02 Juli 2012

Porselein

Het gebeurt snel. De bel gaat, ik duw me af aan de tafel, mijn been botst ergens tegen. Daarna glijdt mijn stoel door de woonkamer. 
‘Wat doe je?’ hoor ik moeder roepen. 
‘Ik ga,’ zeg ik. De beweging houdt aan; om niet tegen de buffetkast te botsen sla ik mijn hakken in het parket. 
‘Zo doe je dat,’ antwoordt moeder. Ze heft haar zitvlak op en beweegt naar achteren. De stoel komt neer, blijft staan. De kleine beginnen te lachen. 
Ik steek een hand door de spijlen in mijn rug. Een stoel met tachtig kilo glijdt niet, ook niet op een duimdikke laag boenwas, dat weet ieder kind. Mijn vingers kruipen over de buffetkast tot ze bij een obstakel komen. Ik stuur mijn hand naar boven, naar boven en dan vooruit, vooruit en dan omlaag, omlaag de fruitschaal in. De vrucht die ik grijp is gaaf en rond. Een kaki voor wie daarbuiten staat. Zou het een bedelaar zijn? Of een Jehova’s getuige? Wie belt nu aan op kerstavond?

‘Doe maar,’ zegt vader. Hij neemt mijn pols vast. Zijn hand voelt als nat deeg.
‘Laat me dan,’ zeg ik.
Vader trekt aan mijn arm tot ik zit. De vrucht rolt uit mijn mouw en spat open op de planken. Met mijn voet duw ik de moes onder de tafel. Moeder is in de gang verdwenen. Een koude wind waait de woonkamer in. Geluiden van buiten komen mee. Een man, moeder. Vader vraagt of ik wijn wil. Ik knik. Ik voel zijn voet langs mijn been schuren. Hij neemt mijn glas en houdt het tussen ons in.
‘Wat zie je?’ vraagt hij.
Ik haal mijn schouders op. Zijn kuit passeert nu.
Zijn ogen vernauwen zich. ‘Kijk naar het glas. Wat zie je nu, Anna?’
Het zijn niet de woorden, maar de manier waarop hij ze uitspreekt. Die trage, bezwerende stem. Die stem brengt de herinnering terug. De herinnering aan de spelletjes die we deden in de wachtkamers. Alles bij elkaar heb ik een halfjaar van mijn leven in wachtkamers gezeten. Een halfjaar van mijn leven moest ik die spelletjes doen. Moeder ging binnen, vader paste op mij.
Vaders wijsvinger beweegt van de voet langs de steel naar de kelk. Als je goed kijkt, Anna, tonen de dingen hun verborgen kant.
‘Het is een tulp,’ zeg ik. De druk tegen mijn been is groter geworden.
Het glas ligt schuin in vaders hand. De wijn vloeit tegen de wand van de kelk. Ik weet dat vader nu knipoogt. Door weg te kijken denk ik er nog meer aan. Hij schenkt ook moeders glas in. Net als ik krijgt ze een halfje. Zijn glas vult hij tot de rand. Hij tikt ermee tegen het mijne. In de hoek van mijn blikveld beweegt iets. Een stoel schuift onder het kleed uit. Ik kijk naar vader. Hij zet zijn wijnglas neer. Leeg. Mijn been kan weer vrij bewegen. De bliksem is afgeleid. Denkt hij. Heeft hij altijd gedacht.
‘Je eerste kerst met wijn. En niet zomaar een wijn! Weet je welke cuvee dit is?’
De zinnen galmen door de kamer, monotoon, als een soort stilte. Ik concentreer me op de geluiden in de gang. De stem die moeder opzet zou ik van honderden meters afstand herkennen. Ik sluit mijn ogen en denk aan een luchtbel, een bel waardoor ik alles zie en niemand mij ziet. Met een klap slaat de deur open. De tocht die de woonkamer binnen waait doet de kaarsen op tafel opflakkeren. Ik hoor de voordeur in het slot klikken. Voetstappen in de gang. Ik trek mijn staart los en leg mijn haar op mijn rug. Mijn handen laat ik achter op mijn oorschelpen. Als ik mijn ogen open, is moeder in de woonkamer. Mildred loopt aan haar arm.
‘Surpri-ise! Kijk eens wie een heel weekend komt logeren!’ Moeders blouse deint op en neer.
Vader staat op. Zijn wijnglas is nu half gevuld zoals dat van moeder en mij. De kleine maken te veel kabaal om te verstaan wat hij zegt. Gelukkig maar. Hoe hij Mildred voor zich uit houdt en haar jas over zijn arm zwiert is zielig genoeg. Om het met zijn woorden te zeggen: pathetisch. Alsof hij haar met zijn theater kan laten lachen.
Ik zet mijn lippen aan mijn glas. De alcohol loopt als een vuurtje naar mijn maag. Vader klapt in zijn handen. Hij blijft klappen tot de kleine Mildred loslaten en naar hun plaats terugkeren. Moeder loopt naar de keuken. Vader houdt mij in de gaten, dat zie ik wel. Ik sta op en geef Mildred een zoen. Haar wangen lijken op abrikozen maar voelen als paddenvel. Weer op mijn plaats neem ik het servet uit mijn bord, steek mijn neus erin en veeg mijn mond af. Moeder komt binnen met een extra bord. De kleine willen alle twee naast Mildred, maar omdat er altijd een volwassene naast haar moet zegt vader dat hij naast haar gaat zitten en moeder of ik aan de andere kant. Ik klem mijn kiezen op elkaar. Deelnemen aan de opvoeringen doe ik niet. Niet meer. Het gezeur van moeder zou ik nog kunnen negeren. Je bent toch niet beschaamd voor je zus? We mogen blij zijn dat Mildred er nog is. Dankzij jou, nota bene. Vaders stiltes zijn erger. Zelfs Mildred raakt ervan in de war. Ze zegt niets, ze beweegt niet, maar van haar blik krijg ik kippenvel.
‘Anna?’
Ik neem nog een slok van mijn wijn. Het geluid heeft een speciale kwaliteit. Het zou een echo in het hooggebergte kunnen zijn, maar dan minder ijl.
‘Anna? Anna? Anna?’
Het doet me nog meer denken aan een stem in een woud. In mijn woud is er geen geluid, maar als er in mijn woud geluid zou zijn zou het zo klinken. Mijn woud komt niet onmiddellijk. Ik moet het tijd geven. Het ritueel volgen. Ik doe het nog altijd. Ik word niet meer in mijn kamer opgesloten, die tijd is voorbij. Als de deur in het slot was gevallen, wachtte ik tot ik de trap hoorde kraken. Dan deed ik mijn schoenen uit, liep op mijn kousen naar het raam en trok de gordijnen dicht. Ik doe het nog altijd zo. De gordijnen zijn belangrijk. Het woud komt niet zonder, dat heb ik geprobeerd, ik had tijd om van alles te proberen. Als de gordijnen dicht zijn, trek ik de deken van het bed. Ik klim op het matras en ga op het kussen zitten met de deken rond me. Zelfs midden op de dag kan ik de kamer met die gordijnen schemerig maken. Het zijn blauwe gordijnen met kleine sterren. Overdag zijn de sterren wit, maar als de avond valt worden ze grijs. Die sterren stralen zekerheid uit. Wie het tijdstip van de dag niet kent, kan het zien aan hun glans. In mijn woud ben ik koning, zoals Max op zijn eiland. Elke avond moest vader me Max en de Maximonsters voorlezen. Ik kende elke zin, al is dat niet zo speciaal want er staan maar elf zinnen in. Soms vraag ik me af of een ander boek het anders had gemaakt. Die stoute Max die naar zijn kamer moest bracht vader misschien op ideeen. Elke keer dat Mildred huilde sloot hij me op in mijn kamer. Toen Mildred verhuisde hoopte ik dat het zou stoppen. Hij sloot me niet meer op, dat was wel zo, maar de manier waarop hij me vroeg om naar boven te gaan kwam op hetzelfde neer. Het haalde niets uit. Ik hoorde de ruzies toch. Het snikken van moeder, vader die altijd hetzelfde riep. Zo kon het toch niet doorgaan? Zo had ze geen leven! Niet ze, antwoordde ik dan in gedachten. Mijn naam is Anna.
‘Anna!’ Mijn handen maken een sprong. Vaders mond is vlak bij mijn oor. ‘Anna!’
Ik wil spreken, maar de woorden struikelen over mijn lippen. Wat uit me komt lijkt op muizengepiep.
‘Sta op!’ Een frons doorklieft vaders voorhoofd. ‘We gaan de jongens scheiden, anders wordt het chaos. Een van hen komt op jouw plaats.’
Het is belachelijk hoe ernstig hij zijn rol neemt. Aangezien hij en moeder hun vaste tafelplaats hebben blijven er maar twee mogelijkheden over, dat ziet iedereen. Mildred lost het op. Ze neemt de lege stoel tussen moeder en vader aan het hoofd van de tafel. Dat betekent dat ik tegenover haar moet zitten.
Het menu is zoals andere jaren: pompoensoep, fazant met kastanjes en gebakken appel en als dessert een ijsstronk en exotisch fruit. Vader, moeder en de kleine voeren het woord. Die kleine maken kabaal voor een dozijn. En Mildred kan je het niet kwalijk nemen.
Na elke gang ruim ik de tafel. Ik was direct af. De aspirine staat op de plank boven het aanrecht, maar wat haalt het uit? Tegen dit soort hoofdpijn helpen medicijnen niet. Zonder haar in de buurt gaat het. Op die momenten kan ik het. Een bel blazen. Als mensen over haar praten voel ik niets meer, de gesprekken glijden langs me af. Sowieso zijn de gesprekken zeldzaam geworden sinds de komst van de kleine. De kleine doen vader en moeder zuchten, zweten, lachen. Ze zijn hun huwelijkstherapie. Als we met ons vijven zijn kan ik geloven dat alles normaal is. Tot Mildred terugkomt en ik die ogen weer zie. De laatste keren heb ik een uitvlucht verzonnen om niet thuis te hoeven zijn, een groepswerk voor school, een cross met de atletiekclub. Maar kerstavond is heilig. Ik kan niet aan die ogen ontsnappen.
Poëtische ogen noemt vader het. Mildreds ogen zijn groot en somber en afhankelijk van de lichtinval lijken ze grijs of bruin. Onpeilbaar en troebel als de poel in de boomgaard. Hoe oud was ik? Vijf? De appelpluk viel op de eerste zondag van oktober, dus ik moet inderdaad vijf geweest zijn. In elk geval kon Mildred al lopen. De appelpluk was een traditie in vaders clan. Moeder smeerde brood en deelde bier uit en ’s avonds na het wegen van de oogst maakten de mannen een vuur en mochten de kinderen worst roosteren op een stok en daarna in de appelmoes dopen. Ik moest op Mildred letten. Met haar aan de hand rende ik door de boomgaard. We gingen ook naar de vijver, al mocht dat niet. Ik raapte rotte appels en gooide onze spiegelbeelden stuk. De druppels spatten in ons gezicht. Mildred schaterde van plezier. Dan werd het zwart. Het volgende moment stond moeder naast me te schreeuwen. Sprong moeder in de poel. Toen Mildred uit het water werd gehaald, was ze koud en blauw. De dokter noemde het een wonder dat ze overleefde.
‘Iemand koffie?’ Vader zet zijn basstem op. Altijd die woorden, altijd die stem, na elk maal.
Ik hoor moeder giechelen. Met kerst heeft vader recht op een lach.
‘Ik ga wel.’ Met in elke hand een fles loop ik naar de keuken. Ik sluit de deur achter me en leun tegen de muur. Vader en moeder namen de beste specialisten. Voor hun bezorgdheid was het land te klein. Gingen we op reis naar de Vogezen, dan brachten we ergens wel een dag door bij een neuroloog in Basel. Een citytrip Parijs kwam met een bezoek aan een hospitaal. Ik breng de flessen naar mijn mond en klok de restjes rood achterover. Ze smaken naar aarde. Daarna zet ik de flessen naast de vuilnisemmer.
‘Neem het mooie koffieservies,’ hoor ik moeder roepen.
Om bij het Winterlingporselein te kunnen moet ik op een stoel klimmen. Ik droog mijn handpalmen aan mijn rok en trek de kast open. Vier keer een schoteltje, vier keer een kopje, een melkkan, de koffiekan, een suikerpot. Ik schik het servies op een dienblad, vul de suikerpot met kandij, giet de koffie en de melk over in de kannen. De handelingen brengen rust. Het ergste was dat iedereen me een held noemde. En nog steeds. ‘Als Anna niet had geroepen was Mildred verdronken,’ zegt moeder tegen elk oor dat in haar buurt komt.
Met het blad voor me loop ik naar de eetkamer. Na de koffie kan ik naar mijn kamer. Mijn woud. Migraine is een goed excuus. Morgen ga ik naar grootvader en overmorgen komen de mensen van het instituut Mildred halen. Daarna wordt alles weer normaal. Ik schenk vier koppen koffie uit. De kleine geef ik een brok kandij. Wil Mildred ook een stuk suiker? Dat kan je nooit weten. Terwijl ik een slok van mijn koffie neem kijk ik naar haar.
De twee zwarte gaten in dat vlakke gezicht zuigen me aan. ‘Ze kan niet jaloers op je zijn,’ legde vader me vroeger uit als ik zei dat Mildred altijd kwaad naar me keek. ‘Ze weet niet dat ze anders is.’ Ik voel een druppel zweet van mijn nek naar mijn rug lopen. Het moeras in die pupillen trekt me naar beneden. Ik knijp mijn ogen dicht. Ik ben vijf, sta aan de vijver en voel de adrenaline weer als ik mijn hand op Mildreds rug leg en duw. Iets heets schroeit mijn arm.
‘Anna! Mijn Winterlingporselein!’
Ik druk mijn handen tegen mijn slapen. Het schervengerinkel is onhoudbaar.
‘Koffie is slecht voor haar migraine,’ hoor ik moeder zeggen.
‘Ik ga slapen,’ zeg ik.
Vaders hand strijkt over mijn arm. ‘Neem je iets voor je in bed kruipt?’
Ik klim de trap op. Mijn maag is gevuld met Winterlingporselein; bij elke stap snijden de scherven wonden. Op de overloop blijf ik staan om op adem te komen. Beneden is het stil. De planken kraken onder mijn voeten, dat moeten ze tot daar horen. Niemand zegt iets. Ik steun op de balustrade, leun voorover. Aan de feesttafel zijn de hoofden naar Mildred gekeerd. Zij kijkt naar mij. Ze glimlacht.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog