naar Berry.
Berry’s ogen worden nog kleiner. Klein als die van een Chinees. Hij pakt mijn bovenarm vast en drukt die net zo lang naar achter tot ik tegenover hem sta.
Hoe weet hij trouwens hoe jij heet, vraagt hij. Zijn zweet is erger geworden.
Vijf dagen per week, Berry, zeg ik. Ik zie hem onderhand vaker dan jou.
Berry haalt de sigaret uit zijn mondhoek en gooit hem demonstratief richting een voorbijrijdende bestelbus. Mijn andere bovenarm pakt hij ook vast. Hij kijkt naar mijn rok en naar de knoopjes op mijn witte blouse. Nu vraag je er gewoon om, zegt hij en hij recht zijn schouders. De afstand tussen ons wordt kleiner. Als hij wilt kan hij mij hier op het pleintje door elkaar schudden zoals hij nog nooit heeft gedaan. Echt schudden, zoals stomme mensen bij huilende baby’s doen om ze te vermoorden of werkeloze mannen bij hun vrouw om te laten zien dat ze nog steeds de baas zijn. Ja, dat zou hij kunnen doen. Ik kijk over mijn schouder naar boven, naar de oudjes, en ik zie hoe Berry’s ogen de mijne volgen. Ze zitten er.
Hij laat mijn armen los. Allebei tegelijk, alsof ik ineens verschrikkelijk warm ben. Op de plek waar zijn linkerhand kneep, zitten vier lange rode striemen. Op mijn andere arm is niets te zien maar het voelt alsof zijn hand er nog steeds zit. Soms voelt het de hele dag zo.
Berry doet een stap naar achter en kijkt weer naar de balkons. Dan draait hij zich om en begint te lopen. Halverwege het plein blijft hij staan en zolang als het duurt om een sigaret uit een pakje te frommelen en aan te steken, zolang ben ik er van overtuigd dat hij zich omdraait en weer terugkomt. Zes grote passen, denk ik, meer heeft hij niet nodig. Na twee trekjes loopt hij toch door. Zijn sigarettenrook hangt laag in de warme lucht en hij verdwijnt in onze straat.
Het vijf euro biljet heb ik inmiddels vier keer gevouwen. Mijn vinger glijdt langs de puntjes.
Het is mijn eigen geld geworden.
Hetzelfde belletje klinkt als ik de deur van de kleine supermarkt openduw. Een dagkaart kost drie vijftig, een croissantje een euro en een koffie veertig cent. Terwijl het meisje koffie uit het stalen kraantje naast de kassa in een beker laat lopen, bekijk ik het plaatje op haar borst.
Net leken ze gevormder, die tietjes, nu lijken ze alleen nog lang niet volgroeid. Rachelle staat er op het plaatje. Rachelle die met haar strakke lichaam vanachter de kassa met werkeloze mannen flirt.
Pas op, zegt ze terwijl ze de beker onder het kraantje vandaan pakt. Ze zegt het zonder mij aan te kijken en houdt de beker tussen ons in, boven de band waarop mijn croissantje ligt te wachten. Haar vingers perst ze tegen het opstaande randje. Er komt damp van de koffie af.
Waarom weet je hoe hij heet, vraag ik. Rachelle stottert terwijl ze het bekertje dichterbij brengt. Ze zegt iets over iedere dag en ze zegt iets over sigaretten en ik pak het bekertje van haar over. Mijn vingers omklemmen het hete karton halverwege maar dat geeft niet. Zo meteen is de beker toch leeg.
Het is mijn koffie.

*

Illustratie: Kay Hooijmans

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog