Deze week gelezen (17): Cole, Jongstra, Lehane

Teju Cole, Atte Jongstra, Dennis Lehane: de redactie las essays en een novelle-thriller. Over wat een goed essay is. Over wat een goede scène is.

*

Thomas Heerma van Voss: Teju Cole, Vertrouwde en vreemde dingen

Aankomende woensdag vindt de uitreiking van de tweejaarlijkse Jan Hanlo Essayprijs plaats. Enigszins tot mijn verbazing ben ik die avond een van de sprekers. Een eervol en tevens lastig verzoek. Enthousiast vertellen over essay(bundel)s die ik hoog aansla, ja, dat kan ik vermoedelijk wel, maar wat een goed essay nou precies een goed essay maakt, en breder: wat ik precies van een essay verlang, dat kan ik geloof ik niet zo gauw in heldere zinnen uitleggen. Ik vrees althans dat de zinnen die ik daarvoor bedenk me zelf vroeg of laat zullen tegenstaan.

Een kleine drie jaar geleden, na het verschijnen van mijn verhalenbundel De derde persoon, werd mij logischerwijs veelvuldig gevraagd naar het korte verhaal. En de aantrekkingskracht ervan. Ik hoorde mezelf steeds dezelfde dingen antwoorden, over 'suggestie' en 'korte spanningsboog' en 'de kunst van het weglaten', en er school vast in al die woorden een kern van waarheid, maar hoe vaker ik ze uitsprak, hoe meer ze me tegenstonden. Ze klonken zo gewoontjes, zo voorspelbaar. Meende ik het werkelijk, of praatte ik vooral anderen na? En de vraag die ik mezelf nu vooral stel: wat zijn dergelijke geijkte termen wanneer het over het essay gaat? Wanneer ik aankomende augustus voor het eerst een non-fictie-werk uitbreng, welke termen zullen dan steeds mijn zinnen in sluipen?

De naderende prijsuitreiking leek me hoe dan ook een goede aanleiding om Teju Cole's essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen open te slaan. Daar verheugde ik me al maanden op, en alsnog verrast het me aangenaam. Wat tot dusverre vooral zo knap is - ik ben nog in het eerste deel, dat gaat over Cole's leeservaringen - is hoe Cole zichzelf onnadrukkelijk, op een bijna terloopse en toch bijzonder scherpe manier, steeds het verhaal in verweeft. Prachtig is bijvoorbeeld al openingsessay Het zwarte lichaam, over het werk van James Baldwin (die naar aanleiding van de pas verschenen documentaire I am not your negro nu sowieso volop in de belangstelling staat). Doelgericht analyseert Cole zijn werk, hij benadrukt de kracht ervan, de inzichtelijkheid aangaande racisme en racistische fundamenten van de Westerse samenleving. Maar tegelijkertijd zorgt Cole ervoor dat hij veel meer doet dat enkel samenvatten, uiterst respectvol gaat hij de confrontatie met Baldwin aan. 

'Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders. Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige blanken, net zoals sommige blanken meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik.'

Heldere gedachtegang, uitstekend weerwoord op Baldwin, en soepel opgeschreven bovendien. Sowieso schrijft Cole uiterst behendig, en verbindt hij moeiteloos allerlei lagen bij elkaar. Om bij dit eerste essay te blijven, tevens het sterkste dat ik in dit hele eerste deel heb gelezen (soms wordt het wel erg kort, helaas): naast de scherpe analyse van Baldwins werk en Cole's inhoudelijke reflectie daarop, zit er ook nog een laag in het verhaal waarin Cole rondreist, plaatsen bezoekend die Baldwin eerder heeft aangedaan. Het is niet alleen een manier waarop hij beweging in zijn tekst krijgt, het is ook een middel waarmee hij terloops kan laten zien hoe het door Baldwin beschreven racisme nog steeds overal opduikt. 'Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd.' Vooral de keuze voor het werkwoord 'gluren' is hier fraai: meer hoeft Cole er niet over te zeggen. En hij besteedt er verder ook geen regel aan. Veertien bladzijdes telt dit essay slechts, en toch voelde het compleet. Wat ik ook over het essay ga zeggen, woensdag, op welke regels en wensen voor het genre ik ook ga uitkomen - ik weet dat het werk van Cole er grotendeels aan voldoet.

De Bezige Bij gaf de Nederlandse vertaling van Paul van der Lecq, Ton Heuvelmans, Rene Kurpershoek en Hien Montijn uit. Het oorspronkelijke Engelse essay over Baldwin is bij The New Yorker te lezen. Fragmenten uit andere essays vindt u op Athenaeum.nl: 'Blind Spot' en 'Naamloos meer'.

Daan Stoffelsen: Atte Jongstra, Het fluïde tijdperk

'Eigenaardig' vind ik een aanbeveling voor literatuur, dat betekent: hier heeft iemand iets anders geprobeerd. In het oeuvre van Atte Jongstra is het bijna een cliché, het juryrapport van de Huygensprijs zegt: 'In elk van zijn boeken treft het de lezer telkens weer hoe hij citaten, verwijzingen en fictie weet samen te brengen in een kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding.' Toen was Het fluïde tijdperk nog niet verschenen, maar zo kun je deze essaybundel ook wel beschrijven. Weinig fictie, wel, maar veel 'aanstekelijk en lichtvoetig spel' (weer dat juryrapport), waarin de auteur met zichzelf als stralend onderzoekend middelpunt het vrouwelijk lichaam, het kunstenaar-/ondernemerschap, licht op schilderijen, de hele negentiende eeuw, water, haar, Jules Verne als ecoloog, spermarmer, de hak, de tak, en vanzelfsprekend nog heel veel meer najaagt. Het heeft iets slordigs, ongeconcentreerds, zoals Jongstra zich door de werkelijkheid en vooral afbeeldingen daarvan googlet en citeert. Vooral als je bedenkt dat hij in zijn inleiding 'Het schip van Theseus' het boek expliciet als identiteitsonderzoek duidt - en wel wat nadrukkelijker dan een literair essay, immers altijd ook een zelfonderzoek, normaliter doet.

Het beste antwoord op die vraag komt namelijk pas in de vierde en laatste afdeling van de bundel, in het essay 'Uit wandelen. De mobiele mens als Zorro-vis', een stuk dat niet over lopen gaat, maar over beweging. Daarin moeten we de essentie zoeken. Jongstra heeft een inspirerend boek opgedoken, Tim Ingolds Being Alive: Essays on Movement, Knowledge, and Description uit 2011. Antropoloog Ingold vat het wereldbeeld van de Skolt Saami, een volkje uit het hoge Noorden, samen als: 'De wind bestaat uit haar waaien, de stroom is het lopende water. De mens is wat hij doet. Alweer: geen handelend figuur, maar een korf vol bedrijvigheid.' Jongstra: 'Nooit zo bekeken, maar het klopt.' Via stillevens en beweging van vissen stapt hij naar het beeld van een netwerk voor de mensheid. Dat 'is ons inmiddels vertrouwd. Thuisnetwerk op onze pc, netwerken op borrels', zegt Jongstra in een weinig verhelderende terzijde.

Maar Ingold vindt die gedachte niet volstaan, eerder moeten we denken aan vlechtwerken, in beweging in een wereld 'that is perpetually transforming itself through us, just as we are transforming ourselves through it'. Jongstra vindt daar een passage van de schilder Kandinsky bij, en erg mooi illustratiemateriaal van verscheidene kunstenaars. Het leidt hem ook tot een antwoord op de vraag naar zijn eigen identiteit: 'Ik besta in mijn vertellen.' En je lezers dan, vraag zijn vriendin hem?

'Tim Ingold geeft antwoord op deze vraag. Verhalen helpen de mens bij het navigeren door de almaar bewegende wereld, op zijn steeds weer nieuwe paden. Er is geen punt waarop de verhalen eindigen en het echte leven begint. Het vertellen is geen afspiegeling van de wereld, maar van de weg die wij erdoorheen banen. Lezen is alsof je een spoor door het landschap volgt - elk verhaal of roman brengt je tot een punt waar je in een nieuw boek weer een ander spoor aantreft, dat je dan weer na gaat lopen.'

Mooi! Treffend! Lezen is niet iets lineairs, geen rechte lijn, maar een dwalen en terugkeren - misschien zoals het leven is? Het grenzeloze trekt me ook, ergens helpt het me Koen Peeters' De mensengenezer (iets voor volgende week?) te begrijpen, dat vertellen, rituelen en geheimen verbindt in verschillende, geschakelde omgevingen. Jongstra verbindt Ingolds gedachte zwierig met een kaart van Baarle-Hertog, geboorteplaats van zijn vriendin ('Maar dit is míjn geboortegrond, mijn verhaal, niet het jouwe. Zegt dus niets over jouw identiteit.') en besluit met een soort liefdesverklaring: 'Hoe lang kennen we elkaar intussen? Jaar of drie? Zo lang beweeg ik me dus nu door jouw wereld, het heeft me echt veranderd.'

Voilà. En veel van de voorafgaande essays bereiden dit dan voor, of illustreren hoe Jongstra een vertellend ik is, dat klopt. Maar toch, nu ik Jongstra zo navertel - met bewondering voor hoe hij het grote en kleine, de kunst en de wetenschap en de filosofie met Baarle-Hertog verbindt -, bekruipt me het gevoel dat de eigenlijke ontdekking van dit essay deze Tim Ingold is. Die moeten we lezen.

De Arbeiderspers gaf Het fluïde tijdperk uit. Athenaeum.nl brengt een voorpublicatie van een ander essay. Being Alive verscheen bij Routledge, en het lijkt er wel op of het hele boek als PDF hier te lezen is.

Jan van Mersbergen: Dennis Lehane, Het loket

Nadat ik recent twee boeken van Dennis Lehane had gelezen, als aanvulling op zijn Verloren wereld en Nachtleven, die ik eerder al had gelezen, kwam ik in de bibliotheek aan het Roelof Hartplein - waar ik een lezing gaf in het kader van de Boekenweek - een dun boek van Lehane tegen dat Het loket heet en dat net als Shutter Island en Mystic River nu verfilmd is. In 2014 uitgegeven, maar vijf jaar daarvoor al gepubliceerd in een reeks die Boston noir heet, onder de titel Animal rescue. Dat is misschien wel een betere titel dan het kille Het loket, toch past dat laatste ook goed bij deze novelle-thriller die het niet van de omvang en eigenlijk ook niet van de spanning moet hebben maar van de heel goed uitgewerkte karakters, de mooie scènes en de goedlopende zinnen. Wat dat betreft is ook deze Lehane te rekenen tot literatuur.

Lehane schildert met eenvoudige taal een beeld van een bar in problemen doordat de onderwereld die bar gebruikt als doorgeefluik voor zwart geld. Van alles komt samen, er sjokt een hond door het verhaal, een meisje, een psychopaat, een eenzame hoofdpersoon en al die karakters hebben zo hun bijzonderheden, hun randjes, hun aandoenlijkheid. Lehane weet stuk voor stuk volwaardige karakters van ze te maken. Dat is een prima prestatie.

Op bladzijde 115 komen de eenzame en al wat oudere Bob en het meisje Nadia samen, bijna. Twee korte alinea’s gescheiden door witregels, voor de lucht. Met Bukowski-achtige korte zinnen die niks anders willen vertellen dan wat er gebeurt: toen was ze weg. Bob liep naar huis. Het was stil op straat. Maar ook met een mooi ritme door herhaling van woorden, de juiste helderheid in plaats van vergezochte bloemrijke taal of metaforen, en een goed beeld van een glijbaan van ijs op straat dat duidt op de speelse verliefdheid en hervonden levensvreugde van deze man:

Bob bracht Nadia tot haar voordeur. ‘Slaap lekker.’
‘Slaap lekker, Bob, Bedankt.’
‘Waarvoor?’
Ze haalde haar schouders op. Ze legde haar hand op zijn schouder en gaf hem een snelle zoen op zijn wang. Toen was ze weg.

Bob liep naar huis. Het was stil op straat. Hij kwam bij een lang stuk ijs op de stoep. In plaats van eromheen te lopen, ging hij er al glijdend overheen, armen wijd voor evenwicht. Als een klein kind. Aan de andere kant gekomen keek hij met een glimlach op naar de sterren.

Ambo Anthos gaf Het loket uit. Het is nog tweedehands leverbaar via Boekwinkeltjes.nl.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog