10 December 2014

Acedia

‘Er is nooit een document van de cultuur dat niet tevens een document van de barbaarsheid is,’ zo stelde Walter Benjamin in zijn Über den Begriff der Geschichte. Benjamin wil met opzet de geschiedenis tegen de haren in strijken. De taak van de geschiedschrijver is het de naamlozen te eren die voor overlevering van de cultuurgoederen hun ‘herendiensten’ hebben verleend. Niet de machthebbers, niet de zogeheten helden, maar de dragers, de werkers.

Als historisch materialist ging Benjamin liever van de producten uit, de artefacten, dan van de heersers en andere beroemdheden. Zelden is Walter Benjamin explicieter dan in deze thesen, het is alsof hij zich inschrijft in de Frankfurter Schule die zich op dat moment (aan het begin van de Tweede Wereldoorlog) al in New York bevindt. Zitten die thesen nu in het fameuze (en mogelijk apocriefe) lederen etui waarmee Walter Benjamin Frankrijk ontvlucht op weg naar Portugal om er de boot te nemen? Dat is niet aanemelijk, al spreekt de ene biograaf de ander tegen. Mogelijk liet Benjamin de thesen achter bij George Bataille van de Bibliothèque Nationale de France in Parijs.

Zeker is dat hij op zijn vlucht stierf, in het Hostal de Francia in de grensplaats Port Bou, verzwakt na de voettocht over de Pyreneeën en gedesillusioneerd omdat de Spaanse Carabinieri hem terug wilde sturen. ‘Niets sterft vrijwillig in Port Bou,’ schreef ik in ‘18 september 1994’ in Tramontane, toch is de doodsoorzaak zelfmoord. Zijn eigen naamloze geschiedenis stierf onderweg.

Waar de historisch materialist volgens de these in zijn laatste werk al helemaal niets van moet hebben, dat is de historicus die tracht een tijdperk opnieuw te beleven door te proberen alles wat hij weet van het verdere verloop van de geschiedenis uit zijn kop te zetten.

‘Het is een methode van inleving. De oorsprong ervan is de indolentie van het hart, de acedia, die versaagt het echte historische beeld, dat vluchtig oplicht, te bemachtigen. Zij gold bij de middeleeuwse theologen als de diepste oorzaak van de droefgeestigheid. Flaubert, die daarmee kennis had gemaakt, schrijft: “Weinig mensen zullen vermoeden hoeveel droefgeestigheid er voor nodig was om Carthago weer tot leven te brengen.”’

Het is hier dat het woord valt, de acedia, eerder dan in dit citaat (ik citeer de vertaling van Ineke van der Burg en Mark Wildschut uit de uitgave Een storm waait door het paradijs, SUN 1996) kwam ik het woord niet tegen. Volgens Benjamin werd de droefgeestigheid niet alleen veroorzaakt door de onmogelijkheid door inleving een helder beeld op de geschiedenis te krijgen. Men leefde zich ook nog eens in in de overwinnaar die nadien de machthebber werd en ‘de huidige machthebbers zijn de erfgenamen van al degenen die hebben gezegevierd’. Daarmee was voor Benjamin genoeg gezegd, met een dergelijke methode wilde hij breken. Hij wilde niet de buit van de overwinnaar (de cultuurgoederen) onderzoeken zonder de afgesleten sandalen van de dragers te bekijken en de verliezers te eren.

De acedia (‘indolentie van het hart’) noemt hij in de these de oorsprong in plaats van het gevolg van de droefgeestigheid om het ware beeld van de geschiedenis maar niet te kunnen vatten. Het iconisch beeld van de wakkerende vlam die telkens zorgt dat je het plaatje niet scherp te krijgen is, is hier precies en van toepassing. Het is uitgerekend door die toepasselijkheid dat ik het woord ben gaan gebruiken: het deed mij denken aan het schrijven van poëzie.

Woorden kunnen er nooit voor zorgen dat een beeld helemaal helder overkomt, daarvoor is er te veel ruis, zijn er bijbetekenissen, interpretaties, de intentie van de lezer die elders ligt dan die van de schrijver. En toch probeer ik in ieder gedicht een helder beeld op te roepen, koppig, vanuit de wetenschap dat ik zal falen. Ik wil niet verbloemen dat ik de eerste keer bij het lezen van de vertaling van Benjamin, in 1996, getriggerd werd door het begrip droefgeestigheid die uit de poging tot geschiedschrijving voortkwam, dat ik een juister en bruikbaarder woord vond dan melancholie. Een werkelijkheid die je nu eenmaal, ook zonder neiging tot hermetisme, niet eenduidig kan oproepen.

Maar acedia betekent meer, het is ook een van de zeven hoofdzonden, al is het uitgerekend degene waarbij je je kan afvragen wat die in een ontkerkelijkte tijd nog te betekenen heeft. Zekere christenen gebruiken de term accidia opnieuw als gevolg van de opkomst van de pornoficatie die ons lam zou slaan. George Steiner, maar dat lijkt me dan ook een erg lenig denker en hoogstwaarschijnlijk vat ik hem hier veel te kort samen, gebruikt de term acedia bij het verklaren hoe de Eerste Wereldoorlog voort zou zijn gekomen uit desillusie omtrent het falen van de Franse revolutie. Sloth is de Engelse term voor de hoofdzonde, je geeneens meer druk maken over het gegeven dat het je niet meer lukt je ergens druk over te maken. Er is een aardig Haags woord dat bij die toestand in de buurt komt en dat is indolentie – een woord dat ook de vertaler van Benjamin gebruikt.

Ik denk niet dat al die bijbetekenissen hebben meegespeeld toen ik voor het eerst het woord acedia in een gedicht gebruikte, bijbetekenissen zijn juist die zaken waarmee je geen gedichten schrijft, eerder muziek, ritme en bijbehorende associatie. Bovendien gebruikte ik de term nooit in een gedicht maar wel voor een gedicht, als titel. Het is riskant: het is het enige moeilijke en duister woord dat ik in een gedicht gebruik, liever ga ik uit van spreektaal.

‘In Acedia’ heette de eerste reeks, die handelde over een dirigent die te veel nadenkt. Denken is de dood, als je nadenkt kun je geen muziek maken. De dirigent is de meest fysieke speler in de orkestbak, die de trilling van zijn dirigeerstokje veroorzaakt, de balling van zijn andere hand die als reservespeler fungeert tot vuist, de aanval die de bladzijde van de bladmuziek omslaat. Dat is de hijfiguur in het gedicht. Er is ook altijd een zijfiguur, in dit gedicht een hoornist die het mondstuk net niet aanraakt en een naakt sieraad om haar hals draagt. Vervolgens is er een toeschouwer in de zaal, die met zijn duim heel langzaam langs de lipkloven gaat.

De werking van acedia blijkt sterker uit de reeks ‘Naar Acedia’, die bestaat uit gedichten die niet meer in de bundel Tong en trede pasten en die ik overhield voor Tafel. Er waren opnieuw een zijfiguur en een hijfiguur die in elkaars gezelschap vertoeven, niet al te concreet en zeker niet al te lijfelijk. Als in een zeker duet van Hans van Manen bewogen ze om elkaar heen. Hij staat te liften naast zijn jas die opgevouwen op zijn koffer ligt, zij rijdt langs in de tegenovergestelde rijrichting. In het tweede gedicht staat hij te pronken met een speld op zijn kostuum in de melk uit de spotlichten op het podium en steekt zij een sigaret bij de filter in de opening van een lucifersdoos, spreid zijn de vingertoppen over haar sleutelbeen en kneed zij in haar zakdoek een glimlach tot een geeuw. Tot slot staan ze in het derde gedicht samen op de boot van Brindisi naar Tesaloniki en bedekt haar hand de graffiti op de reling, de make up op haar gezicht is de vorige dag aangebracht. Acedia lijkt een landgoed, een Armageddon of een Atlantis, in de lome staat van het reizen ernaar toe of er vandaan bestaan de hij- en zijfiguur in elkaars verbeelding. ‘Terug uit Acedia’: ze maakt van haar jas een jurk door zittend op de terrasstoel op de punten van haar schoenen te leunen, ze draait een caféstoel op een poot in het rond, ze verdraait de achteruitkijkspiegel in de auto om haar make up bij te werken en ze ziet een manke dansen op zijn krukken. Hij knoopt zijn schoenveters op de roltrap. Zij loopt over de Corniche de John Fitzgerald Kennedy in Marseille en komt even later uit het water van de Middellandse zee als alle stenen om haar gloeien en boven haar aan de kustweg een lifter op zijn koffer zit.

Maar er is ook ‘Een lifter naar Acedia’ waarin twee jongens op weg zijn naar een filmset, de vraag is alleen of er wel een auto voor hen stopt om ze er op tijd heen te brengen. Er is een gedicht ‘Acedia’ met een loopgraaf in West-Vlaanderen en een gedicht ‘Acedia’ met een nachtmarkt in Taipei waar in de kamer boven het kraampje een zijfiguur een lijn trekt over een papier. Er is ‘Terug naar Acedia’ waarin opnieuw een tocht wordt ondernomen, door Berlijn, Trois-Rivières, Vlissingen en Whitebridge (plaatsen die nauwelijks herkenbaar zijn en er in de gedichten ook niet toe doen), met niet alleen hij-en zij-figuren maar ook schapen, koeien, slagers, buschauffeurs, rechters, paspoppen en parasols die je alleen kan sluiten door ze te omhelzen.

Komt er een eind aan die tocht? Een van de meest recente gedichten uit de bundel Acedia bestaat niet uit notities van beelden, indrukken, impressies die ik heb opgedaan, maar uit woorden die ik ergens las, in die mate verhaspeld dat de bron onzichtbaar is. Het gedicht roept een vrouw op aan het strand, met vogels op haar armen getatoeëerd, die een platte etage in het zand maakt door nat zand uit de branding te halen, een etage waarin zeesterren van de wand vallen. Het gedicht komt uit een estafette, ik plukte woorden en zinsdelen uit gedichten van Peter Verhelst, Erik Spinoy en twintig anderen in de reeks ‘Niets te verbergen’ van samensteller Harry Vaandrager. Er kwam een lyriek in die van elders leek te komen en uit mijn debuut leek te stammen. Moet ik meer lezen, minder rondwandelen en toekijken? Bij de wakkere vlam uit de mobiele telefoon waarmee de aftakelende bijziende zich bijlicht. Ik heb nooit gedacht dat die indolentie een gebrek aan passie is, integendeel, of dat nu in tegenspraak met de acedia is of niet. Juist door het vertraagd uitrekken van een moment toont zich de wirwar van details die fonkelen als stenen.

________________________________________

*

Erik Lindner schreef in 2013 voor De Revisor een blog over Berlijn. In 2014 start hij een nieuwe reeks over wat teksten literatuur maakt, als lezer en als schrijver. De eerste aflevering heette Kleine gedachtengang over het gelegenheidsgedicht, de tweede Networking poetry, de derde Polemiek, de vierde Vertalen, de vijfde Vogels in de molen, de zesde Niet, de zeven Legitimaties en de achtste Tattoo, de negende Lyriek en de tiende Acedia.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog