Schrijfdagboek: Bladspiegel

een dag in oktober 2010

Momenteel werkt Jan van Mersbergen aan een roman die in november 2011 zal verschijnen. Voor De Revisor houdt hij een schrijfdagboek bij. Vanaf het eerste kleine idee is te volgen hoe dit zich langzaam ontwikkelt tot een roman en ook is te zien tegen welke dilemma’s de schrijver aanloopt. Vandaag: Bladspiegel.

Ik vind het heel belangrijk hoe een pagina in een roman eruit ziet. Het oog bepaalt mede het ritme en tempo. Een massief blok tekst leest anders dan een bladzijde die opgebouwd is uit hele korte alinea’s. Witregels geven lucht.

Doorlopend verander ik de bladspiegel van mijn roman. Dat lijkt een tamelijk zinloze klus, al die pagina’s doorlopen en aanpassen, toch is het ook een manier om ongemerkt de roman te lezen en me deze eigen te maken. Hieronder drie voorbeelden.

In juni had ik een versie die er zo uitzag:

Kuorga – de vogel, die zo groot is als een mens, noemt men hem in Lapland, waar hij in de eenzame moerassen en moerasbossen broedt.
   Door een zee van de mensen wring ik me naar de andere kant van het plein, naar de oever van steen, op koers, de klep omhoog, de adem ingehouden. Daar staat een tent voor de kroeg die bekleed is met ballonnen, en daar is een mobiele tap van koud aluminium en dat is mijn plek.
   Halverwege het plein hoor ik een man zingen. Hij staat op de trappen van het stadhuis, in een groen jasje, met een hoge groene hoed op zijn hoofd, en een groene broek. Hij zingt zonder microfoon en toch klinkt zijn stem luid en helder. Ik blijf luisteren, alle mensen luisteren. Hij zingt als een valse kraai, maar ook zingt hij ze met zijn hart en dan zie ik dat hij eigenlijk alleen voor een vrouw zingt die niet ver van me vandaan staat. Ze wordt opgetild, zit op de schouders van twee andere boswachters, zoekt steun aan de schouder van een van de jongens. Daar zit ze, op een eiland, in een Flintstonespekske – Wilma of die andere –  met een bot door haar neus en een knots in haar hand. Ook steken er botjes uit haar pruik.
   De man schreeuwt: Doot noow de wins van dien laeve.
   Het wordt stil. De vrouw kijkt naar het stadhuis.
   Doot diene wins, roept de man. En iemand anders herhaalt het, richting de vrouw en weer iemand roept: Ja. En iemand roept: Want vanaovend kump hae ech oët!
   Iedereen kijkt naar haar. Ze zegt ja. Ze roept ja.
   De mensen schreeuwen en juichen. Ik buig voor deze man en dan naar het café, de dorst bestrijden.
   Voor de ingang van de tent staan duizend mensen en ik zeg duizend keer sorry sorry sorry, en schuif samen met een grote man in een traditioneel pekske met gekleurde sjaal en muts en handschoenen tussen de tentzeilen naar binnen.  Ik loop direct tegen een vrouw aan die heel klein is, en oud, in een clownspekske. Weer sorry.
   Ze zegt, je ziet eruit alsof je wel een biertje kunt gebruiken.
   Dat kan ik ook en ik vraag of ze ook wat wil drinken en ze zegt dat ze altijd wat wil.
   Ik leg mijn hand tegen haar achterhoofd. Haar lange grijze haar is opgestoken, het is geen pruik.  Al die mensen hier, het is dringen.  Dreej daag ware al die minse heej mien vrinde.
   Bij het Tiroler meisje dat hier vanmiddag ook was en volgens mij zaterdag ook bestel ik vier biertjes. Maak er zes van. Ze knikt, ze tapt, ze lacht naar me.
   Heidi, tien.

In september had ik een versie die er zo uit zag:

‘Kuorga – de vogel, die zo groot is als een mens, noemt men hem in Lapland, waar hij in de eenzame moerassen en moerasbossen broedt.’ Een schitterende zin uit Het Grote Vogelboek in Kleur. Ik draag die woorden naar de overkant. Door een zee van de mensen wring ik me naar de andere kant van het plein, naar de oever van steen, op koers, de klep omhoog, de adem ingehouden. Daar staat een tent voor de kroeg die bekleed is met ballonnen, en in die tent is een mobiele tap van koud aluminium en dat is mijn plek. Halverwege het plein hoor ik een man zingen. Hij staat op de trappen van het stadhuis, in een groen jasje, met een hoge groene hoed op zijn hoofd, en een groene broek. Deze boswachter zingt zonder microfoon en toch klinkt zijn stem luid en helder. Ik blijf luisteren, alle mensen luisteren. Hij zingt als een valse kraai, maar ook zingt hij ze met zijn hart en dan zie ik dat hij eigenlijk alleen voor een vrouw zingt die niet ver van me vandaan staat. Ze wordt opgetild, zit op de schouders van twee andere boswachters, zoekt steun aan de schouder van een van de jongens. Daar zit ze, als op een eiland, in een Flintstonespekske – Wilma of die andere –  met een bot door haar neus en een knots in haar hand. Ook steken er botjes uit haar pruik. De man schreeuwt: Doot noow de wins van dien laeve. Het wordt stil. De vrouw kijkt naar het stadhuis. Doot diene wins, roept de man. En iemand anders herhaalt het, richting de vrouw en weer iemand roept: ‘Ja.’ En iemand roept: Want vanaovend kump hae ech oët! Iedereen kijkt naar haar. Ze zegt ja. Ze roept ja. De mensen schreeuwen en juichen. Ik buig voor deze man en dan naar het café, de dorst bestrijden. Voor de ingang van de tent staan duizend mensen en ik zeg duizend keer sorry sorry sorry, en schuif samen met een grote man in een traditioneel pekske met gekleurde sjaal en muts en handschoenen tussen de tentzeilen naar binnen. Ik loop direct tegen een vrouw aan die heel klein is, en oud, in een clownspekske. Weer sorry. Ze zegt: ‘Je ziet eruit alsof je wel een biertje kunt gebruiken.’ Dat kan ik ook en ik vraag of ze ook wat wil drinken en ze zegt dat ze altijd wat wil. Ik leg mijn hand tegen haar achterhoofd. Haar lange grijze haar is opgestoken, het is geen pruik. Al die mensen hier, het is dringen. Dreej daag ware al die minse heej mien vrinde. Bij het Tiroler meisje dat hier vanmiddag ook was en volgens mij zaterdag ook bestel ik vier biertjes. ‘Maak er zes van.’ Ze knikt, ze tapt, ze lacht naar me. ‘Heidi, tien.’

Momenteel (oktober 2010) heb ik de volgende versie:

Kuorga – de vogel, die zo groot is als een mens, noemt men hem in Lapland, waar hij in de eenzame moerassen en moerasbossen broedt.
   Een schitterende zin uit Het Grote Vogelboek in Kleur.
   Ik draag die woorden naar de overkant.
   Door een zee van de mensen wring ik me naar de andere kant van het plein, naar de oever van steen, op koers, de klep omhoog, de adem ingehouden.
   Daar staat een tent voor de kroeg die bekleed is met ballonnen, en in die tent is een mobiele tap van koud aluminium en dat is mijn plek.
   Halverwege het plein hoor ik een man zingen.
   Hij staat op de trappen van het stadhuis, in een groen jasje, met een hoge groene hoed op zijn hoofd, en een groene broek.
   Deze boswachter zingt zonder microfoon en toch klinkt zijn stem luid en helder. Ik blijf luisteren, alle mensen luisteren.
   Hij zingt als een valse kraai, maar ook zingt hij ze met zijn hart en dan zie ik dat hij eigenlijk alleen voor een vrouw zingt die niet ver van me vandaan staat.
   Ze wordt opgetild, zit op de schouders van twee andere boswachters, zoekt steun aan de schouder van een van de jongens.
   Daar zit ze, als op een eiland, in een Flintstonespekske – Wilma of die andere – met een bot door haar neus en een knots in haar hand.
   Ook steken er botjes uit haar pruik.
   De man schreeuwt, doot noow de wins van dien laeve.
   Het wordt stil, de vrouw kijkt naar het stadhuis.
   Doot diene wins, roept de man en iemand anders herhaalt het, richting de vrouw en weer iemand roept, ja.
   En iemand roept, want vanaovend kump hae ech oët!
   Iedereen kijkt naar haar.
   Ze zegt ja.
   Ze roept ja.
   De mensen schreeuwen en juichen.
   Ik buig voor deze man en dan naar het café, de dorst bestrijden.
   Voor de ingang van de tent staan duizend mensen en ik zeg duizend keer sorry sorry sorry, en schuif samen met een grote man in een traditioneel pekske met gekleurde sjaal en muts en handschoenen tussen de tentzeilen naar binnen.
   Ik loop direct tegen een vrouw aan die heel klein is, en oud, in een clownspekske.
   Weer sorry.
   Ze zegt, je ziet eruit alsof je wel een biertje kunt gebruiken.
   Dat kan ik ook en ik vraag of ze ook wat wil drinken en ze zegt dat ze altijd wat wil.
   Ik leg mijn hand tegen haar achterhoofd.
   Haar lange grijze haar is opgestoken, het is geen pruik.
   Al die mensen hier, het is dringen.
   Dreej daag ware al die minse heej mien vrinde.
   Bij het Tiroler meisje dat hier vanmiddag ook was en volgens mij zaterdag ook bestel ik vier biertjes.
   Maak er zes van.
   Ze knikt, ze tapt, ze lacht naar me.
   Heidi, tien.

Eerst wil ik een standaard tekst. Dan wil ik de tekst in elkaar drukken. Dan wil ik de tekst weer uit elkaar scheuren, het tempo veranderen. Ik wil de adem van de verteller mee laten spelen in wat hij vertelt, en soms is hij buiten adem, want tijdens de Vastelaovend heb je adem te kort. Ik plak zinnen aan elkaar en neem geen tijd om mooie afgeronde alinea’s te maken. Of ik maak de tekst traag. Ik kon opeens de dubbele punt niet meer uitstaan en heb ze er allemaal uitgehaald.

Op welke bladspiegel ik uitkom weet ik niet. Heeft u een voorkeur?

Eén reactie

jolanda kooijmans

ik vind de tweede het beste, het past het beste bij het gedrang van carnaval. de derde versie komt (na het lezen van de tweede) opeens heel rustig en bijna plechtig over.

jolanda kooijmans, - 21-09-’11 10:14
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog