Vaar de boot terug

Myrte Leffring, Om je schouders hang ik de nachten (Van Gennep, 2015)

‘Veeg mij uit veeg alles / uit en vaar de boot terug,’ schrijft Myrte Leffring (1973), redacteur van Awater, in haar debuutbundel Om je schouders hang ik de nachten. De opdracht die ze hier geeft, is aan de boeg een mossel te vinden en met wierige armen tot aan de vloedlijn terug te peddelen. Leffrings gedichten zijn mooi afgeknot, ze laten veel open, ruim voldoende ruimte voor lyriek bijvoorbeeld. Constant lees ik er zinspelingen op de liefde in, het lijkt wel of ieder nieuw gedicht een ander bezingt. Liefst iemand die sterk is en zacht tegelijk: ‘Je bent zo verwarrend warm / en zeker en zacht en omhelzend / van arm, met zachte lachjes en kalm / zo zwaar staand soms, staand op je benen.’

Dat omhelzend van arm verraadt het dichterlijke gebaar, de a-grammaticaliteit die charmant kan werken en evengoed kan storen. Net als in de titel van de bundel en ook in een gedicht waarin een kussen niet anders kan zijn dan een hoofdkussen en dat niettemin ‘onwetend’ genoemd wordt. ‘Je bent licht,’ schrijft Leffring in de ene strofe en in de volgende ‘je bent zo licht’. In die devote zachte stem (‘ik droomde dat ik droomde / dat ik jou droomde’) zit wel degelijk iets dat beklijft, dwars door alle lieflijkheid heen klinkt haar stem dermate verzengend dat ik van de auteur iets bijzonders begin te verwachten. Als ze een paar aan tafel beschrijft waarvan de man het brood breekt, brengt ze een vergelijking met een toneelstuk, een escapade met een bloederig vervolg. De ik-figuur besluit vervolgens niet af te ruimen. Zonlicht beschijnt de tafel: ‘Het spinrag aan je vork trilt / in de warmte.’ Is die ik-figuur alleen maar toeschouwer, of is ze de dienstmeid die de echtgenote neersteekt en daarmee de man ongelukkig maakt?

‘Je neukte me kreupel’ is een aangenaam stevige openingsregel voor een gedicht (‘Tabee’). Jammer is het dat even verderop een wat al te sterk aangezet enjambement volgt: ‘ik draag ze voor jou / zeker niet’ schrijft ze over een paar 'lederen laarzen'. Iemands blik kun je niet kan ruiken, ook al kijkt die als een stier. Zoiets heeft de dichter niet willen schrijven, die mislezing komt wel door de opeenvolging van de regels. Vriest het in een volgend gedicht bij de openingsregel ‘Soms zie ik nog flarden van / de ademteug’? Het betreffende gedicht is mooi van toon, het kent een vergelijkbare aarzeling als het ‘Lamento’ van Remco Campert. Er gebeurt weinig meer dan een voet die op en neer gaat tijdens een telefoongesprek, zowel bij de man als de vrouw. Dergelijke handelingen uitspinnen en onder spanning brengen, levert de beste gedichten op in dit debuut. Myrte Leffring kan minutieus stilstaan bij de beschrijving van een man die gaapt, zucht, zijn handen boven zijn hoofd vouwt. In het gedicht ‘Vrij’ gebeurt er weinig anders dan dat iemand valt:

Hoor je me vallen
hoor je mijn slanke
lichaam vallen
ben je boven
of sta je beneden en
zie je me ook?

wanneer ik val zie je
hoe mijn armen wijduit
hoe mijn voeten voorover
mijn haren wervelend
zie je me
hoorde je hoe ik
viel?

het duurde langer
dan je dacht
dat is wat er door je heen ging
toen je mijn lichaam
zag vallen: wat duurt
zoiets lang

eindeloos lang viel
ik, ik zag het
je denken

Het is door haar vermogen de dingen stil te zetten dat dit debuut naar meer doet verlangen, of liever nog naar een flinke stap verder dan dit debuut. Een ‘knijf’ is een mes, een knipmes, maar wat daar nu precies mee gebeurt, wordt in het gedicht 'Knijf' niet duidelijk. In het gedicht ‘Ja’ bloost iemand met haar oren als die de stem van een ander de eerste keer hoort. Het is dezelfde lichte a-grammaticaliteit van de titel: kun je blozen met je oren? Waarom niet, zou je zeggen, als je een blos op je wangen krijgt, waarom is het verkleuren van de oren dan geen vorm van blozen? Ja, het zijn oren die blozen door hun eigen horen – zulke vragen halen ons uit het gedicht.

In de slotreeks ‘De gootsteen op mijn graf’ gaat het om dementie, verval, ouderdom, aftakeling en dood. In het eerste gedicht vraagt ze het aanrechtblad uit de keuken te hakken bij wijze van grafsteen. Als de dichter in het gedicht ‘Stof’ een stervende bezoekt, schrijft ze ‘je houdt je ogen /voor mij altijd jouw ogen / achter ouwelblad verborgen’. ‘Ouwelblad’ lijkt hier gekozen om zijn klank en associatie, een ouwel kan een flinterdun gebak zijn of een hostie. Je kunt zoiets op de ogen voorstellen als iemands gezicht verzorgd wordt. Opvallend is dat waar Leffring niet de kleine details beschrijft – het bezoeken van de stervende en het optekenen van het verval – maar voluit gaat, zoals in het slotgedicht de gestorven moeder toezingt, ze des te meer overtuigt. Daar is de lyriek niet beknot, maar raakt in haar vrije loop onvoorspelbaar, als ze ongegeneerd besluit ‘je bent mijn eiland voor altijd // we lachen harder / dan eigenlijk kan’.  

*

Deze recensie maakt onderdeel uit van een nieuw initiatief van de Revisor, om elke week poëzie te bespreken. Alle bijdragen zullen in de rubriek poëziekritiek terug te vinden zijn. Een kwantitatieve inventarisatie van de kwaliteitsbladen in de Lage Landen ging eraan vooraf. 

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog