De redacteur als lezer. Over Au pair

Het is vermoedelijk de vraag die me de afgelopen jaren het meest gesteld is. Of ik nu op een podium zat tegenover een handvol huisvrouwen, of voor een klas stond waar dertig glazige puberogen me aanstaarden: Thomas, wie vind je de beste schrijver?
Geen idee. Dat is, zoals zo vaak, het eerste wat bij me opkomt. Geen idee wie, geen idee waarom. Mijn antwoord hangt af van wat ik op dat moment lees. Afgelopen januari had ik de neiging om voortdurend te beginnen over de kracht van de essays van de de Amerikaanse Ta-Nehisi Coates; in maart herlas ik twee romans van Elsschot en was ik ervan overtuigd dat niemand ooit zo helder had geschreven als hij; in mei wilde ik het liefst iedereen de originele debuutroman van Roos van Rijswijk aanraden. En toch, wanneer me daadwerkelijk gevraagd werd naar mijn favoriete schrijver, begon ik altijd over W.F. Hermans. Alsof ik de eentonigheid van de vraag wilde afstraffen met een eentonig antwoord. Vervolgens zei ik iets over Nooit meer slapen, over existentiële leegte, over strakheid van de stijl, een heel enkele keer iets over De Grote Drie. Ik kon het riedeltje gedachteloos afdraaien, er werd gereageerd met begripvol geknik, het onderwerp was afgehandeld, klaar, op naar de volgende vraag.

Lees hier de PDF.

Recent las ik Au pair (1989), volgens sommigen Hermans’ laatste grote werk. Ik vond het een van de saaiste, meest onbeholpen romans die ik in tijden las. Het verhaal draait om de Nederlandse Paulina, die kunstgeschiedenis en Frans wil studeren, en daarom verhuist naar Parijs om Au pair te worden. Hermans beschrijft iedere stap die ze zet – elke interactie met medewerkers van de universiteit, met haar eerste gastgezin, met de vreemde passanten die ze daar tegenkomt. Na twee dagen verlaat ze dat gastgezin en dan zijn we zeventig bladzijden verder – bladzijden die ook nog eens zo stroef zijn geschreven dat ik me afvroeg of Hermans hier echt veel moeizamer schrijft dan voorheen of dat mijn smaak gewoon drastisch veranderd is sinds ik Nooit meer slapen las. Hoe het ook zij, nagenoeg alle personages die tot die zeventigste pagina zijn geïntroduceerd komen in het vervolg van de roman niet meer terug.

Is dat erg? Niet zolang het proza de indruk wekt dat de auteur precies weet wat hij aan het doen is, welk verhaal hij wil vertellen, en vanuit wiens perspectief. Het probleem met Au pair is dat Hermans steeds lijkt te vergeten wat de rode draad van zijn roman is. Vermoedelijk was dat ook de reden waarom ik me de afgelopen tijd zo bovenmatig aan de roman stoorde, veel meer dan aan romans die enkel slecht geschreven of onovertuigend zijn – Au pair bleef wekenlang in mijn hoofd zitten omdat ik maar niet begreep wat Hermans ermee wilde. Het verhaal springt van het ene bijpersonage naar het volgende, de ene situatie naar de andere. Hoofdstukken beginnen alsof het een dagboek betreft, zonder enige doordachte structuur: ‘Pas vrij laat in de avond keerde ze (...)’, ‘De volgende ochtend kwam zij (...)’, ‘’s Morgens (...) vertelde ze (...)’, ‘Halfacht. Ze had goed geslapen.’, ‘De volgende dag (...) ontmoette ze (...)’. En zo gaat het maar door, het is alledaagse onbenulligheid zonder kern, zonder stuwende kracht van scènes – sommige hoofdstukken beslaan niet meer dan een halve bladzijde en lijken er vooral toe te dienen de eigenschappen van Paulina (haar lengte, haar onzekerheid) nog maar eens te benadrukken.
Misschien had Hermans zichzelf voor hij begon aan Au pair niet duidelijk gemaakt wat het centrale verhaal is en schreef hij daarom alles uit wat in hem opkwam. Prima, zolang er daarna kritisch naar gekeken wordt, geschrapt en toegevoegd, heroverwogen. Au pair voelt aan alsof er niets heroverwogen of zorgvuldig gecomponeerd is, laat staan serieus geredigeerd. Het riep bij mij de vraag op: wat verlang ik van een schrijver? Niet dat hij informatie achterhoudt, niet dat hij slimmer is of zich slimmer voordoet dan zijn personages. Wel verlang ik dat hij mij bij de hand neemt. Dat hij op een bepaalde manier boven zijn verhaal staat, en mij de indruk geeft dat dingen met een reden gebeuren, of juist heel bewust zonder duidelijke reden, zolang ze maar passen binnen een uitgedacht geheel. Dat hij weet wat hij wil vertellen en vooral: hoe hij het het beste kan vertellen.

AP_P1_14_gordijnen
De eerste drukproefcorrecties, via wfhermansvolledigewerken.nl.

Bij het lezen moest ik denken aan Hermans’ veelgeciteerde uitspraak: in een fictiewerk mag geen mus van het dak vallen zonder dat het een functie heeft. Een zin waar haast elke schrijver het mee eens zal zijn – de moeilijkheid zit alleen in dat begrip ‘functie’. Wanneer heeft iets werkelijk een functie? Sfeer, kan dat ook een functie zijn? En bij hoeveel sfeerbeschrijvingen wordt het overdadig – is dat niet puur een kwestie van persoonlijke voorkeur, en komt het harde, objectief klinkende woord ‘functie’ dan niet toch neer op een eenvoudige smaakkwestie?
Hermans zou vast zeggen dat die eerste zeventig bladzijden van Au pair ertoe dienen dat de onthechting van Paulina getoond wordt. Kan dat niet in minder pagina’s, en vooral in een iets strakkere structuur, met iets minder passanten en iets meer beklijvende personages, beklijvende beelden? Au pair doet aan als een feuilleton, het werk van een schrijver zonder plan. Veel hoofdstukken zijn net zo goed los te lezen als binnen het geheel. Of ze hadden tot een enkele zin gereduceerd kunnen worden om andere momenten meer nadruk te kunnen geven, om ze meer te laten zijn dan het zoveelste moment in een scenische optelsom.

Het bovenstaande laat zich wellicht lezen als een schrijfadvies, maar aan weinig heb ik zo’n hekel als aan auteurs die hun eigen gewoontes of rariteiten verheffen tot algemene wijsheden, eenvoudigweg omdat die voor hen nu eenmaal werken. Terzijde: dat is ook de reden waarom een schrijverseditie van Kijkers in de ziel zo schokkend nietszeggend is: al die auteurs die zweren bij hun kroontjespen of andere gedateerde gewoontes, alsof die noodzakelijk zijn om een verhaal te vertellen, alsof schrijven om zulke onzinnigheden draait en niet louter om het werk zelf.
In het zeldzame geval dat mij om advies gevraagd wordt, is het enige wat bij me opkomt: negeer alle adviezen, negeer elk bijgeloof, en ga vooral schrijven. Dagen, weken, jaren. Bij Au pair lijkt een heel onderdeel van dat schrijfproces echter vergeten: het herschrijven. Wellicht is dat uiteindelijk de reden waarom de roman me zo stoorde, niet vanwege de kwaliteit, maar omdat Hermans niets lijkt te hebben herzien, alsof hij dat gezien zijn reputatie niet meer nodig achtte. En omdat ik weet hoe belangrijk dat herschrijven kan zijn, hoezeer een boek of verhaal juist dan zijn echte vorm kan krijgen.
Toen ik mijn tweede roman, Stern, bij de uitgeverij inleverde, zei de redactrice die nog geen jaar daarvoor mijn debuut vol trots had laten verschijnen: ‘Ik ben niet overtuigd.’ Dagenlang durfde ik de straat niet op, zozeer schaamde ik me. Ik begreep er ook niets van: de scènes die mijn redactrice had aangewezen als zwak, daar was toch niet veel mis mee? En nee, er viel ook bij het herlezen geen kromme zin in te ontdekken, en toch werkten ze niet. In de weken die op haar oordeel volgden daalde dat besef langzaam bij me. Ik begon te schrappen, met tegenzin weliswaar, maar er sneuvelden zinnen, scènes, hoofdstukken. Niet omdat er iets mis mee was, sommige behoorden zelfs tot mijn lievelingsmomenten van het verhaal, maar in het grote geheel werkten ze vertragend. Ik had geschreven alsof ik bang was iets belangrijks te missen: ieder moment van het dagelijks leven van Stern beschreef ik, wat hij ’s ochtends ontbeet, hoelang hij na het avondeten wakker bleef, hoe zijn middagen eruitzagen. Hoofdstukken begonnen in de geest van Au pair: ‘de volgende ochtend’, ‘op woensdag gaat hij altijd’ – en pas toen ik dat werkelijk doorkreeg, toen ik de helft van de roman weggooide, ondanks de soms aardige vondsten en momenten, pas toen kwam het geheel tot leven. Toen werd het een boek.

Nadien ben ik altijd zo blijven schrijven, bij ieder fictieverhaal: met een grote nadruk op de revisie, op het schrappen achteraf. Soms is er veel herschrijfwerk nodig, soms weinig, maar altijd heb ik het idee dat een tekst pas gaat werken zodra ik hem grondig heb herzien. Korte verhalen herschrijf ik doorgaans zes, zeven keer voor ik ze aan iemand durf te laten lezen. Er zijn dagen waarop ik denk: ik kan eigenlijk helemaal niet schrijven, mijn talent zit in het herschrijven.
Sommige mensen verlangen van kunstenaars dat die zichzelf voortdurend vernieuwen. Van mij hoeft dat niet, ik heb veel liever dat een auteur verfijnt waar hij goed in is, zich een bepaalde toon of techniek meer en meer eigen maakt. Hermans’ oeuvre leek me altijd een overtuigend voorbeeld van dat proces. Hij was zo’n auteur die zijn stijl subliem beheerste en wiens werk ik weleens uit de kast trok als mijn tekst haperde. Nu betwijfel ik zeer of ik dat nog zal doen, of ik bij zijn naam niet toch altijd kort mijn wenkbrauwen zal fronsen.
Ik ben er nog steeds niet uit of Au pair een late poging tot vernieuwing is of een teken van gemakzucht – of dat ik gewoonweg iets essentieels gemist heb. Goede literatuur zorgt er vaak voor dat ik ga knikken bij het lezen, niet om de herkenning, maar in de geruststellende, soms woordeloze zekerheid dat het klopt wat ik lees, de compositie, de stijl, de personages, het geheel hoort bij elkaar. Au pair maakte me op een vreemde manier onzeker. Over opbouw. Over de kern van een verhaal. Over wat een goede stijl eigenlijk behelst. Niet alleen vroeg ik me af of ik hier iets belangrijks miste, maar ook of ik de eerdere boeken van Hermans slechts slordig gelezen heb. En of ik jarenlang mensen een auteur had aangeraden die niet boven zijn verhaal staat.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog