14 September 2016

In slechte handen

Voorproeven uit Revisor 12

Voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) schreef Merijn de Boer het verhaal 'In slechte handen', over een dubbelganger. (Meer dubbelgangers in Daan Stoffelsens Redactioneel.) Vandaag kunt u al de eerste pagina's lezen, en u laten overtuigen.

*

Naar een roman van Robbert Welagen

Op het station van Haarlem stapte ik uit. Hoewel ik in de trein was blijven zitten, liep ik tegelijkertijd over het perron. Ik droeg mijn oude versleten blauwe jas met bontkraag, waar ik zo gehecht aan was maar die ik twee jaar geleden toch maar had ingeruild voor een veel gewonere en bovendien tamelijk dure parka van Paul Smith. Instinctief tikte ik tegen het raam – zoals je zou doen als je een van je beste vrienden ziet langslopen.
Een van de voordelen van het dragen van een trouwring: je kunt heerlijk luidruchtig tegen glas tikken.
Ik schrok op van de tik. Vervolgens schrok ikzelf ook. Een paar seconden bleven we elkaar verbijsterd aanstaren. Toen klonk het fluitje van de conducteur. Ik zag mezelf snel naar links rennen.
Waar ik voor vreesde, gebeurde: helemaal aan het einde van het gangpad verscheen ik door de openzwaaiende glazen deur. Gelukkig is het maar een kort ritje van Haarlem naar Overveen. Snel stond ik op. Ik wandelde drie treintoestellen door. Toen ik niet meer verder kon, stopte de trein in Overveen.

Samen met zo’n twintig anderen wandelde ik het perron af. Het waren mensen met wie ik dagelijks op en neer naar Amsterdam reisde en die me op een bepaalde manier vertrouwder waren geworden dan sommigen van mijn vrienden. Ik keek om me heen en constateerde tot mijn opluchting dat ik niet was uitgestapt.
In eenvoud liep ik langs Klein Centraal, het tot restaurant omgebouwde oude stationsgebouw. Het terras was versierd met een plastic druivenplant en uit onzichtbare boxen klonk slechte muziek.
Ik, en alleen ik, bevond me al een paar jaar op het toppunt van mijn kracht. Ik was vijfendertig, gezond en sportief, ik had twee kinderen, een Volvo 240, een vrouw die ik nog dagelijks begeerde, drie dikke kippen en een prachtig huis midden in de natuur. Mijn schrijverschap ging voorspoedig en ik had interessant werk als redacteur op een uitgeverij en collega’s die vrienden waren geworden. Vaak, als ik na mijn werk naar huis fietste, maakte zich een euforie van mij meester. Ik keek dan naar de bossen en weilanden en dacht: mijn leven is goed!
En toch, ondanks mijn krachtige gevoel, had ik er al een tijdje op gerekend dat ik dit zou meemaken. Een aantal jaren geleden las ik De dubbelganger van Dostojevski, waarin de neurotische hoofdpersoon een alter ego ontmoet. Ik vond het een geweldig boek. Volgens Nabokov, die over het algemeen weinig goeds overhad voor de hystericus Dostojevski, was het zelfs het beste wat hij ooit geschreven had. Nabokov schreef later zelf ook een dubbelgangersroman over een neuroot: Despair, een parodie op een Dostojevskiroman. En het was verklaarbaar dat hij De dubbelganger goed vond, want dat was in zekere zin een on-Dostojevskiachtig, Gogoliaans verhaal. De ondertitel luidde: ‘Een Petersburgs poëma’. En klonk daarin niet de ondertitel van Dode zielen door: ‘Een poëem’? Ja, natuurlijk. En omdat Gogol en Nabokov mijn allergrootste helden waren, was het logisch dat ook ik De dubbelganger fantastisch vond. Het verhaal greep me naar de keel. Ik was zo verliteratuurd in die tijd, dat ik begon te anticiperen op het moment dat mij hetzelfde zou overkomen als de hoofdpersoon van Dostojevski. Ik ging erover piekeren. Waarom vindt een mens het idee van een dubbelganger zo verontrustend? Waarom verdragen we een kopie van onszelf niet? En toen zag ik drie jaar geleden Enemy, de verfilming van een roman van Saramago over een dubbelganger. Met een afschrikwekkend slotbeeld van een gigantische spin, dat me zo nu en dan nog bezoekt als ik in bed lig. Tot ik het niet meer verdraag, dat beeld van die reusachtige spin, en het uit mijn hoofd ban. Terwijl ik tot op de dag van vandaag niet weet wat die spin in die dubbelgangersfilm te zoeken heeft.
Het thema bleef me bezighouden. Afgelopen winter las ik een roman van mijn tijdgenoot Robbert Welagen en die ging óók al over een dubbelganger. En overkwam die hoofdpersoon niet hetzelfde als mij net? Hij kwam zichzelf tegen op een treinstation?
Ik passeerde schapen, koeien en ganzen zonder enige aandacht voor ze.
Maar draai alsjeblieft niet door, riep ik tegen mezelf. Ik fietste het bospad op dat naar ons huis leidde. Verval niet weer in je oude denkpatronen! Je bent heus niet in een roman van Dostojevski of Welagen beland. Je hebt gewoon net iemand gezien die op je lijkt en omdat je de afgelopen tijd jezelf volledig hebt afgemat door én hard te werken én veel te schrijven én er voor je gezin te zijn, haal je je nu dingen in je hoofd die onrealistisch zijn.
Ja, wat fijn eigenlijk dat die tijd voorbij was. De tijd dat ik zo opging in de literatuur dat de grenzen vervaagden. Ik opende het klaphek en bleef door het raam een paar seconden naar mijn geluk kijken: mijn vrouw en kinderen die aan de tafel zaten te wachten tot ik thuiskwam. Voor de tweede keer die dag tikte ik tegen het raam. Alle drie keken ze blij verrast naar me op. Wat een rijkdom, dacht ik. Wat ontzettend fijn als er zo van je gehouden wordt.

Na het eten deden we onze twee zoons (Jakob en Jakob, een tweeling) in bad en in bed. Ik las ze een stukje voor uit Bij mij op de maan, een net verschenen bloemlezing uit de Russische kinderpoëzie, terwijl mijn vrouw naar het journaal ging kijken. Toen ik weer beneden kwam, schoof ik in de keuken het gordijn opzij. Een paar weken geleden had ik op zo’n zelfde avond het raam geopend om de kamer te luchten. In het weiland, op slechts een paar meter afstand van het huis, stonden toen herten. Hun ronde ogen lichtten rood op in het donker. Langzaam kuierden ze weg terwijl mijn vrouw en ik ze vol opwinding nakeken.
Sinds die avond opende ik iedere avond het raam, in de hoop dat de herten waren teruggekomen. Maar nu zag ik mezelf in het ongemaaide weiland staan. Er hing mist over het donkere veld. Ik stond nog net binnen het bereik van het kamerlicht.
‘Dit kan niet waar zijn,’ zei ik hardop.
‘Zijn ze er weer?’ riep mijn vrouw. Ze kwam al aanhollen.
Snel sloot ik het raam. ‘Nee, geen herten,’ antwoordde ik terwijl ik het gordijn dichttrok.
Even later liep ik door de voordeur naar buiten. Ik stond nog op dezelfde plek in het weiland.

Meer lezen? Abonnees lezen hier meer.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog