Zoek de verschillen: Van der Heijden, Céline, en dode huisdieren

De 'De tongzoen van tante' bevat een uitgebreide vergelijking tussen Van der Heijdens prozafragment 'Advocaat van de hanen' in Revisor 1987-1 en het eerste hoofdstuk, 'De geharnaste kat', van de roman Advocaat van de hanen, 'De geharnaste kat'. En er zit een uitstapje in naar 'Reis naar de Exilstraat', een variatie van Van der Heijden op Céline. Ten slotte kwam er een derde variatie bij in Revisor 13, Ivo Victoria's 'De gekiste kat'. De grote overeenkomst: het loopt slecht af met de katten en de hamster Hamlet. En verder zijn er vooral verschillen. Een inventarisatie.

Vrijdag 11 november verscheen Revisor 13, gewijd aan A.F.Th. van der Heijden. Lees Daan Stoffelsens essay over twee versies van de opening van Advocaat van de hanen, en bestel uw exemplaar bij een van 98 boekhandels. Of neem een abonnement.

I. Herman Franke & W.F. Hermans

Ik schreef: De redacteur als lezer wordt al snel een redigerende lezer.
Daar is niets mis mee. Zulk kritisch lezerschap kan bij schrijvende lezers interessante teksten opleveren. Ik verwees in 'De tongzoen van tante' in Revisor 13 naar Herman Frankes herschrijving van de opening van W.F. Hermans' De tranen der acacia's (1999) in Revisor 2005-2. Hij schrijft daarbij: 'Op de eerste bladzijde doet een schrijver vaak extra zijn best. Dit geldt nog sterker voor de eerste zin. De stilistische oneffenheden daar heeft hij dus gewoon niet gezien of niet als zodanig ervaren, wat even ongelooflijk als waar is. De eerste zin is zo belangrijk als de eerste tongkus van verliefden. Smaakt die niet naar meer, dan wordt het nooit wat.'

Dat stuk is op Revisor.nl te lezen.

II. A.F.Th. van der Heijden & A.F.Th. van der Heijden

Maar 'De tongzoen van tante' draait dus vooral om die twee versies van Van der Heijden. Dit zijn de eerste pagina's, de gekleurde passages zijn herkenbaar overgenomen in de nieuwe versie, andere niet of slechts inhoudelijk.

1987 Z'n tante werd nooit beu te vertellen hoe hij in de wieg een keer tot krijsens toe geschrokken was van het geluid van zijn eigen wind - en in zoverre was er niets veranderd, want ook als volwassene liet hij zich vaak nog angst aanjagen door de onvrijwillige uitstoot van wat zich aan giftige dampen in hem had opgehoopt, zo niet in zijn ingewanden dan toch in de geest.
Niet de kater onmiddellijk na een wekenlang drinkgelag is de gesel van de chronische alcoholist, maar de kater volgend op die kater, wanneer bijtend azijn en ander schadelijk afval nog wat in het lichaam lijken te blijven dralen, en het brein verzieken en vervormen, alvorens te ontsnappen. Ernst Quispel (‘Dip’ voor zijn vrienden sinds ze hem zijn kwaal eens plechtig hadden horen omschrijven als chronische dipsomanie) was die hele nacht na zijn eerste, doodzieke dag van onthouding zwetend en trillend getuige geweest - nu eens als toeschouwer die ‘wel beter weet’, dan weer als direct slachtoffer - van de schrijnendste hallucinaties, sommige visueel, andere alleen maar akoestisch. Bij alles wat er in de bijna stikdonkere slaapkamer aan bewegende en gebarende schimmen te zien viel, had hij, enkel op het gehoor, waartoe hij zijn hoofd een stukje van het kussen moest opheffen, allerlei indringers door zijn woon- en werkvertrekken gevolgd. De eerste verschafte zich toegang via het souterrainluik, een volgende door bruutweg de voordeur te forceren, terwijl ze zich ook wel van de daken neerlieten in de luchtkoker waar de slaapkamerramen op uitgaven. Quispels enige verweer bestond uit een zacht gefluisterd ‘Godverdomme, sodemieter op’.

1990 Hij had er beter aan gedaan van al zijn zinnen uitsluitend de reuk en de smaak te vertrouwen, en dan nog alleen voor zover ze hem zijn eigen verrotting lieten ruiken en proeven: wat zijn oor ving was onherkenbaar vervormd door de angst, onder zijn aanraking kregen de dingen onmiddellijk een andere huid, terwijl zijn ogen ook wijd open niet veel anders meer zagen dan het schouwspel dat zijn vergiftigde brein voor zichzelf opvoerde.
‘Weg daar. Weg, zeg ik.’
De eerste verschafte zich toegang via het souterrainluik, de tweede door met een koevoet de voordeur te forceren, waarna een derde en een vierde zich langs een touw neerlieten in de luchtkoker waar de slaapkamerramen op uitkeken. ‘Ksstt… donder op! Laat me met rust.’
Nee, het was geen droom. Hij droomde niet. Hij sliep niet. Hij was pijnlijk wakker. Hij hoorde ze het huis binnen dringen, de een na de ander, ook wel met groepjes tegelijk, maar kon ze met zijn gehoor al gauw niet meer volgen. Elke keer raakte hij het spoor van geluiden bijster, en dan was het weer stil – tot opnieuw ergens een raam uit de sponningen werd gelicht. ‘Hee, jullie daar. Wegwezen.’
Niet de kater meteen na een wekenlang drinkgelag is de gesel van de periodieke alcoholist, maar de kater volgend op die kater, wanneer het schadelijke afval nog wat in het lichaam blijft dralen en vooral de hersenen verziekt en verminkt alvorens te worden uitgescheiden. Toen hij tegenover een vriend de plaag van het kwartaaldrinken eens quasi-wetenschappelijk met ‘dipsomanie’ had aangeduid, noemde deze hem spottend een paar keer Dip. Sindsdien heette hij Dip voor steeds meer mensen. Als kind, op een leeftijd dat vanzelfsprekendheden tijdelijk weer raadselachtig worden, had hij gemeend in zijn naam een gebiedende wijs te beluisteren: Ernst Quispel. Alsof de ernst bij hem tot kwispelen gemaand moest worden. Een paar klassen hoger had hij ontdekt dat deze imperatief net zo goed kon worden uitgelegd als een aanmoediging om de zweep erover te leggen – wat de jongen een beetje griezelig vond. Spoedig was de naam weer gewoon een samenstel van herkenbare klanken geworden. Pas jaren later, toen zijn periodieke drankzucht zich begon te manifesteren, had hij er die verontrustende dubbelzinnigheid in teruggevonden.
‘Opgesodemieterd. Sodemieter op, zeg ik.’

Mijn vergelijking gaat in de Revisor gepaard met stijlkritiek, overwegingen over een oeuvre, en persoonlijke ontboezemingen (ik tongde niet echt met mijn tante hoor). Enkele aanvullingen:

  • De tante uit het fragment is die van Quispel, niet die van Albert Egberts, die, zoals we weten uit De helleveeg (2015), een veel verleidelijker opening zou kunnen verzorgen.
  • Bij het verschijnen van Kwaadschiks werd er op Literatuurmuseum.nl een stuk van Christiaan Weijts geplaatst, die een manuscript uit 1987 had gevonden in de nalatenschap van Boudewijn Büch. Zeer lezenswaardig. Dát is de versie die in Revisor belandde. En Weijts duikt ook een passage uit Engelenplaque (2003) op, waarin Van der Heijden zijn werkwijze voor de 1990-versie beschrijft.
    (Het beeld hierboven komt uit dat artikel.)
  • Van der Heijden verplaatste de anekdote met Quispels tante naar twee pagina’s verderop, gaf de tante een naam (Isabel), splitste de zin. Tussen haakjes voegde Van der Heijden details toe over die prehistorische gebeurtenis.
  • Het ‘Godverdomme, sodemieter op’ wordt in de roman in vele varianten herhaald, een structuurverbetering op de tijdschriftversie. Het geeft ritme aan de nu-vertelling (er is ook een toen-vertelling, waar het openingshoofdstuk de titel 'De geharnaste kat' aan ontleent en waarin het dier roemloos tenonder gaat).

III. Ivo Victoria v.s. A.F.Th. van der Heijden

Voor meer van de bijdragen in Revisor 13 is de directe inspiratiebron aan te wijzen. Zo schreef Wytske Versteeg me dat ze geen langere passages integraal overnam, 'vooral personages, anekdotes, etc.':

Van der Heijden In de tekenles ontdekte de achtjarige Albert Egberts hoe door hard boenen met je vingertop over sommige potloodlijnen, de contouren van een figuur vager gemaakt konden worden, zonder dat de voorstelling helemaal verdween. Zo, stelde hij zich voor, moest ook die veel te oomachtige God de Vader ijler te maken zijn. Want als God zo alziend was, dat Hij behalve hem, Albert, nog eens miljoenen mensen kon doorlichten, dan moest Hij wel een erg mistige, allesdoordringende gedaante hebben...

Versteeg Als kind, in een ander leven, ontdekte hij tijdens de tekenles dat hij de contouren van elk figuur vervagen kon door met een vingertop over de met potlood getekende randen te boenen. Vroeger probeerde hij een al te opdringerige, voyeuristische God op deze wijze te verdoezelen, in de hoop dat deze moeizame, haast homeopathische verdunning hem wat beschutting zou geven voor die al te doordringende blik van boven.

Stilistisch is de variatie een verbetering - het ritme en lichte klankrijm van 'elk figuur vervagen kon' werkt beter dan 'een figuur vager gemaakt konden worden' -, maar vooral zie je dat Versteeg een mooie wending geeft aan Van der Heijdens, of eigenlijk Albert Egberts' gedachte over Gods alziende blik, met de volwassener, passende etiketten 'voyeurisme' en 'homeopathie'. En dat 'andere leven' past in hoe Versteeg alle alter ego's van Van der Heijden samenvoegt en splitst.

Voor dit moment is het echter overzichtelijker - Versteeg liet zich veel breder inspireren dan op één passage - ons te beperken tot Ivo Victoria's 'De gekiste kat', een variatie op 'De geharnaste kat'. Dat begint zo:

Ook die nacht werd Louis Stevens wakker rond een uur of twee. Hij lag op zijn rug, met de ogen nog gesloten, en de wilde stroom aan gedachten die zijn brein urenlang geteisterd had doofde langzaam uit en maakte plaats voor een droog, ritmisch geluid dat via het openstaande kantelraam de kamer binnendrong.
Tak, tak. Tak.
Alsof iemand boven op het dakterras zat en uit verveling wat kurkdroge houten stokjes doormidden brak.
Tak.
Louis Stevens opende de ogen en staarde naar het plafond. Nu viel hem ook de scherpe geur op die in de slaapkamer ronddreef. Een rokerig aroma kietelde zijn neus. Hij kon het haast proeven. Er was iets. Er was iets geweest. Maar wat? In zijn schedelpan keken miljarden neuronen verdwaasd en verbaasd om zich heen. Wat is dit geluid? Waar kennen we deze geur van? En toen herinnerde hij het zich. Barbecue. Zijn vrouw had hem er reeds aan het eind van de middag op gewezen. ‘De buren zijn er vroeg bij dit jaar,’ had ze gezegd en daarbij stak ze haar wijsvinger recht omhoog alsof die barbecuegeur daar, naast haar hoofd, zichtbaar in de lucht hing. En ook toen hij uren later de trap afliep naar de slaapkamers – die zich op de begane grond bevonden – had dat uitgerookte parfum nog steeds door het huis gedwaald.
Tak, tak. Tak.

Enige opmerkingen:

  • Victoria gebruikt Van der Heijdens structuur van ‘Weg daar. Weg, zeg ik’ in vele varianten, met ‘tak, tak’, om de wegdromende Louis Stevens bij de les te houden. Maar hij neemt ook Van der Heijdens oorspronkelijke uitroepen over: ‘Een donker en nijdig knappen, alsof iemand hem met ingehouden woede bevelen toe beet, een stem uit het verleden, verbijsterd dat hij daar nog steeds lag, in dat bed, naast diezelfde vrouw: “Wég daar. Weg, zeg ik.”’
  • Zintuigen. In tegenstelling tot Van der Heijden, die in zijn nachtmerrie-achtige openingshoofdstuk juist wel het oog en oor de hoofdrol geeft, laat Victoria Louis Stevens wel ruiken, en bijna proeven.
  • Victoria voert óók een kat op, die Quispel heet. Is Louis Stevens zo literair geëngageerd? Of is de grap geheel aan Victoria, die de periodieke maar systematisch kroeglopende advocaat terugbrengt tot een feline zwerver: ‘Een huisdier moest hun samenzijn bezegelen en de keuze voor Quispel was zeker symbolisch gebleken. De eerste jaren was hij wild.’
  • Ik heb me, toen ik aan Van der Heijdens roman begon, afgevraagd of ik me wel met Quispel kon identificeren, met zijn levenswandel en drankgebruik ver van mijn eigen bijna blauwe knoop-achtige leven. Maar Victoria laat zien dat je ook zonder de diepe kater van Quispel een maalstroom van waangedachten kan oproepen - en verklaart daarmee hoe deze roman op basis van 'normale' psychologie al een grote lezersschare aan zich bond.
  • Tijdens het grote feest rond zijn 65ste verjaardag en de verschijning van Kwaadschiks merkte Van der Heijden op dat hij door Marja Pruis' essay in Revisor weer begreep hoe belangrijk de rol van de liefde en dus van Albert Egberts in Advocaat van de hanen was. Maar nog meer dan in Ivo Victoria's versie is Van der Heijdens versie van de liefde en het gezinsleven gemankeerd, ondergeschikt aan de grotere plot van slordige mannen.
  • Louis Stevens droomt ook een aflevering van Victoria's feuilleton voor Revisor.nl.
  • De brandweerscène echo't onbedoeld (Victoria kende de tekst nog niet) een scène uit Van der Heijdens eigen bijdrage aan dit nummer.
  • Het is bevreemdend vast te stellen dat maar liefst vier van de bijdragen aan dit nummer Advocaat van de hanen als uitgangspunt hebben, van Victoria dus, van Pruis, Orthofer en mijzelf. (Twee het werk van Patrizio Canaponi, één het feuilleton Prins Tsaar op Obama Beach, één Tonio.) We lieten onze auteurs vrij, hun keuze zagen we pas op het laatst, en misschien is dit een aanwijzing dat deze ene roman prominenter is dan de andere delen van De Tandeloze Tijd, en zeker dan de Homo Duplex-delen. In die zin is Kwaadschiks, dat zich ook als vervolg op Advocaat van de hanen laat lezen, een uitstekende uitbreiding van de reeks.

IV. A.F.Th. van der Heijden vs. Céline

In datzelfde nummer waarin Herman Franke W.F. Hermans terechtwijst, herschrijft A.F.Th. van der Heijden twee passages uit Louis-Ferdinand Céline’s Reis naar het einde van de nacht (nu weer voordelig en mooi uitgegeven beschikbaar), 'in de geest van Homo Duplex'. 'Reis naar de Exilstraat' is, ik schreef het al, een hyperbolische variatie op een groot voorbeeld. Enkele passages uit Reis naar het einde van de nacht XXV, en enkele aantekeningen:

Céline, vertaling Em. Kummer Het liefst was ik nooit meer naar Rancy teruggekeerd, als dat mogelijk was geweest. Sinds ik er die ochtend weg was gegaan, dacht ik al bijna niet meer aan mijn dagelijkse zorgen; ze zaten er zo vastgeworteld, dat ze me niet gevolgd waren. Als ik niet teruggekomen was, waren die zorgen van mij daar misschien wel doodgegaan, aan hun lot overgelaten, net als Bébert. Het waren zorgen die thuishoorden in de voorstad. Maar bij de rue Bonaparte verviel ik weer in een triest gepieker. Toch is het eerder een straat waardoor je met plezier zou moeten lopen. Weinig straten zijn zo vriendelijk en hebben die charme. Maar toen ik dichter bij de kaden kwam, voelde ik me toch angstig worden. Ik zwierf rond. Ik kon me er niet toe zetten de Seine over te steken. Niet iedereen is Caesar! Aan de andere kant, op de andere oever, begonnen mijn zorgen. Ik vond dat ik best daar op de linkeroever kon blijven tot 't donker werd. Dat is in ieder geval een paar uur zon gewonnen, dacht ik bij mezelf.
Het water klotste tegen de kant op, waar een paar hengelaars zaten, en ik ben gaan zitten om naar ze te kijken. Ik had echt geen haast, net zo min als zij. Ik had het gevoel dat ik op een punt, of misschien wel op een leeftijd gekomen was, waarop je heus wel weet wat je verspeelt met elk uur dat voorbijgaat. Maar je wijsheid bezit nog niet de nodige kracht om je plotseling op de weg van de tijd te doen stilstaan, en trouwens, al bleef je stilstaan, dan zou je toch ook niet weten wat je uit moest spoken, zonder die krankzinnige drang om door te jakkeren, waarvan je vanaf je jeugd bezeten bent en die je al die tijd zo bewonderd hebt. Je bent nu al minder trots op je jeugd, je durft het nog niet openlijk toe te geven dat je jeugd misschien niets anders is dan de energie die je moet opbrengen om ouder te worden.
Je ontdekt in dat hele belachelijke verleden van je zoveel idiote dingen, zoveel bedrog en naïviteit, dat je wel meteen zou willen ophouden met jong te zijn en zou willen wachten totdat je jeugd zich van je losmaakte en je voorbijschiet; je zou dan zien hoe hij wegging, hoe langer hoe verder weg, en zijn volslagen zinloosheid constateren, je hand in zijn leegheid steken en hem nog eens voor je langs zien trekken, en in de zekerheid dat je jeugd echt verdwenen is, zou jij van jouw kant dan ook kunnen weggaan: rustig en kalm naar de andere kant van de Tijd, om te zien hoe de mensen en de dingen werkelijk zijn.

Van der Heijden ’t Allerliefst was ik nooit meer naar Zuid en de Exilstraat teruggegaan, als ’t maar even had gekund. Nadat ik ’s morgens de straat en de buurt uit was gelopen, had ik al nauwelijks meer aan mijn dagelijkse beslommeringen met Oops hoeven denken. De gewone zorgen waren zo met het straatje vergroeid, met de boekhandel vooral, dat ze me niet geschaduwd hadden. Niet voor niets hield mijn ouwe Oll’opa de winkeldeur op de knip. Vuile en schone was, hij wilde het allemaal binnenshuis houden.
Als ik niet zo stom geweest was terug te gaan, waren mijn problemen er misschien wel gewoon gecrepeerd, verwaarloosd en ondervoed, net als vroeger mijn hamster Hamlet. Trubbels van Amsterdam-Zuid, die verder nergens hard te maken vielen.
In de Sarphatistraat, de ‘mooiste plek van Europa’, kwam vanzelf het getob weer. Terwijl het toch een buurt is, met al die kazernes en het Amstelhotel op het eind, waar je in je hum doorheen zou moeten slenteren. Niet veel straten in Oost hebben zo’n statige elegantie, je moet er geweest zijn. Maar verdomd, alsof de duvel op m’n schouder zat – bij nadering van de kaden voelde ik me toch een partijtje angstig worden. Ik bleef rondzwerven aan de oostkant van de rivier. De Amstel oversteken… geen haar op m’n kop. Laat ze doodvallen, daar aan de andere kant. Ja, de Rubicon, de Berezina, dat was andere koek… maar niet iedereen kan zich een Caesar of een Bonaparte noemen. Ginds, aan het eind van de Ceintuurbaan, begon het gedoe. Daar dropen de huizen van mijn persoonlijke ellende. Ik blijf hier gewoon nog een uurtje of wat rondhangen, zo probeerde ik mezelf moed in te praten… totdat de zon ginder achter het Vondelpark wegzakt, en het hier begint te schemeren. Ze kunnen je veel afnemen, maar niet het zonlicht, dat is van ons allemaal.
Hier was de Amstel nog niet ontmand door de grachten… het aftappen begon verderop pas… het spuien… Hier sloeg z’n vuile water nog met enig gekletter tegen de stenen wallekant aan. Vlakbij de brug zaten een paar vutters te vissen… oud waren ze nog niet, misschien waren het wel gewoon werklozen, en een enkele arbeidsongeschikte die nog wel een hengel kon vasthouden. Ik veegde met een stuk zwerfvuil wat verse duivenpoep van een bank, en ging zitten om naar de hengelaars te kijken. Ik had net zo min haast om thuis te komen als zij. Ik was nog jong, maar zo zoetjesaan toch op een leeftijd dat je heel goed in de smiezen krijgt wat je vergooit met elke minuut die zomaar verstrijkt. Noem het een inzicht… maar het had nog niet genoeg kracht om me plotseling, van het ene moment op het ander, op een soort denkbeeldige wijzerplaat te laten stilstaan. Bovendien, al bevroor je ter plekke, tussen de grote en de kleine wijzer in, als een ijsblokje in een ijstang, dan wist je ook niet wat je moest doen, zo zonder die waanzinnige drift om door te razen die er al vanaf de jeugd inzit en die je bij de groten en de ouderen altijd zo geweldig bewonderd hebt.
Je bent al niet meer zo trots op je jeugd als, laat ons zeggen, een hond met zeven lullen. Maar openlijk toegeven dat wat wij jeugd noemen misschien niets anders is dan de energie die je moet produceren om domweg ouder te worden, is er nog niet bij. Zo’n publieke betekenis, onder foltering van de Tijd, kan altijd nog. Niet nu.

  • Ja, Bébert is 'de beroemdste kat' van de literatuur, betoogde Nico Keuning nog vorig jaar in Volzin (wat heet, hij heeft een Wikipedia-pagina!). Maar dit is niet Célines eigen huisdier, het is een andere, menselijke Bébert, de neef van de conciërge. Heeft Van der Heijden het mogelijke misverstand aangegrepen voor een mooie, literaire grap met een ander huisdier?
  • De bewondering voor Céline is ouder dan deze variaties. In 2008 vertelde hij:

    ‘Ik ben begonnen met verschillende schrijversgestalten. In 1977 en 1978 had ik tijd om na te denken over wat ik nou wilde. Ik voelde dat mijn eerste publicatie er aan zat te komen, en ik was twee verschillende stijlen aan het uitproberen. Een barokke, van mediterraan licht vergeven stijl, maar ik vroeg me ook af hoe de stijl van een Hollandse Louis-Ferdinand Céline er uit zou zien. Hetzelfde gefoeter en gekanker, maar alles op z’n Hollands. Ik wilde die twee stijlen onder twee verschillende namen exploiteren. Voor de barokke stijl had ik de schrijver Patrizio Canaponi bedacht. En de schrijver Albert Egberts, die ik het liefst bij een andere uitgeverij wilde laten publiceren, moest de Hollandse Céline zijn. Niet te letterlijk natuurlijk, want dan zou iedereen roepen: dat heeft-ie van Céline!’

    Niet voor niets heet de hoofdpersoon van Christiaan Weijts' bijdrage aan deze Revisor Céline.

    (Hij licht in datzelfde interview toe dat hij fragmenten als 'Reis naar de Exilstraat' nadrukkelijk als vingeroefening gebruikte voor de Homo Duplex-reeks.)
  • Van der Heijdens variaties zijn niet zelden verdubbelingen: Rancy wordt Zuid én de Exilstraat, de Seine wordt de Amstel wordt de Rubicon én de Berezina, Caesar wordt Caesar én Bonaparte.
  • Hij maakt formuleringen minder neutraal: 'met plezier' wordt 'in je hum', 'heus wel weten' wordt 'in de smiezen krijgen'. 
  • Opvallendste toevoeging: 'trots als een hond met zeven lullen'.
  • Eerder dan een variatie lijken Van der Heijdens zinnen over de 'energie die je moet produceren om domweg ouder te worden' een reactie op Céline. Harder, minder gedwee.
  • Interessante, wat obligate verwijzing: de Sarphatistraat, de 'mooiste plek van Europa'. Nescio, tijdgenoot van Céline, was dan ook een groot liefhebber van zonlicht. 'Ze kunnen je veel afnemen, maar niet het zonlicht, dat is van ons allemaal,' schrijft Van der Heijden, maar het had zó Nescio kunnen zijn. Het enthousiasme voor deze straat van kazernes en Amstelhotel voelt bij Van der Heijden wel wat onderkoelder aan dan dat voor de Rue Bonaparte.
  • Iets verderop, ik citeer het maar niet in extenso, koopt Ferdinand een 'ouwe, kleine "Montaigne", een hele echte, voor één franc', waarin Montaigne een brief schrijft aan zijn vrouw, 'toevallig net naar aanleiding van een zoon van ze die pas gestorven was. Die passage interesseerde me onmiddellijk, waarschijnlijk omdat ik meteen aan Bébert dacht'. Van der Heijden heeft het over 'een ouwe bundel brieven van G.K. van ’t Reve, uit z’n Friese tijd, en dat voor vijf piek': '"Och," schreef Reve zo ongeveer aan die vrouw, "trek het je niet al te veel aan. Het is Gods wil. Leg je erbij neer, lieve mevrouw te Blauwhuis. Je komt er wel overheen… zoals het met alles gaat in het leven. Toevallig las ik gisteren een brief van Montaigne, die hij aan zijn vrouw schreef toen net een kind van ze gestorven was…"'

    Een spiegelhuis.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog