17 Augustus 2016

Geen vindersloon

Mijn vader knoopte de choker voorzichtig om zijn nek, niet te strak, want dan was het net alsof hij een halsband droeg, maar ook niet te losjes, anders kon de warmte of de waarheid hem zomaar ontsnappen. En dat moest hij niet hebben, zeker vandaag niet. Nadat hij zijn adamsappel had bedekt, stak hij zijn hoofd in het trapgat en riep: ‘Komen jullie?’ 
Ik stond al klaar, wachtend op zijn startsein. Hij had zijn lichtgroene broek aan en liep heen en weer door de gang, zijn hoofd gebogen. Op de trap klonk gestommel en gezucht: de vrouwen kwamen eraan, met iets meer haast dan ze zouden willen. Bij de deur bleef mijn vader staan en gebaarde dat we naar buiten moesten gaan. Eén voor één liepen we de voordeur door, moeder, Nina en ik. Op het grind bleven we wachten. 
‘Een momentje,’ zei mijn vader en hij liep de gang weer in. Dit deed hij vaker als we met zijn allen van huis gingen. Mijn moeder zei dat hij naar de wc ging. Dat hij dat alleen durfde als hij de enige in huis was.
‘Hoe weet je dat?’
‘Is het je ooit opgevallen dat hij er eens goed voor ging zitten? Heb je ooit geroken dat hij net geweest was?’
Ik schudde mijn hoofd. 
‘Nou dan.’

Het was een zaterdag en Boelie was al twee dagen kwijt. Ik had hem voor het laatst gezien voordat ik naar voetbaltraining ging op donderdagavond. Terwijl ik mijn voetbaltas inpakte, liep hij rondjes om me heen en toen ik de rits had dichtgedaan, keek hij me met een schuin hoofd aan, alsof hij wilde zeggen: weet je zeker dat je alles hebt? Ik opende mijn tas weer en haalde mijn hand erdoorheen om te voelen of ik mijn scheenbeschermers had ingepakt. Ik greep het harde plastic, zei dat ik alles had en keek op, maar Boelie was al weg – een afwijzing in mijn eigen domein.
Tijdens training baalde ik dat ik geen handschoenen had meegenomen. Het zandveld waarop we trainden was zo hard van de kou dat je je noppen kon horen kletteren. Nadat ik een tackel had gemaakt, voelde ik mijn dijbeen gloeien. Onderweg naar huis trok ik de broek los van mijn been, zodat het niet prikte. Maar toen ik thuiskwam en Boelie nergens kon vinden, voelde ik er al niks meer van. Ik zocht in de plastic mand tussen de schone was, waar hij graag op ging zitten als die warm uit de droger kwam, maar hij was er niet en er zaten ook geen rode haren op de kleren. Onder de bank of achter de computerkast lag hij evenmin. Ik rammelde met zijn brokjes en riep zijn naam, maar er gebeurde niets. Mijn moeder had Boelie ook niet gezien, maar dat betekende niet zoveel, want ze bladerde geconcentreerd door een modeblad en had mij ook niet horen thuiskomen.
Mijn vader zei dat Boelie wel terug zou komen, heus, zo ging dat toch altijd met katten, en anders zouden we in het weekend gaan zoeken. ‘Alles komt goed,’ zei hij, terwijl hij me omhelsde. Hij rook naar vers zweet en ik duwde mijn gezicht in zijn buik. Zo rook hij ook als hij ’s zomers in de tuin werkte en de druppels glinsterend op zijn schedeldak lagen. Als ik hem met het onkruid ging helpen, zette hij me in de kruiwagen en ging er heel hard mee rennen. Hij telde af en bij één moest ik eruit springen en dan landde ik zacht in de composthoop achterin de tuin. Daarna was ik bedekt met zand en gras en takjes, het vuil zat overal, tussen mijn haar, onder mijn oksels, in mijn neus. Soms sprong hij er dan bij en bedolf me onder nog meer tuinafval. Van mijn moeder mochten we zo niet naar binnen, want dan zou het hele huis een composthoop worden. Met de tuinslang spoot ze ons schoon. Het water was koud, maar mijn vader gaf geen kik, dus ik ook niet.
‘We zijn net bajesklanten,’ zei hij, terwijl hij zijn benen spreidde en zijn armen tegen de bakstenen muur rustte.
‘Wijder!’ riep mijn moeder.
Mijn vader keek lachend opzij en zei zachtjes: ‘Zie je hoe je moeder hiervan geniet? Ze had cipier moeten worden.’
Nu was het winter, lag de tuin er kaal bij en was de slang in de garage opgeborgen. Ik liep rondjes om het huis en zag overal ongelukken gebeuren. Op het kruispunt voor het huis reden de auto’s opeens gevaarlijk hard voorbij. Honden leken agressiever dan anders. Er lag een flinterdun laagje ijs op de sloot achter de tuin en ik vroeg aan mijn vader of Boelie daar misschien doorheen was gezakt. ‘Nee joh,’ zei hij. ‘Dat doen katten niet. Die zijn veel te slim.’
Een dag later was Boelie er nog steeds niet. Ik was alleen thuis en zocht telkens op dezelfde plekken. Ik vroeg me af of hij was weggelopen om een reden. Mijn vader had hem een paar dagen eerder een keer in de gordijnen gegooid om te laten zien dat hij dan bleef haken met zijn nagels. En ik had me uitgekleed waar Boelie bij was en had naakt door mijn kamer gebanjerd. Hij leek dat toen niet erg te vinden en bleef onaangedaan op mijn bed liggen, zijn onverschilligheid was beledigend. Ook had ik een staarwedstrijd met hem gehouden, en verloren. Wellicht had hij een ander gezin gevonden, waar men een kat gewoon met rust liet, want dat was katten het liefst wilden: niet gestoord worden, behalve als ze zelf om aandacht vragen.
Zaterdag na mijn voetbalwedstrijd was het eindelijk zover: we gingen de buurt in. Met de verrekijker om zijn nek kwam mijn vader na een paar minuten het huis uit en deed de voordeur op slot. ‘Komt misschien van pas,’ zei hij met zijn hand om de kijker geklemd. En daarna tikte hij opgewekt tegen de papieren in mijn hand. ‘Kom, we gaan die krengen ophangen.’
We belden aan bij buren en lieten een foto van Boelie zien. Ik ging op mijn knieën bij afvoerputten zitten en hoorde hoe zijn naam echode. De schaafwond op mijn dijbeen had een donkere korst gekregen, die jeukte als ik stilstond. Mijn zusje en moeder nietten A4’tjes op bomen en trokken een blikje sardientjes open, zijn favoriet. Mijn vader liep constant twintig meter voor ons uit en beloofde warme chocolademelk bij thuiskomst. Door zijn grote passen stuiterde de verrekijker telkens van zijn borst.
Het was een fijne dag. Hoewel we Boelie niet vonden, hadden we gezamenlijk ons best gedaan, voor mijn kat. Nog weken later keek ik met trots naar de verweerde vellen op bomen en lantaarnpalen in de buurt. Het aanplakbiljet had ik zelf gemaakt. Elke letter en elk cijfer had een eigen kleur – de juiste kleur. Ik had besloten er geen beloning op te zetten. Die zou de mensen in de buurt alleen maar afschrikken: ze deden het niet voor het vindersloon.

Een paar weken later, het voorjaar kondigde zich al aan met koude, blauwe luchten en een harde winterzon, was ik een boompje aan het planten in de tuin. Op school hadden ze een actie bedacht om de ontbossing tegen te gaan. Er verdwenen per dag voetbalvelden vol bomen, en dat was heel erg, werd ons verteld, want zonder bomen kun je niet ademen, en dat wilden we toch niet laten gebeuren? Iedereen kreeg een kluit mee naar huis.
Toen ik met de schop op een hard voorwerp stuitte, wist ik zeker dat het een schat was. Ik schepte de aarde weg totdat het wijnkistje volledig zichtbaar was. Met de schop wrikte ik het open. Het eerste wat me opviel was hoe heel Boelie nog was. Zijn vacht was vies en ruw maar nog vol. Zijn buik lag open en er krioelden beestjes in allerlei kleuren over elkaar. Op zijn ogen na was alles nog intact; hoektanden, nagels, de vier kussentjes onder zijn poten. Met mijn schoen duwde ik Boelie op zijn zij en toen pas zag ik de wonden. Nadat ik een tijdje had staan kijken, langer dan strikt noodzakelijk, deed ik de kist dicht en begroef hem weer. De boom plantte ik vlak ervoor, zodat Boelie in de schaduw zou liggen. In de dagen daarna praatte ik met niemand over mijn ontdekking. Praten zou niets oplossen: Boelie was dood.

Drie jaar later zat ik met Teun in de tuin te blowen en zei tegen hem dat er achter dat boompje een dode kat lag die eigenlijk weggelopen was. Ik was vijftien en hij was zestien en we waren bijna zover dat we de hele wereld hadden ontrafeld, stukje voor stukje uit elkaar gehaald en weer opgebouwd. Hij blies de rook uit, reikte me de joint aan en toen ik het stompje beetpakte, gaf hij me met zijn andere hand een klap op mijn schouder.
‘Hoe bedoel je, weggelopen?’
‘Nou, óf Boelie heeft zichzelf begraven óf iemand anders heeft het gedaan, maar het verhaal dat we vertellen is dat hij drie jaar geleden opeens wegliep en nooit meer is teruggekomen.’
‘En jij weet al bijna net zo lang dat dat onzin is?’ Dat ik dat voor me had gehouden. Als ik het niet meteen tegen mijn vader zou zeggen dat Boelie hier onder de grond lag te rotten, zou Teun het voor me doen. Hij liep vast terug naar het huis om te bewijzen dat hij het meende.
‘We hebben iets gevonden,’ zei ik de volgende ochtend tegen mijn vader. Hij zat in zijn stoel en las de krant. De grote papieren vellen knisperde toen hij ze dichtsloeg en zijn gezicht verscheen. Hij boog zijn hoofd om over zijn leesbril te kijken, zijn ogen samengeknepen.
‘Teun en ik. We waren op zoek naar de voetbal in de bosjes, linksachter mijn boom.’
Zijn adamsappel ging op en neer. Nadat hij de choker om zijn hals had gestrikt, beende hij de tuin in. Ik volgde op een paar meter afstand, probeerde hem bij te houden. Het kistje had ik zo uitgegraven dat een hoek uit de aarde stak. Hij tikte met de punt van zijn schoen tegen het verkleurde hout en zei: ‘Pak de schop eens uit de schuur.’
Dit keer was Boelie niet meer te herkennen.
Het was niet voor het eerst dat mijn vader zoiets had gedaan. Mijn zusje had het meteen doorgehad toen ze voor de gek werd gehouden, en zij was toen pas negen. Ze kwam thuis van zomerkamp, rende naar de vogelkooi en begon te schreeuwen. ‘Dat is Coco niet!’
Ik zag de schrik in mijn vaders ogen. Met een foto was hij naar de dierenwinkel gegaan. Zo’n gele wilde hij, met een vlekje op de linkervleugel.
De blik van een man die wordt betrapt herkende ik nu weer: de ogen groot, het gelaat strak, de vlugge adamsappel. En het verhaal dat hij vertelde om zich te verklaren, kwam ook bekend voor – je zou bijna geloven dat hij geen andere keus had, als je niet beter wist. Nadat mijn vader over Boelie was gereden, die in de beschutting van de rechterachterband van zijn BMW lag te slapen, ging hij snel over tot handelen: hij groef een kuil tussen de bosjes in de achtertuin, liet het hooi in het wijnkistje zitten, legde Boelie boven op het bedje, tilde het kistje in de kuil en schepte de aarde terug. Met een flinke steen markeerde hij de plek – voor als ik ooit klaar zou zijn voor de waarheid.
‘Ik ben blij dat die dag nu is gekomen,’ zei hij. En daarna werd Boelie begraven, voor de derde keer.

Dit is een bewerking van een hoofdstuk van de debuutroman van Haro Kraak, Lekhoofd, die 8 september verschijnt.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog