30 Juli 2011

I.M. Maarten Naafs

27 juli bereikte ons het bericht dat Maarten Naafs is overleden bij een auto-ongeluk. Naafs (1982-2011) was schrijver en kok. Hij studeerde geschiedenis in Leeds en vervolgde zijn opleiding aan de Gerrit Rietveld Academie. Hij publiceerde in Vice en Passionate Magazine en schreef voor De Revisor het verhaal 'Ganzen' in het Jaarboek 2010, dat hieronder te lezen is. Onze gedachten gaan uit naar zijn familie en dierbaren.

Ganzen

De verwrongen auto staat in de berm, tegen een boom. De koplampen schijnen langs de gehavende stam twee banen licht het weiland in, niet recht vooruit meer, maar naar elkaar toe. Als ze iets verder konden reiken zou het licht samenvallen, iets uit kunnen lichten, daar verderop in het natte gras. Maar wat?
De motorkap rookt nog.
Sam heeft de politie aan de lijn en zegt: ze hebben een locatie nodig.
Ik film hem met mijn mobiele telefoon. Ik bekijk hem op het kleine scherm en haal mijn schouders op. We waren net nog op een plek met een naam, zo groot is het allemaal niet.
Hij richt zich tot de agent. We hebben geen locatie, zegt hij.
In de auto kunnen we onze adem zien. Sam zegt: als je iemand ziet moet je toeteren. Hij trommelt met zijn vingers op het dashboard.
Weilanden zijn voor koeien, zeg ik, en koeien moeten op stal. Dat kan nooit ver lopen zijn.

We volgen de landweg in het donker. Achter ons ligt de auto erbij als een gezonken duikboot op de zeebodem, het gras in het steeds vager wordende licht van de koplampen een zeewiergroen, hellend naar een kant alsof er stroming doorheen trekt. Daaromheen niet meer dan zwart.
We komen aan bij een oprit naar een erf met modderige tractorsporen die uitgehard op het steen liggen en onder onze voeten kraken. In een kennel slaat een hond aan. We horen hem langs de tralies krassen met zijn poten, longen die zich gehaast volzuigen met lucht.
In de boerderij gaat het licht aan.
Sam hurkt voor de kennel. De hond, een herder, springt opgewonden tegen de tralies, valt terug en herpakt zich, zet zich af voor dezelfde sprong.
Stil maar hond, zegt hij.
Een sleutel klinkt in het slot en een oude man doet de deur open, zijn ogen gezwollen van vermoeidheid, zijn dunne grijze haar in pieken op zijn schedel.
Laat die hond maar met rust, die klopt niet, zegt hij.
We lopen achter hem aan, de hal door, een huiskamer binnen.  De man gaat zitten aan een ronde tafel, een gehaakt kleedje op het houten tafelblad, een koperen asbak. Hij wijst ons een stoel.
Ga zitten, zegt hij.

Sam vraagt de man of hij alleen is en hij knikt. Hij heeft zijn pijp opgestoken met twee lucifers en blaast wolken rook uit zijn mondhoek die aanzwellen, in zichzelf lijken te keren en dan langzaam oplossen in het licht van de tafellamp. Het heeft iets samenzweerderigs zoals we hier zitten, naar elkaar toegebogen, in afwachting van elkaar.  We hebben een ongeluk gehad, zegt Sam tenslotte. Niks ernstigs, maar de auto is kapot, die staat verderop tegen een boom.
De man knikt.
We hebben verder niks, zeg ik. We zijn alleen geschrokken.
Ja ja, zegt hij. Hij laat zich onderuit zakken in zijn stoel en trekt aan de pijp, legt hem dan terug op tafel, tegen de asbak aan.
Ik krijg hier niet veel gasten meer, zegt hij. Er is nu een ongeluk voor nodig.
Ik kijk naar Sam en opeens valt me iets op aan hem en de man, een gelijkenis in het gezicht, de manier waarop de ogen diep in de kassen liggen, omgeven door schaduw, een lijn rond de mondhoeken.
We zijn blij dat we binnen konden komen, zegt Sam. De man wuift de zin weg met zijn hand alsof het om de laatste rook gaat.
Vroeger wel, zegt de man, toen had ik een vaste gast. Een Duitser. Hij fietste de ganzentrek achterna, die streken hier neer op het land.
Sam vraagt of de Duitser een naam had.
Ja, zegt de man. De Duitser heette Thomas.

In de keuken bel ik met de politie en geef het adres door. De keuken is niet meer dan een aanrecht met een geiser en een fornuis met twee pitten. In het druiprek staat een bruin bord. Ik hang op en bekijk een verjaardagskalender die aan de muur hangt, namen in een ouderwets handschrift, schuin en met grote lussen. Vanuit de huiskamer hoor ik de man zeggen: die hond is niet helemaal goed snik, daar klopt iets niet aan. Hij kan niet eens recht lopen, ik zal het je laten zien.

We lopen terug richting de auto. De hond loopt voorop en heeft inderdaad een afwijking naar rechts, alsof zijn achterpoten constant proberen zijn voorpoten in te halen. Om de paar meter corrigeert hij zich en loopt dan weer steevast de berm in en vervloekt zijn achterstel met een harde blaf. De man schudt meewarig zijn hoofd terwijl hij het aankijkt. Hou eens je kop, zegt hij zonder overtuiging.

We wachten bij de auto, Sam leunt tegen de deur, de hond aan zijn voeten. Ik sta naast de oude man, armen over elkaar tegen de kou. Ik kan zijn adem zien.
Hier ging Thomas naar de ganzen kijken, zegt hij. Hij telde hoe vaak ze met hun vleugels sloegen als ze vlogen, kun je dat voorstellen? Er zijn mensen die dat bestuderen, ze weten precies hoeveel klappen de gans maakt. Dit is wat ze willen weten.
Echt? zegt Sam zonder dat ik eruit kan opmaken of hij verbaast is of gewoon iets terug wil zeggen.
De man loopt het weiland in, hurkt in de baan van de koplampen, de dauw in het gras nat tegen zijn broekspijpen. Zo zat hij naar die vogels te kijken zegt hij, zijn ogen glazig in het licht als op een slecht belichte foto. Niet ’s nachts zoals nu, maar in de ochtend, vroeg.
Hij lijkt te zuchten, stoot zijn adem uit, krabt zichzelf op zijn hoofd. In een opwelling pak ik mijn telefoon en film hem, zie hem voor me zitten op het schermpje, glinsterende grijze haren, zijn vorm gevangen in kleine lichtpuntjes.
Als de ganzen opstegen, zegt hij, telde Thomas mee.
Hij kijkt op, en ik kijk hem langs mijn telefoon aan, zijn oogkassen hol en donker. Wat doe ik hier, lijkt hij zich af te vragen.
Dan begint hij met tellen. Een, twee, drie. Met iedere tel tilt hij zijn armen iets op, hoger telkens, tot hij ze volledig uitslaat.
Zo zat hij dan te tellen, lacht hij. Alsof hij zelf zou opstijgen als hij maar het juiste ritme kon vinden, zegt hij.
Ik knik.
In de verte zie ik de oranje lampen van een sleepauto ons naderen.
De hond blaft en de man telt door alsof het een commando was, zijn armen golvend boven het weiland. Thomas deed het beter, roept hij uiteindelijk, als hij de dertig al voorbij is. Die kon echt vliegen. Kijk maar, hij kwam helemaal overeind, zegt hij, terwijl hij zijn benen strekt en moeizaam opstaat, zijn handen druk om zich heen slaand in de koude lucht.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog