Het mooi van blauw

Zomer-IJsland V

We rijden aan de verkeerde kant van de berg. We hebben een afslag gemist en zijn terecht gekomen op de slechtst begaanbare weg van IJsland. De auto hotst over stenen, in mijn buik klotst het vruchtwater. De foetus is van schrik in slaap gevallen. We moeten om de berg heen, er is geen doorsteken aan. Ik hoor mijn schoonvader giechelen door de telefoon als mijn man vertelt waarom we later zijn.
Ook de natuur ondergaat inflatie als je er veel van hebt. Een dal zonder water vind ik nu ik in IJsland woon niet veel bijzonders, terwijl we hunkerden naar zo’n plek toen we dagelijks het Vondelpark doorkruisten. Wijs ik mijn dochter op een regenboog, kijkt ze ternauwernood op – weer een regenboog? Ik heb er vandaag al vijf gezien.

Halverwege laten we haar plassen op het potje. Ik zoek iets om achter te hurken, geen struik te bekennen, de stenen zijn laag. Ik plas over verschillende generaties lava, terwijl mijn man een uitgespreide handdoek tussen mij en de weg omhoog houdt, al zien we alleen een papegaaiduiker, clown der zeevogels, met zijn geschminkte bek.
Weer op asfalt vraagt ons kind: Waar zijn die lijnen voor?
Mijn man legt uit wat tegenliggers zijn, dat de lijnen de weg in tweeën verdelen, dat we rechts moeten aanhouden.
Ze vraagt: En als je dat niet doet, is dat dan stout?
Het land, dat relatief kort geleden boven water kwam, is zoveel jonger dan de rest van Europa dat je het gevoel krijgt terug in de tijd te reizen, naar een era waarin de wereld jeugdig was, bemost en onbewoond.
Onze dochter vraagt: Waar zijn die tegenliggers eigenlijk?
Mijn man remt, voor ons rijdt een tractor, op kop van een vertraagde stoet auto’s. De weg is zo bochtig dat niemand kan inhalen. Als een statige hofhouding rijden we achter de boer aan, de koning die niet op of omkijkt, gewend aan zijn gevolg.
Onze dochter kijkt naar de zee, ze vraagt: Is blauw mooi?
Zoals ze moet leren wat lijnen op de weg betekenen, probeert ze te begrijpen wat mooi is. Zodra ik het beaam roept ze door het opengedraaide raam: Prachtig! Want dat is wat je roept in zo’n geval. En ze vraagt: Waarom is de zee nooit rood?
Langs de kant van de weg staat een jeep geparkeerd. In de berm zien we de rug van een vrouw. Onze dochter wijst: Huilt die?
Naast de jeep staat een meisje.
Moeten we stoppen? vraag ik.
Mijn man geeft geen antwoord, stopt niet. Ook de tractor en de andere auto’s rijden door, stapvoets. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik het langzaam krimpende tableau: de schokschouderende vrouw in het mos, geen jas, haar handen in elkaar gevouwen, naast de jeep het gestolde meisje, wind in de ogen.
Ik zeg: Wil je mij antwoord geven?
Mijn man zegt: Ik hoorde je wel.
Onze dochter, seismograafje, schopt tegen de achterkant van mijn stoel, ze vraagt: Waarom huilde die vrouw?
Ik zeg: Soms huilen mensen; jij huilt ook wel eens.
Bij een houten cabine stoppen we, stappen we uit. De vloer van het huisje bestaaat uit een gemetseld bad vol water. Het stroomt vanuit een warme bron door een buis het bad in en wordt door een andere buis weer naar buiten geleid. We hangen onze kleren over haken aan de houten wand en trekken onze zwempakken aan. Ik draag een bikini omdat mijn zwempak me niet past. Het valt me op dat ik zijkanten heb. Ik hou mijn buik vast en stap in het water. De stenen bodem en randen zijn korrelig, we glijden niet uit. Een tijd staan we in de stoom te wennen aan de hitte. Als ik ga zitten reikt het water tot mijn kin. Het is half duister, er komt alleen wat licht door de uitgezaagde gaten in de wanden, licht en lucht.
Onze dochter zit in zwempak, met zwemvleugels op de rand van het bad. Ze doopt alleen haar benen in. Ook de foetus krijgt het warm, hij elleboogt op zoek naar koelte. Ik hijs me overeind. Naast onze dochter wasem ik uit.
Ze vraagt: Wat is water?
Ik zeg: Voel maar.
Mijn man zit met zijn ogen dicht in het hete bad te glimlachen.
Nat is het tegenovergestelde van droog, zeg ik en ik maak een weegschaal van mijn handen: Nat, droog. Donker, licht. Vroeg, laat. Licht, zwaar. Water is zwaarder dan lucht, daarom stroomt het over de grond, omlaag, naar zee, uiteindelijk altijd naar zee. Dat komt door de zwaartekracht.
Dat laatste zei ik per ongeluk, ik vrees voor de vraag wat zwaartekracht is.
Maar ze herhaalt: Wat ís water?
Ik prevel iets over H2O, zeg dan verslagen: Ik ga het zo in de auto googelen.
Steeds vaker eindigen onze gesprekken achter de computer.
Op de deur van de cabine hangt het geschreven verzoek of we het huisje willen achterlaten in de staat waarin we het vonden.
Buiten wacht een mororrijder op zijn beurt, zijn helm in de hand.
In de auto eten we kanilsnúðar, spiraalvormige kaneelbroodjes, mijn dochter hapt, ze zegt: Ik gaap van de honger.
Kauwend lees ik haar voor over het blauw van water: Water absorbeert rood licht honderd maal meer dan blauw licht en verstrooit blauw licht vijf maal meer dan rood licht.
Aha, zegt mijn dochter, nú snap ik het.
Ze kent de gebaren van begrip, zonder te begrijpen, ze voert een choreografie uit met een gesprek als resultaat. Zoals ze eerder de oppervlakte van materialen betastte, erop knaagde om hun vorm en textuur te onderscheiden, besnuffelt ze nu de oppervlakte van de taal door woorden in de mond te nemen. Taal is een vluchtlijn, zinnen zijn liedjes die ze fonetisch leert zingen; ze praat over morgen en gisteren, over de maan die om de aarde draait, over haar broertje in mijn buik, zonder te weten wat haar boven het hoofd hangt.
En hoeveel verder komen we zelf? We hebben de parameters in kaart gebracht, het meetbare meten we – hoe zacht we zijn, hoe lang, hoe moe, de omvang van mijn buik, hoeveel tanden we hebben, vlekken op ons vel, hoe snel we scherpstellen op het grijzen aan de slapen, de curve van de neus, de droogte van de lippen, welke kleur voedsel we in onze monden stoppen, hoe hoog onze stemmen klinken, hoeveel liter te weinig we drinken, hoe licht ontvlambaar we zijn.
Met volle mond vraagt onze dochter: Huilt die vrouw nog?
We eten zoute pinda’s.

*

Laura Broekhuysen leeft en schrijft op IJsland, tien afleveringen Winter-IJsland (alle afleveringen: één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien) lang. En nog steeds. Nu vervolgt ze met Zomer-IJsland. Lees alle afleveringen: één, twee, drie, vier, vijf, zeszeven, acht, negen en dertien. Broekhuysens bijdragen (inclusief de ongepubliceerde delen Zomer-IJsland tien, elf en twaalf) worden gebundeld in Winter-IJsland, dat eind april verschijnt bij Uitgeverij Querido. ISBN: 9789021402178.

Laura Broekhuysen, Winter-IJsland

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog