Deze week gelezen (10): Fortuin & Jaeger, Cunningham, Hemingway

In de aanloop naar de Boekenweek las de redactie de afscheidsstukken van twee NRC-redacteuren, een oudje van Michael Cunningham en het nog oudere en heruitgegeven Parijs is een feest van Ernest Hemingway.

Daan Stoffelsen: de afscheidsstukken van Arjen Fortuin en Toef Jaeger

Het is geen beleid, maar vrije keuze, hoor ik over het vertrek, kort na elkaar, van Arjen Fortuin en Toef Jaeger bij de boekenbijlage van NRC. Maar het is wel een aderlating: ervaring en belezenheid zijn geen journalistieke vaardigheden, die bouw je op. Toen ik hun respectieve afscheidsstukken las, zocht ik eerst naar aanwijzingen voor het complot, het begin van het einde van Boeken - iets wat al decennia wordt aangekondigd, maar uitblijft, net als het einde van het papieren boek of zoiets als de geschiedenis tout court. Nu herlees ik, een laatste kans om het oneens te zijn.

Fortuins stuk, van 3 maart, benadrukt inderdaad dat het niet om de krant of de lezer gaat, een goede criticus verdedigt zijn vak tegen oprukkende commercie en oppervlakkigheid. Maar ben je nog een goede criticus als je het niet meer spannend vindt, als je alles gezegd hebt? 'Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt. Het grootste voorrecht van deze baan is de plaats in de voorhoede, de opwinding die hoort bij het lezen van een helemaal nieuw boek.' Een goede professionele lezer leest onbevangen, dat is ook de lol, en schrijft met ervaring. En hij gaat netjes om met zijn autoriteit: twijfel is een even grote deugd als duidelijkheid.

'Ik heb in de loop der jaren beweerd dat de Belgen beter zouden zijn, een hausse in de plattelandsroman geconstateerd, jonge schrijvers gekarakteriseerd als een uitgesproken onderzoekende generatie, de opkomst van de non-fictieroman beschreven en, twee maanden geleden nog een "jaar van de vrouw" verwelkomd. Allemaal best doorwrochte stukken vind ik zelf, vol aanvechtbare stellingen.'

Aanvechtbare stellingen zijn de mooiste. Ook onderstreept: 'Of je nu naar Tom Lanoye, P.F. Thomése, Arnon Grunberg, Tommy Wieringa of Annelies Verbeke kijkt – de volkomen vanzelfsprekendheid waarmee hun boeken de samenleving onderzoeken, is mijlenver verwijderd van de spreekwoordelijke binnenkamertjes waar de Nederlandse letterkunde zich lang heeft verscholen. Onze schrijvers werden steeds meer sociologen en steeds minder psychologen.' En het feit dat er 'onvergetelijke boeken' zijn. Dat zijn er telkens weer andere, maar deze dertien zijn mooi. Verbeke! Terrin! Van Mersbergen! Enter! De Moor! Bouazza!

Lees ter begeleiding Fortuins laatste column (een verlies, mijns inziens, alleen al om dit onderwerp: 'Over de Heen-en-Weer-wolf en de Gruffalo als metafoor voor iets essentieels.'), en het interview dat Marja Pruis en Joost de Vries met hem hadden voor De Groene Amsterdammer. Opmerkelijk, en het overdenken waard: 'Gevraagd naar zijn poëtica antwoordt hij die niet te hebben, of nou ja: "De nuance behouden, aan de lezer laten zien dat de nieuwe geslaagde roman van Nelleke Noordervliet interessanter en belangrijker is dan de nieuwe geslaagde roman van Kluun."'

Toef Jaegers stuk was in die zin principiëler. Voor schrijvers, en voor recensenten:

'Is het logisch om nog van het idee less is more uit te gaan, of wil je de lezer juist met de neus op de feiten drukken door deze zo expliciet mogelijk beelden op te dringen in de hoop dat ze beklijven? Zal een schrijver die een stempel wil drukken op maatschappelijke ontwikkelingen zich kortom steeds meer moeten richten op onderwerpen die de verbeelding te boven gaan?

[...]

Is het bijvoorbeeld logisch voor literair recensenten nog steeds de goede smaak te benadrukken, vormkwesties ter sprake te brengen en al te expliciete beschrijvingen af te doen als not done? Of moeten literaire kritieken, in een poging urgent te blijven, meer oog hebben voor wát de schrijver zegt in plaats te focussen op het hóe?'

Dit is kritische poëtica. Fortuin zegt ook tegen Pruis en de Vries dat inhoud belangrijker dan stijl is, maar dit is fermer verwoord. Stelliger ook. Ik ben geneigd Jaeger te volgen - maar het is aanvechtbaar: want gaat het om of-of, of mag je ook beide elementen gewicht geven? Deden we dat al niet? De gemiste kans van dit stuk is de vergelijking tussen de bijdragen in Als dit zo doorgaat: de overvloed van het openingsverhaal van Nelleke Noordervliet tegenover de soberheid van het tweede verhaal, van Jan van Mersbergen. En de constatering dat de diversiteit van de stukken, de inhoudelijke diversiteit, het effect van de bundeling versterkt.

Jan van Mersbergen: Michael Cunningham, De uren

Nu een roman van Virginia Woolf als herontdekking wordt gepresenteerd (De jaren) is het tijd om de mooiste hommage aan de soms onbegrijpelijk ingewikkelde Woolf weer uit de kast te halen: De uren van Michael Cunningham.
Ik kocht het boek bijna vijftien jaar geleden, de film-paperback met de drie actrices op de cover: Meryl Streep, Julianne Moore en Nicole Kidman. Destijds viel me direct de eerste zin op: ‘Er moeten nog bloemen worden gekocht.’ En in het vervolg las ik de roman met eigenlijk maar één vraag in mijn achterhoofd: Hoe kan een schrijver wegkomen met zo’n eerste zin? Het kopen van bloemen, en dan vooral het ‘moeten’ erbij. Wie houdt zich bezig met het regelen van bloemen voor een feest? Wie heeft zo duidelijk op een rijtje wat er allemaal voor dat feest moet gebeuren, en denkt aan de bloemen? Wat voor roman levert deze beginzin op?
Het levert een erg sterke roman op, met vanzelfsprekend tal van verwijzingen naar het leven en vooral de zelfmoord van Woolf (de proloog beschrijft haar zelfverdrinking, niet de beste passage van het boek), maar vooral worden de levens van de andere twee vrouwen bijzonder sterk neergezet. Clarice Vaughan, de vrouw die de bloemen moet gaan halen, gespeeld door Meryl Streep, komt in de roman langs een filmset waar een actrice te zien is. Dat is Meryl Streep. Een grappig spel. Alsof de schrijver al wist dat zijn verhaal verfilmd zou gaan worden en er maar één actrice is die Clarice zou kunnen spelen, en haar dan een spiegel voor houden. In fictie. Leuk.
Vooral huisvrouw Laura Brown vond ik geslaagd, de manier waarop haar verstikkende leven is neergezet is erg overtuigend, de twijfel die haar pijnigt en de keuzes die zij maakt zijn sterk. En Cunningham schrijf soms heel expliciet, maar dan schrijf hij zo precies dat het erg goed is, zoals op bladzijde 137:

‘Als ze haar Chevrolet over de Pasadena Freeway loodst, omringt door heuvels die op sommige plaatsen nog steeds door de brand van vorig jaar zijn verschroeid, heeft ze het gevoel te dromen, of, preciezer, alsof ze zich deze rit uit een droom herinnert. Alles wat ze ziet, lijkt tegen de dag te zijn vastgeprikt zoals met ether gedode vlinders op een bord. Hier heb je de zwarte hellingen van de heuvels, bezaaid met de pastelkleurige gepleisterde huizen die voor de vlammen zijn gespaard gebleven. Hier is de heiige blauwwitte lucht. Laura rijdt goed, niet te langzaam, niet te snel, en kijkt geregeld in haar achteruitkijkspiegel. Ze is een vrouw in aan auto die droomt dat ze in een auto zit.’

Cunningham begrijpt dat vrouwen niet zo maar in een auto rijden maar dat daarbij gevoelens en gedachten en dromen benoemd moeten worden. Geen man rijdt in een auto en droomt dat hij in een auto zit – tenminste: dat gevoel is natuurlijk bekend, autorijden is één grote droom, maar een man zal het bij die droom en dat moment laten. Hij zal er niks over zeggen, hij zal er niks over schrijven.
Cunningham doet dat wel, over deze Laura. Herkenbaarheid, begrip, invoelbaarheid, maar ook het inkleuren van gevoelens met woorden die mannen kunnen missen maken dit boek bijzonder. En Cunningham komt ermee weg, dat was mijn conclusie, en dat is een compliment.

Door De uren werd me duidelijk hoe sterk een vrouwenboek kan zijn, expliciet proza, heel goed gedoseerd, net niet sentimenteel, net niet vijandig.
Een roman die eigenlijk volledig samen te vatten in die ene beginzin: ‘Er moeten nog bloemen worden gekocht.’ Deze zin en eigenlijk het hele boek, geschreven door een man, gaat over de druk en de zorg die vrouwen kunnen voelen en met zich meedragen. Het lukt Cunningham dat over te brengen op deze mannelijke lezer, en dat is een grote verdienste.

Uitgeverij Prometheus gaf De uren uit in de vertaling van Servaas Goddijn.

Thomas Heerma van Voss: Ernst Hemingway, Parijs is een feest

Afgelopen zomer was ik met iemand in Parijs die voor de gelegenheid Parijs is een feest had gekocht. Om, zo was de toelichting, in de vakantiestemming te komen. Maar na een bladzijde of veertig sloeg mijn reisgenote het boek dicht en zei: 'Dit is erg anekdotisch, en gaat steeds over mensen en plaatsen die ik niet ken. Ik weet niet of ik nog verder lees.' Het was toen al overduidelijk dat ze geen letter meer zou lezen, en het boek kwam bij mij terecht. Sindsdien lag het klaar, na het lezen van De Groene Amsterdammer-special over Hemingway belandde het hoger op de leesstapel, vorige maand vond ik eindelijk tijd het te lezen.

En nu ben ik er nog steeds niet helemaal wat ik van Parijs is een feest vind. Inderdaad, het boek is anekdotisch: in beschouwingen werd Parijs is een feest her en der een roman genoemd, maar het komt meer over als een verhalenbundel, een verzameling schetsen en fragmenten die door de locatie (hoewel niet alles in Parijs gesitueerd is), door enkele bijpersonages en vooral door de blik van de ik-figuur verbonden worden. Een stuwende rode draad ontbreekt, de verschillende verhalen en personages komen niet samen - is dat erg?

Bij het lezen van Parijs is een feest dacht ik af en toe volmondig: ja, dat stoort, het voelt nu een tikkeltje willekeurig, al die bij elkaar gegooide schetsen waarbij het anekdotische wordt niet altijd ontstegen. De stijl is weliswaar steeds zorgvuldig, aangenaam afgewogen, maar stiekem had ik daar meer van verwacht - wellicht door de roemruchte reputatie van Hemingways proza.

En toch merk ik dat het boek me bijblijft, nu al weken, veel meer dan andere boeken die ik dezelfde periode las en die wel een duidelijke kern hadden. De locaties die Hemingway oproept duiken regelmatig op in mijn gedachten: de paardenracebaan waar hij heen gaat om te gokken, de cafés waarin hij zich uitgehongerd terugtrekt om te gaan zitten schrijven. Bij het lezen van die passages dacht ik zelden: hier gebeurt iets heel speciaals, en toch zie ik de plekken nu merkwaardig helder voor me. Ik heb de neiging het boek te gaan herlezen, om te zien hoe Hemingway dat aanpakte, hoe hij die beelden in simpele zinnen mijn hoofd in heeft gekregen. Dat schijnbaar achteloze vakmanschap. En o ja: net schreef ik over de ik-figuur die alles verbindt, dat is Hemingway natuurlijk zelf, maar meer nog dan dat is het een constructie die hij van zichzelf maakt. Zoals Gustaaf Peek in zijn (fraaie) nawoord van de recente uitgave van Parijs is het feest opmerkt: aan die constructie was Hemingway tijdens het schrijven veel gelegen, omdat hij al jaren worstelde met een writer's block. Ook zo bezien is Parijs is een feest dus veel meer dan een veredeld dagboek - het is een manier van een auteur om zichzelf weer op de kaart te zetten. Hoe doet hij dat? Waar blinkt hij vooral in uit? Ook dat houdt me bezig. Met dit boek ben ik voorlopig nog niet klaar.

De Arbeiderspers gaf Parijs is een feest uit in de vertaling van Arie Storm. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog