Hier is geen plek voor nietigheid

Hans Sleutelaar. Wollt ihr die totale Poesie? (De Bezige Bij, 2015)

‘Je kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen / dan ik zelf ben geweest’ is het motto van Wollt ihr die totale Poesie, de verzamelbundel uit het op zich al karige werk van Hans Sleutelaar. Karige poëzie is het, maar wel sterk en indringend. Het motto lijkt tot de lezer gericht, kun je nog minder van het materiaal opnemen, het nog meer uitbenen? De vraag krijgt een extra lading als je de verzamelbundel legt naast de enige twee dichtbundels die Sleutelaar eerder publiceerde, Schaars licht in 1979 en Vermiste stad in 2004. Op zichzelf al dunne en uitgemergelde bundels, gepubliceerd met een tussenpoos van 25 jaar. In de tweede bundel staan de gedichten alleen maar op de rechterpagina.

De titel Wohlt ihr die totale Poesie? is een monostichon, een eenregelige strofe. Het allereerste gedicht dat Vaandrager publiceerde. De ondertitel van de verzamelbundel is ‘korte tot zeer korte gedichten’. Het bevat een strenge keuze uit Sleutelaars werk. Enkele gedichten die Sleutelaar te aforistisch, te veel een anekdote of een limerick, te particulier of te zangerig, te licht of juist te weinig strak vond, liet hij eenvoudig weg. De sterkste gedichten blijven over, zoals een ontmoeting in een bar in Palermo waar honderd kussen worden uitgewisseld met een vrouw met lippen als een gedachtestreep. Mooi is het rustige gedicht ‘14 mei 1940’, waarin heel kalm en op idyllische wijze een tragedie beschreven wordt, een dag in het Kralingse bos waarop je zou vergeten dat het oorlog is, zelfs al is de lucht boven de stad vuurrrood.

Rotterdam is de kern van Sleutelaars oeuvre. Dat blijkt vooral uit de tweede bundel Vermiste stad, waarin ieder kwatrijn naar de stad verwijst, de stad en ook de stad die eronder ligt en is vergaan. Sleutelaar schetst met een paar woorden sterke stillevens, als een toneelstuk van Harold Pinter of een schilderij van Pyke Koch. Opvallend zijn de kleine veranderingen ten opzichte van de eerdere publicaties. Enkele mindere gedichten zijn weg en de volgorde is net iets veranderd. Bij een enkel gedicht stond in Schaars licht de slotregel links aangelijnd terwijl de eerdere regels steeds verder insprongen. Nu is dat precies andersom gezet, met juist de eerste regel op de normale plek.

De gedichten van Sleutelaar zijn rond, ze kennen een mooi rijm. In de bloemlezing gebruikt Sleutelaar voor al het leven ten opzichte van de luchten de aanduiding ‘daaronder’, in de oorspronkelijke bundel stond ‘beneden’. In de nieuwe uitgave is er op de wereld niets dan ‘ik en Hij’, waar in de oorspronkelijke uitgave het laatste voornaamwoord geen hoofdletter kreeg. Waarom heeft Sleutelaar zitten sleutelen aan gedichten die al zo afgebeend en uitgepuurd waren bij eerste publicatie? De verantwoording biedt soelaas: vroege gedichten zijn herzien naar de tekst van hun eerste publicatie in een tijdschrift. Juist geen verandering: ze zijn in hun oorspronkelijk staat teruggebracht.

Wollt ihr die totale Poesie? bevat een Ars poetica, een streng pleidooi voor het gebruik van rijm. Het is vooral tegen de vijftigers gekeerd. Sleutelaar behoorde net als C.B. Vaandrager en Hans Verhagen tot de zestigers, ofwel De nieuwe stijl. Het essay werd laat geschreven op verzoek van het tijdschrift Bunker Hill. Sleutelaar verdedigt het gebruik van rijm op historische gronden, hij vergelijkt de vijftigers met stromingen over de grenzen en acht een terugkeer naar het rijm noodzakelijk om de poëzie nieuw leven in te blazen. Kleine omissie: door de tijdschriftversies op te nemen laten zijn allerjongste vrije gedichten terdege een invloed van de vijftigers zien. Voor Schaars licht waren ze strak gemaakt en aangepast aan andere gedichten in de bundel, in de oorspronkelijke versie hebben ze weinig uitstaan met Hans Sleutelaars opvattingen over strengheid. En ze rijmen niet.

Hans Sleutelaar is minimalist pur sang: weinig schrijven en kernachtig blijven, nog meer dan K. Schippers, Martin Reints en Wim Brands in wiens werk hij sporen naliet. In zekere zin is deze verzamelbundel een correctie op zijn eerdere werk, omdat de tweede afdeling uit zijn debuut verhuisd is naar de afdeling vroege verzen, en de tweede afdeling uit Vermiste stad naar de verspreide gedichten. Dat verklaart de samenstelling van zijn oeuvre. De tijdgeest wordt zichtbaar door geen bundelversies maar tijdschriftversies op te nemen, de chronologie ook. Zo is in een bepaalde periode Sleutelaars bewondering voor zijn collega Hans Verhagen te lezen.

‘We hebben hier geen blijvende stad, / maar zoeken de toekomstige,’ citeert hij Hebreeën 13:14 en dat blijkt feilloos toepasbaar op Rotterdam. Het verwisselen van een woord als ‘nog’ en ‘weer’ geeft een andere lading aan een herinnering aan de slag om de Willemsbrug, die dag die gezien wordt: ‘nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.’ Heinkels waren in de oorspronkelijke versie Junkers, allebei zijn het gevechtsvliegtuigen. Als een hond tegen kolossen blaft en er niet langer tussen dwaalt is dat een precair verschil, al helemaal in een afgemeten gedicht van vier regels. ‘De stad bestaat in wat hij haar vertelde,’ herdenkt hij zijn vriend Vaandrager. En die stad blijkt even verderop een ‘Verzonken stad’:

De stad rust op een tweede stad, verzonken
in de zee van tijd. Van eeuwen, levensdronken
zijn harde trekken nagebleven. Hier huist een ras
dat van zijn ruigheid nooit genas. ’t Is ingeklonken.

In de tijdschriftversies van de vroege verzen klinkt de tijdgeest, hallucinatoir: ‘er groeit een exacte zon in de zon’. Als strengheid de norm is voor de selectie, valt opname van de wat loze serie ‘Observaties’ moeilijk te verdedigen. Toch is Wollt ihr die totale Poesie? een aanwinst, al is het maar vanwege niet eerder gepubliceerde vertalingen die Sleutelaar maakte van gedichten van Kurt Schwitters en Hölderlin achterin. De sterke kwatrijnen over Rotterdam beklijven bovendien. En er is een uitzonderlijk aangrijpend gedicht, ‘Biecht in de nacht’, over een man die zich voorstelt dat hij mogelijk voor het laatst naast zijn kinderen ligt: ‘Vannacht rijpt hun oordeel over mij. / Ooit moet ik hun bekennen dat / ik hun moeder niet heb liefgehad.’ En over de vrouw: ‘Mijn god, wat heb ik haar misdaan? / Verschopt, verdwaasd staart zij mij aan.’

Weinig schrijven is geen aanbeveling. Het kan tot koketterie en lamlendigheid leiden. Maar Hans Sleutelaar is strak en overtuigend in zijn keuze, zie zijn motto. Zijn samengebalde teksten dagen de lezer uit de vraag te stellen: wat is modern, wat is achterhaald, wat is uiteindelijk echt relevant?

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog