, 11 September 2014

Soldaten baren

Een slagveld. Oorlogsmetaforen liggen blijkbaar voor de hand als een bevalling in de literatuur beschreven moet worden, maar de bevalling van een soldate? Die had ik nog niet. Het verhaal ‘In de stad Berditsjev’ (1934), waarmee Vasili Grossman bekend werd en geprezen door onder anderen Maxim Gorki en Isaak Babel, gaat over een vrouwelijke cavalerist die met zwangerschapsverlof moet. Een groot deel van het verhaal staat op Athenaeum.nl.

Het begint met: 'Het was vreemd het donkere, verweerde gezicht van Vavilova te zien blozen.' Was dat vreemd? Ja, eigenlijk wel. Geweldige, suggestieve opening, met een tegenstelling tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid die Grossman in het verhaal verder uitwerkt. Verderop, nog voor de bevalling, wordt Vavilova gevraagd: ‘Denkt u dat het simpel is, kinderen baren, zoals oorlog voeren? Pief, paf en klaar? Nee, het spijt me, zo simpel is het niet.’ Meer daarover, de bevallingsverontwaardiging in Beitske Bouwmans Noem het liefde (2010) en de geologische en astronomische beelden van Valeria Luiselli in De gewichtlozen (2014, Los ingrávidos, 2012). Meer over beelden.

Soldatentaal

Grossmans truc met beelden voor de bevalling is even simpel als doeltreffend: het is geen truc. Vavilova is soldaat. In functie nog wel, het is typerend hoe ze maar eenmaal met haar voornaam wordt aangeduid. En ze is maar zelden vrouw. Als Grossman kort terugblikt op Vavilova's zwangerschap, staat er:

‘Eerst weet ze alles aan de sombere, zwijgzame man die sterker was gebleken dan zij en een weg had gevonden door haar dikke leren jas en het karsaai van haar veldbloes naar haar vrouwenhart. Ze had gezien hoe hij als eerste dat verschrikkelijk gewone houten bruggetje op rende, hoe de Poolse mitrailleurs knetterden tot hij zomaar was verdwenen: een lege uniformjas had de handen in elkaar geslagen, was gevallen en boven de beek blijven hangen.
Ze was over hem heen gevlogen op haar dronken hengst en het bataljon was achter haar aan gedenderd, alsof het haar voortstuwde.
Daarna was alleen het wezen er nog. Dat was de schuld van alles. Daar lag Vavilova, verslagen, terwijl het triomfantelijk met zijn hoefjes trappelde en leefde in haar.’

Wie wint, wie verliest? Eerst die man, haar vrouwenhart, ach bouquetreeksromantiek, getroffen. Dan vliegt zij over hem. Maar de triomf is voor het paardachtige wezen in haar buik. En het is een overwinning, als je ziet wat de aanstaande moeder heeft gedaan om een abortus op te wekken.

‘Maandenlang had ze het eerlijk en volhardend bestreden: ze was log van haar paard gesprongen, zwijgend en verbeten had ze zware blokken dennenhout versjouwd op de werkzaterdagen in de steden, in de dorpen had ze kruidendrankjes en tincturen gedronken, ze had zoveel jodium gehaald bij de regimentsapotheek dat de hulparts een klacht had willen indienen bij de medische dienst van de brigade, ze had zichzelf blaren bezorgd met kokendhete baden.
Maar het was koppig doorgegroeid, het belemmerde haar in haar bewegingen en bij het paardrijden; ze moest kokhalzen en kotsen, het trok haar naar de aarde.’

(Paarden, Jan!)

Dit is soldatenliteratuur. Robert Chandler schrijft in zijn inleiding op het verhaal dat het schatplichtig is aan Isaak Babel, die in De Rode ruiterij dezelfde oorlog beschrijft. Maar dat het nu niet over mannelijk geweld gaat, maar over een vrouw, op de grens van een mannen- en een vrouwenwereld. De pogingen tot abortus zijn goed beschreven, erg geestig dat 'zwijgend en verbeten' halfslachtige pogingen doen, en de lege uniformjas is een ijzersterk beeld. Maar het ging me dus om de bevalling. En daar is de militaire beeldspraak amper aanwezig.

Hoefjes en een wolf

‘De hoefjes schopten ongeduldig. Vavilova deed haar ogen open en ging rechtop in bed zitten.
“Een jongen of een meisje?” vroeg ze hardop. En plotseling voelde ze hoe haar hart groot en warm werd in haar borst en dreunend begon te kloppen. “Een jongen of een meisje?” Die middag begon de bevalling. “Oi!” schreeuwde Vavilova schril, als een boerenvrouw, toen ze plotseling werd overmeesterd door een scherpe, allesdoordringende pijn.’

Die hoefjes zijn goed, een goede brug tussen Vasilova's vorige en nieuwe leven. Die boerenvrouw is slap, dat kan zonder. ‘Oi’ volstaat, en het schetsmatig uitgewerkte contrast tussen de militair en de boerenvrouw verzwakt wat Vasilova is: een sterke vrouw, punt.

‘Maar een halfuur later begon de pijn opnieuw. Vavilova’s gezicht liep donkerrood aan, haar gebruinde kleur kreeg opeens iets doods, als willekeurig aangebrachte verf. Vavilova lag met haar tanden opeengeklemd. Ze zag eruit alsof ze nadacht over iets kwellends en beschamends en ieder moment schreeuwend overeind kon vliegen – wat heb ik gedaan, wat heb ik gedaan! – en haar gezicht in wanhoop bedekken met haar handen.’

De focus is helder in dit verhaal: meestal bij Vasilova. Maar het perspectief, het in- en uitzoomen, is nog onhandig in dit eerst gepubliceerde korte verhaal. Opeens duikt het vaderperspectief, betrokken, bewust van een grote verandering, op  - in de vermomming van een alwetende verteller.

Er is een treffende vergelijking tussen de kijvende vroedvrouw en een legercommandant, maar die staat, zoals bij A.F.Th. van der Heijdens basketbalmeisjes, los van de eigenlijke bevalling. Dan:

‘Vavilova onderwierp zich aan de gebiedende stem van Rozalia Michajlovna, ze gaf antwoord op haar vragen, draaide zich om en deed alles wat van haar verlangd werd. Af en toe raakte ze verward, dan leken de muren en het plafond hun vaste omtrekken te verliezen en uiteen te vallen in golven die op haar af kwamen. De luide stem van de vroedvrouw bracht haar weer tot zichzelf; ze zag haar rode, bezwete gezicht en de punten van haar witte hoofddoek langs haar wangen. Ze dacht nergens aan op die momenten. Ze wilde janken als een wolf, in haar kussen bijten. Haar botten leken te kraken en te breken, en plakkerig, walgelijk zweet stond op haar voorhoofd. Maar ze schreeuwde niet, ze knarste alleen met haar tanden en hapte stuipachtig met haar hoofd schuddend naar adem.
Soms verdween de pijn, alsof hij er nooit was geweest. Dan keek ze verbaasd om zich heen, luisterde naar het rumoer van de markt en verwonderde zich over een glas op een kruk of een schilderijtje aan de muur.
Als het kind zich razend van levensdrift opnieuw begon te weren, voelde ze behalve angst voor de aanzwellende weeën ook een vage vreugde: het moest nu eenmaal, hoe sneller hoe liever.’

Die golfbeweging is goed weergegeven: bewust, onbewust, pijn, niet-pijn. De twee zinnen over de botten, het zweet en het stuipachtig happen (bedoelde assonantie? Verdomd, las ik maar Russisch) zijn minder, maar het geheel is strak en realistisch, en in niets militair. Dat wordt het, maar dan ook theatraal. Slap theater.

‘De stem schreeuwde en vloekte zo grof dat Magazanik zijn hoofd schudde en op de grond spuugde. Het was Vavilova, die uitzinnig van pijn, in haar laatste barensweeën, vocht met God en het vervloekte lot der vrouwen.
‘Zo zie je,’ zei Magazanik, ‘zo zie je: het blijft een commissaris. Mijn Bejla kwam niet verder dan: “Oi mama, oi mamaatje, oi mama.”’’

De aanklacht

Tja, het vervloekte lot der vrouwen. Wat als het perspectief bij Vasilova had gelegen, of veel, veel erger bij Bejla, die haar inwijdde in de zwangerschap en het moederschap? Zou er dan zo'n aanklacht uitrollen?

‘“De pijn, de vernedering, het openscheuren, een baby die krijst, een arts die eist dat je blijft liggen, en niemand die een hand uitsteekt, niemand die mij ziet. Waar was ik? Artsen duwden, trokken, sneden. En toen daar het kind was, verwachtte ze vreugde. Ik kon slechts huilen. Ja, ik vergat onmiddellijk de pijn, ik vergat de ontreddering, de angst. Het kleine lijft tegen mij aan, en toch, waarom zweeg jij? Waarom zweeg mijn moeder? Eerst is er vreugde over de verwachting, dan dijt het lichaam langzaam uit tot ik zelf totaal onherkenbaar door het leven waggel en dan wordt er van mij ook nog een onmenselijke prestatie verwacht zonder voorbereiding. Zonder dat iemand mij vertelt dat het is alsof iemand een pas geslepen mes neemt, dat recht in je rug steekt en het met groot genoegen nog wat heen en weer beweegt. Van links naar rechts, van onder naar boven. En wie kan dan nog in godsnaam met droge ogen beweren dat zij niet schreeuwde, niet gilde, niet een moment dacht, dat dit inhumaan was, deze kwelling, dat het onbegrijpelijk is dat vrouwen dit uit vrije wil voor een tweede, derde of zelfs vierde keer ondergaan? Werkelijk, als je ten volle zou beseffen wat een marteling het is, dan zou je onder geen voorwaarde met je ratio besluiten wederom een kind te baren. Nanne, zeg eens iets!”
Nanne kijkt in haar thee. Ze zwijgt. Ze herkent het desolate gevoel, de ervaring alleen rond te dwalen in een snikhete woestijn zonder dat er iemand een hand uitsteekt om je te helpen, en al was er iemand geweest, dan wist je dat die hand je niet helpen kon, je was alleen. Misschien was het baren zoiets als het sterven, je doet het alleen, er is misschien een helpende hand, maar ergens houdt het bereik van de helpende hand op, ergens ontmoet je de existentie.’

De stemmen in Beitske Bouwmans roman zijn moeilijk te onderscheiden, als een veelstemmig, schrijftalig koor dat verschillende verhoudingen tussen werk en zorg in vrouwenlevens onderzoekt. Ze denken hardop. Ze zwijgen niet. Grossmans pijn, veel pijn, vergelijk Tsjechov, krijgt hier gezelschap van ontreddering, angst, kwelling, marteling. Termen die toch al truttiger zijn. (Vrouwelijker? Ben ik een macholezer? Of is ‘pijn’ gewoon neutraal?) En van beelden. Het mes. De woestijn. Sterven (Heleen van Royen). De existentie ontmoeten, zeg maar vechten ‘met God en het vervloekte lot der vrouwen’. Grote woorden die de werkelijkheid en de beleving daarvan op afstand zetten.

Beving en licht

Wat vraag ik ook van onze schrijvers. Beelden horen erbij. Maar je hebt natuurlijke beelden - de soldaat van Grossman -, al te vanzelfsprekende beelden - het mes, de dood - en de zoektocht naar iets oorspronkelijks. We kwamen al jampotjes tegen bij Anna Enquist, worstjes bij Van der Heijden. Een van mijn favoriete jonge schrijfsters, de Mexicaanse Valeria Luiselli, zoekt het elders. Niet in het lichamelijke, niet in het gevoelsleven, maar in de grond en de lucht. Ja, ik wel geloven dat het zo voelt.

‘Nee, hij wil naar buiten. De eerste kwam ter wereld met een geïnduceerde keizersnede, omdat ik niets voelde, ik kreeg maar geen weeën. Dit keer begon de pijn in mijn onderrug. Een ijskoude warmte. Vervolgens, en het eerst boven mijn heupen, begon de huid te tintelen en strak te trekken. Een eerder geologisch dan biologisch fenomeen: een beving, een lichte welving en de hele buik begon zich op te werpen, zoals een grondlichaam dat omhoog komt, door de zeebodem breekt. En de pijn, een pijn die nog het meest op een lichtflits lijkt, de lichtflits van een vallende ster, die een spoor achterlaat en die in rook opgaat en net zo onverklaarbaar weer daar is.’

Maar het is reflectie op wat gebeurd is, niet beleving van wat er gebeurt. Net als bij Bouwman heeft de vertelster al kunnen nadenken over die levensbepalende gebeurtenis, geanalyseerd, opgesplitst in beelden en termen. Betere beelden en termen, maar waar ik al een jaar naar op zoek ben, zo'n scène alsof ik er zelf bij ben, dat is het niet. Misschien volstaat dat ene woord toch.

Pijn.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog