15 December 2010

Tegen de richting in lezen

The Twin, een andere taal toe-eigenen

‘I’ve put Father upstairs.’ Ik heb vader naar boven gedaan — het staat er en het staat er niet. Vertaler David Colmer op Athenaeum.nl:

‘ “Vader” lijkt net zo makkelijk maar is het niet. “Vader” komt veel vaker voor als aanspreekvorm in Nederland (en in de Nederlandse literatuur) dan “Father” in Engelstalige landen, zeker in Engeland waar het een heel burgerlijke of extreem ouderwetse klank heeft. Vaak wil je het dan vertalen met “Dad” of omzeilen met “my father”, maar het eerste is veel te amicaal voor dit boek en het tweede geen oplossing omdat “vader” zo vaak voorkomt. “Father” dan (met een hoofdletter, geen verafgoding maar de normale Engelse schrijfwijze), toch makkelijk, maar voor mij blijft dit een vreemd element in het Engels, met een bijklank die goed past bij het tijdloos bestaan van de hoofdfiguur. Het geeft tegelijk aan dat het boek niet in Engeland speelt.’

The Twin, het boek van Gerbrand Bakker waarmee hij — en Colmer — de impac-prijs wonnen, speelt niet in Engeland, wat ook wel blijkt uit de spaarzame geografische verwijzingen. Lake IJssel, Opperwoud
Canal, een dijk, de volstrekt continentale Opel Kadett, dat is geen Engeland, maar Nederland is het evenmin.

En dat in tijden waarin je Nederland met medeneming van je stemrecht liefst zou verlaten. Ik ben de vertaling gaan lezen.

 —

The Guardian citeerde Bakker: ‘I said to David, the translator: “Who wrote this book?” I didn’t recognise it, I thought it was very good. It made me realise it really is a book, and I am a writer.’

 —

Een boek vertalen heeft nut. De schrijver voelt zich schrijver, hij heeft er 75 000 euro voor gekregen (en Colmer 25 000). Ieren, Australiërs en Amerikanen kunnen zijn boek lezen. Binnenkort zelfs de Chinezen.

Maar laten we het niet over nut hebben, ik kan mijn tijd wel beter besteden. Wat doet dat boek in vertaling met een lezer als ik, de wegens politieke omstandigheden uitburgerende lezer?

 —

De taal van The Twin is van een kaalheid die ik me niet meer herinner van mijn eerste lezing. Na die eerste ‘present perfect’ overheerst de ‘simple present’ in de overwegingen van de ik, Helmer, die daardoor een nog grotere directheid krijgt aangemeten. Terwijl hij eerst de ontruimde ouderlijke slaapkamer, dan de woonkamer stript van het verleden, vloerbedekking bij het grof vuil zet, de plankenvloeren verft, de muren wit, de plafonds wit, de zware gordijnen vervangt door jaloezieen, wordt alles leger.

Behalve bij ‘Father upstairs’, daar is het vol. Maar het is niet genoeg voor hem.

‘I don’t want to have long conversations like this with him. I want to look in briefly and get away fast. The ticking of the grandfather clock fills the room. A window-shaped block of light shines on the glass of the case and reflects on the sheep painting, making it a lot less gloomy. It’s a strange painting. Sometimes it looks like winter, sometimes summer or autumn.
When I’m about to close the door, he shouts, “I’m thirsty.”
“I get thirsty too sometimes.” I close the door firmly behind me and walk downstairs.’

 —

Helmer herschrijft de verhouding met zijn vader, wist het verleden uit — dat is de lijn die Bakker heeft ingezet, en dat wordt versterkt door zijn stijl. Kaal, direct, in een tegenwoordige tijd die het verleden

‘The cows have been inside for two days now. They’re restless during milking.’

Wie is er onrustig?

Dat is, in mijn herinnering, de kracht van deze roman, maar bij herlezing blijkt dat het Noord-Hollandse landschap toch ook met emoties bevolkt is. Helmers praatgrage buurvrouw vertelt hem over de grote stap die een buurtgenoot genomen heeft door naar Denemarken te emigreren en daar een boerenbedrijf te beginnen. De aanlokkelijkheid is evident: daadwerkelijk opnieuw beginnen. Het hoofdstuk eindigt dan ook met een eenwoordszin als een verzuchting:

‘Denmark.’

Dat had volstaan, dat was genoeg belofte geweest om een boek lang in een lezershoofd te blijven zeuren. Maar het volgende hoofdstuk begint met al te expliciet:

‘Denmark. Jutland. Zealand, Funen, Bornholm, the Great Belt, the Little Belt, Odense. Ada has got me thinking.’

Het is duidelijk welke richting Helmers denken op gaat — niet naar een ideale politieke situatie —, maar dat had Bakker al met een woord gedaan. Of als een hoofdstuk begint met ‘I’ve been scared all my life. Scared of silence and darkness.’ Op zo’n moment wordt de directheid vlakte. In plaats van de hoge, weidse luchten, confronteert dit vertaalde Nederlands ons met de vlakke, met dijken begrensde polder. Waar angst is, is geen nuance.

 —

Dat ik dat vier jaar geleden niet zag. Wat ik ook niet zag: er zit een bonte kraai voor het raam. Althans, een ‘hooded crow’. Een omineus beest, dat de totale kaalheid uitstraalt: hij doet niets, hij denkt niets, hij blijft het uitzicht verpesten, hij blijft een groot deel van de roman lang doorzeuren.

En daar is ook het keerpunt: ik red het niet met mijn Engels. Ik heb bij eerste lezing over hem heen gekeken, maar nu moet ik in Wikipedia het corresponderende Nederlandse artikel voor het ondier opzoeken om houvast te krijgen. Ik heb houvast nodig, hoezeer ik die ijle kaalheid ook waardeer.

 —

Het had ook Denemarken kunnen zijn. Dat is tenminste de consequentie van Michael Orthofers stelling elders in deze Revisor, dat de Nederlandse literatuur in het algemeen een ‘fundamental cosmopolitanism’ uitstraalt. De isolatie, de introversie is universeel, zegt hij. Maar is dat het oordeel van een lezer in vertaling? Ik bedoel: neutraliseert het Engels deze roman niet voor de Amerikaanse lezer?

Het had ook Frankrijk kunnen zijn — daar wordt Boven is het stil verfilmd. Of Engeland?

 —

’T vertaelde scheelt soo veel van ’t onvertaelde dicht,
Als lijf en schaduwen: en schaduwen zijn nachten.
Maer uw’ bescheidenheidt en maghse niet verachten;
’Tzijn edel’ Iofferen, ’tzijn dochteren van ’tlicht.

Constantijn Huygens vertaalde gedichten van zijn correspondentievriend John Donne, en hij was bescheiden over wat hij vermocht. Als je nu ‘Vertreck’, zijn vertaling van ‘A valediction forbidding mourning’ leest dan begrijp je zijn voorbehoud:

As virtuous men pass mildly away,
And whisper to their souls to go,
Whilst some of their sad friends do say,
‘Now his breath goes,’ and some say, ‘No.’

Gelijck de deughdighe gevoeghelick verscheiden,
En luijsteren haer Ziel haer lust niet meer te beiden;
Dewijl de vrunden staen en seggen in ’tgeween
Den adem iss’er uyt, en and’re seggen neen.

Zouden wij ‘mildly’ nog met ‘gevoeglijk’ vertalen? En hoe plat wordt ‘his breath goes’ als de adem eruit is?

Een vriendin van mij heeft een paar jaar geleden een onderzoeksvoorstel geschreven om Huygens’ vertalingen, waar we oudere versies van hebben dan van de originelen, te gebruiken om de teksttraditie van Donnes werk opnieuw te belichten. Een concreet, omkaderd voorstel, met kans op succes, denk ik als niet-academicus, maar het werd in verschillende versies op verschillende universiteiten afgewezen. Kon er niet wat meer in over de sociale omgeving van die correspondentie? Was er niet aanvullend onderzoek te doen naar de internationale contacten tussen schrijvers en denkers in die tijd? Kon ze niet wat meer context verwerken in het plan?

Alsof die taal niet context genoeg is.

 —

Dat zoek ik. Die context. De plaatsnamen, de merknamen — Orthofer
noemt Amerikaanse literatuur waarin verwijzingen naar merken,
mensen, boeken overheersen —, het landschap dat nergens zo is. Maar ook de taal, waarin apartheid en kopvoddentaks niet uit de toon vallen. Maar in vertaling blijkt een bonte kraai opeens een exotisch
wezen.

 —

‘The cows are restless, two of them kicked out when I went to attach the tea cups. Until recently I was sure it was because they weren’t getting out any more, but now I’ve begun to suspect that it’s me who’s restless.’

 —

De koeien zijn onrustig. We hebben nooit een hond gehad. Vader heeft de mandarijnen niet gegeten. De wereld van Helmer is nog klein, maar wordt steeds groter. Was zijn onrust een omen of het begin van de verandering? De buurvrouw komt langs met verhalen over andere landen, de man die de melk ophaalt overlijdt, de vriendin van wijlen zijn broer schrijft — paradoxaal genoeg is het niet de kale toekomst waar Helmers radicale interieuraanpassingen op wezen, maar zijn overvolle verleden dat Helmers leven begint te vullen.

En dat wekt heel expliciete emoties op.

‘Very old fury, a fury I can’t remember having, whose existence I didn’t even suspect, rises up inside me. Riet isn’t troubled by fury, I can see that. She is moved and confused, that’s what’s troubling her. The longer Henk is dead, the more I look like him, simply because
there is no longer ant comparing.
No, fury is too big a word, outrage is closer.’
Nu werkt het wél, dat benoemen. Het is diezelfde Noord-Hollandse lucht, maar nu is er van het ene op het andere moment een donkere wolkenlucht gekomen. En het is niet te duiden waardoor.

 —

Nog zo’n keerpunt, of eigenlijk een geslotenverklaring, niet inrijden:
‘outrage’ voelt groter aan dan ‘fury’, in ieder geval niet zoals verbolgenheid ten opzichte van woede. Ik lees dit boek in de verkeerde
richting, in de verkeerde taal.

 —

Goed, ik begrijp Orthofers punt, maar begrijp ik zijn woorden? Cosmopolitan is, als het gelijknamige blad, werelds, maar zoals het westerse consumeer. en amusementsmodel werelds is. Modern dus, grenzeloos, zoals Rotterdamse jongeren op Chersonissos dat zijn (een verwijzing waarmee ik dit stuk regionaliseer, ben ik bang). Dat bedoelt hij niet, hij bedoelt alomvattend, of, overal toepasbaar.

 —

Bakker vertelde in zijn dankrede bij het aanvaarden van de impac over het smadelijke verlies (‘four points’) dat Willeke Alberti jaren eerder leed in datzelfde Dublin, op het Songfestival, met een oer-Hollands lied. Het essentiële verschil tussen haar optreden toen en zijn optreden dit jaar is dat hij Engels sprak en in een universeel, driedelig pak op kwam dagen.

Met, nog universeler, de pantalon vervangen door een spijkerbroek.

 —

Misschien zijn het die onrustige koeien en de bonte kraai, die heb je overal. Misschien is het het weer.
Het is maanden later.

‘Fog. All I can see are the bare branches of the ash. Empty branches. Beyond that, nothing. It’s always a bit damp in Father’s bedroom. I can’t remember it being clammy when I slept here. It’s still March, but to me it feels like it could just as well be May or even June. Father agrees entirely.
“I’ve had enough.”
“You just said that.”
“It’s taking too long.” ’

 —

Een ‘ash’ is een es.

‘It could so easily be a bleak tale of regret but Bakker’s spartan prose eloquently conveys the humour of Helmer’s awakening,’ schreef men in The Financial Times. Nog eens zo’n zin die ik niet begrijp (‘proza
dat welsprekend humor overbrengt’?), ik begin aan mijn intellectuele
vermogens te twijfelen. Maar die humor, dat begrijp ik. Vader stemt in, maar hij stemt niet in met wat Helmer zojuist geobserveerd heeft. Die tegenstelling moet in elke taal prikkelend zijn.

 —

Wat niet prikkelt, maar raakt, is de verhouding tussen zoon en vader.
Ene Trevor schrijft op zijn weblog The Mookse and the Gripes:

‘I had a hard time getting beyond the book’s first few painful pages. There Bakker highlights, with subtle but excruciating prose, a son’s cruelty to his aged father (at least, that’s how I read it at the time). I would read a few pages, become entranced by the prose, but then feel the need to put it down for a while — I just wasn’t in the mood (perhaps it was the darkening days of winter, perhaps it was workload) for that kind of blow-to-the-gut pain, no matter how well rendered.’

Smaken verschillen, ik vond Helmers botheid evengoed iets geestigs hebben, maar misschien benadert Trevor wat fictie vermag. Bakkers personages zijn een vader en een zoon geworden, niet die twee West-Friezen, maar mannen, mensen, zoals we zelf ook zijn, een ouder of een kind. Wat hun gebeurt, raakt ons omdat we ze herkennen. Die kale taal roept dus ook sentiment op.

 —

Leesclubvraagsuggestie: Wat vond je van de manier waarop Helmer met zijn vader omging?

 —

Boven is het stil is een bibliotheekhit; het boek wordt en werd jaloersmakend vaak uitgeleend. Speelde dat mee in de nominaties voor de impac? De vier bibliotheken — bibliotheken van over de hele wereld stellen de groslijst voor de impac samen — die The Twin nomineerden waren de Openbare Bibliotheek Amsterdam, The Association of Public Libraries The Hague, de Gemeentebibliotheek Utrecht, en de Openbare Bibliotheek Eindhoven.

 —

‘Bakker’s beautiful and uncluttered prose style is almost old-fashioned.
A character’s remark about the farm — “It’s here on this road now, but it might just as well be 1967 or 1930” — could refer to the novel itself. Family drama, after all, is timeless.’
(Jessa Crispin voor de Amerikaanse National Public Radio)
Maar kosmopolitisch is niet hetzelfde als tijdloos. En The Twin is geen van beide. De homoseksualiteit van de hoofdpersoon — iets waar hij zichzelf amper bewust van lijkt — is in haar vanzelfsprekendheid bij uitstek Nederlands, modern. En de mantelzorg van zoon voor vader is juist bijna verdwenen uit een groot deel van de Europese, verstedelijkte maatschappijen.

Dat is de context: niet tijdloos, niet overal toepasbaar.

 —

Bovendien: is dit een familiedrama? Of is Helmer gewoon eenzaam en probeert hij zichzelf opnieuw uit te vinden? Riet over haar lange afwezigheid na de dood van Henk:

‘ “... I wanted to become a new person.”
“You can never become a new person.”
“Of course you can.”
Now the irritation is itching in my shoulders and I almost rub myself
against the church wall like an old, moth-eaten sheep in the summertime.’

 —

Misschien is dat juist de aantrekkingskracht van The Twin, dat het fundamenteel niet de Cosmopolitan is.

Een vader die inwoont? Het heeft iets archaisch. Je hoort er nog wel over, maar het zal nooit erg veel verschillen van de situatie die ik van mijn eigen jeugd ken: de inmiddels bejaarde ouders wonen in, aan of bij, maar met eigen keuken, badkamer en opgang. Ze zijn zelfstandiger, in zekere mate meer nog dan Helmer.

Een landschap met vergezichten, weer, dieren en natuur? Het is slechts weggelegd voor de rijken en de emigranten, naar het Franse platteland of naar Friesland (nog zo’n linkse hobby, misschien is die provincie te verkiezen boven daadwerkelijke emigratie). Stadskinderen weten het verschil niet tussen een ‘great tit and a blue tit’ (kool. en pimpelmees, leert Wikipedia), en evenmin dat de melk uit de koe komt.

Misschien geeft dat verleden houvast.

 —

Leesclubvraagsuggestie: Wat is voor u de belangrijkste verhaallijn, die van zoon en vader of van de homoseksuele tweelingbroer?

 —

Zouden nostalgie en familiedrama — universeler kan inderdaad bijna
niet — The Twin dat grote lezerspubliek hebben bezorgd? Zijn zij, na die eerste pijnlijke pagina’s, gerustgesteld door de herinneringen die wel in de ‘past simple’ gesteld zijn: ‘Until his death we were Henk and Helmer, even though I was the oldest.’ Het had ook het begin van de roman kunnen zijn.

 —

Het is niet het begin geworden. Ik begon dit boek te lezen, herlezen, in het Engels om te begrijpen hoe een vertaling mijn leeservaring tekent.

Colmers vertaling neutraliseerde het boek niet. Eerst maakte de nieuwe taal The Twin een ander boek. Veel nadrukkelijker dan bij eerste lezing in het Nederlands, zag ik hoe kaal de tegenwoordige tijd kan zijn, en stuitte ik — letterlijk — op de natuur, die in een vreemde taal wel vreemd is. De vertaling maakte me scherper, en ik geloof dat ik het nu beter begrijp. Dit boek is dan ook niet nostalgisch, en evenmin is het familiedrama de kern ervan. Het gaat om eenzaamheid, en het vermogen op je zestigste nieuwe keuzes te maken. Om een ‘new person’ te worden, en wel nu, niet in een geromantiseerd verleden.

Maar ook dat is een veralgemenisering, en ook dat is sentimenteel.

 —

Ik ben ook, ondanks mijn beschouwelijke, door taal of doel gescherpte
afstandelijkheid, weer overtuigd. Het is ook, ondanks of dankzij de vertaling, mijn boek geworden. Zoals het al het boek van de impac-jury was geworden:

‘The book convinces from first page to last. With quiet mastery the story draws in the reader. The writing is wonderful: restrained and clear, and studded with detail of farm rhythms in the cold, damp Dutch countryside. [...] Nothing and no one is predictable, and yet we believe in them all: the regular tanker driver, the next door neighbour with her two bouncing children, and Jaap, the old farm labourer from The Twins’ childhood who comes back to the farm in time for the last great upheaval, as Helmer finally takes charge of what is left of his own life.’

We zijn het bijna eens. Maar het voortraject van deze uitspraken ligt, daar ben ik van overtuigd, meer in de lijn van bovenstaande leesclubsuggesties. Deze lezer was daar althans vatbaar voor, en daarmee haalt hij, haal ik telkens weer het vertrouwen in mijn analytisch vermogen onderuit. In welk analytisch vermogen dan ook. Want kan de aantrekkingskracht van literatuur gevat worden in een formele duiding van stijl en perspectief en een plotsamenvatting die verdacht
veel op de Amerikaanse droom lijkt?

 —

We stuiten hier op een andere geslotenverklaring. Zoals een andere taal, elke taal niet precies te lezen is, woord voor woord tot een tastbare
werkelijkheid terug te brengen is, zo is de kwaliteit van literatuur
niet terug te brengen tot een samenspel van retorische en open vragen. Dat is een ambivalentie die critici vaak tot doelgroepkritiek herleiden (voor de lezer die dit waardeert... voor de lezer die dat waardeert...). Niet alleen is dat een laffe strategie, die de functie van recensies ondermijnt (oordelen, ordenen, maar nimmer objectief), ook objectiveert het wat eigenlijk het probleem van de recensent is: kunst is te complex om er met één oordeel recht aan te doen.

Er is altijd een verkeerde kant, en dat is ook de goede kant. Er is niet één duiding, één waardering, er is meer.

 —

En het minder is daardoor juist te waarderen. Donne en Huygens weer, tweede strofe:

So let us melt, and make no noise,
No tear-floods, nor sigh-tempests move;
’Twere profanation of our joys
To tell the laity our love.

Soo laet ons ruchteloos versmeltende vertrecken,
Geen’ traenen hooghen vloed, geen’ suchten-storm verwecken.
’Twaer onser Minn en vreughds ontheiliging begaen,
Den Leeckebroederen haer’ heil te doen verstaen.

 —

Terug naar het voorliggende boek. No noise, no tear-floods, zo heb ik Bakker het liefst, en juist in de dialogen en de natuurbeschrijvingen
bereikt hij dat. Laat Helmer maar in zijn eigen tijd de delen van Denemarken opsommen, laat hij zijn angsten maar voelen en niet
benoemen. Niet in het herkenbare maar in het vreemde waardeer ik The Twin. Maar zonder al die andere elementen, die het ondanks de vreemdheid van vertaling en de klefheid van andermans emoties eigen maken, had ik het boek niet uitgelezen.

Blijkbaar ontkom ik niet aan ‘versmelten’. The Twin is niet ‘ruchteloos’, niet zonder ‘noise’, maar dat maakt niet meer uit. Ik las scherp en trager in vertaling, maar eenmaal een handvol gebodsborden gepasseerd, lees ik nog maar in één richting: door, vooruit. Ik heb mijn houvast. Het is een ander boek, maar het is mijn boek. Ik ben een lezer.

Terwijl Boven is het stil in het Engels en Chinees de wereld verovert, terwijl Helmer zorgeloos in Denemarken is, ben ik terug in Nederland.
Geen uitburgering. No hooded crows in the sky. I am alone. Het is goed.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog