, 30 September 2016

Deze week gelezen (7)

Deze week las de redactie van de Revisor Jan Willem Otten en Peter Terrin, en keek Walter Ruttmann. Deze week alleen maar lof en hoge verwachtingen.

*

Jan van Mersbergen: Willem Jan Otten, Specht en zoon

Mijn derde kind werd deze week geboren en op dezelfde dag kreeg ik de eerste 34 pagina’s van mijn geredigeerde roman terug van mijn uitgever en als die kleine jongen sliep sloeg ik het verse document vol strepen en roodgemarkeerde zinnen open en probeerde ik overzicht te krijgen: hoe zwaar waren deze suggesties? Ik had er nog niet een geaccepteerd, ik wilde eerste zien wat de bedoeling was. Daar kwam ik achter aan de hand van de begeleidende mail, die ik zes keer las, en door Specht en zoon weer eens open te slaan, de fenomenale kleine roman van Willem Jan Otten, die verteld wordt door een schildersdoek.

Scheppen en het dragen van een beeld zijn de thema’s, het afstandelijke vertelperspectief is heel bijzonder, vooral omdat toch het gevoel door de zinnen sijpelt. In mijn nieuwe roman is de verteller een paard en iedere suggestie van mijn uitgever had met dat perspectief te maken – natuurlijk. Hij schreef in zijn mail: ‘Het is wel fijnmechanisch werk van een horlogemaker.’ Dat is de mooiste fase van het schrijven, maar ook een gevaarlijke fase. Nu moet het goed gaan. Een volgende zin in de mail: ‘Als het paard minder reflecterend filosofisch onder de notenboom staat en meer als observerend, van zijn natuur [zijn instincten en reflexen] gedreven en gestuurd wordt, heb je twee belangrijke effecten.’ Die effecten kan ik hier niet noemen, wel kan ik die koppelen aan Specht en zoon.

De tekst en het perspectief van het schildersdoek roepen veel vragen op: Hoe weet dit doek bijvoorbeeld wanneer het december is, wanneer het vriest? Hoe kent hij zijn positie – liggend of staand? Boven en onder? Hoort hij zijn schepper praten? Ruiken? Kan dat doek werkelijk ruiken? Waarom praat de schepper tegen zijn doeken? Waarom vertelt het doek dit verhaal?

Buiten die vragen (die meer voor een redacteur zijn dan voor een lezer) lees ik ook gewoon een verhaal over zwanen en schilderen en iets maken, over een schepper en een ondergrond. Het is waanzinnig goed gedaan. Het gaat over de worsteling die een schilder en iedere ander schepper doormaakt wanneer hij of zij iets maakt. Het is spannend en slopend, het kan alleen wanneer je vertrouwen hebt en tegelijkertijd ben je uiterst onzeker en kwetsbaar. Precies daar gaat Specht en zoon over, maar uit de mond van de schilder zelf of een afstandelijke derde persoonsverteller zou die thematiek pathetisch worden en afdoen aan het verhaal en de kern van het verhaal. Het doek is de enige passende verteller. Hij kan ruiken, beschouwen, denken, beschrijven, en ik geloof deze verteller volledig.

Ik hoop dat mijn enige passende perspectief dat van het paard is. Dat de lezers hem ook gaan geloven. Met dat in gedachten accepteer ik de meeste suggesties van mijn uitgever, lees ik de zinnen terug, neem ik afstand en probeer ik te zien of de tekst werkelijk beter wordt. Is dit een paard dat tegen me praat? Dat is de vraag.

Uitgeverij Van Oorschot gaf Specht en zoon uit. De roman is nog goed verkrijgbaar in uw boekhandel.

Marjolijn van Heemstra: Walter Ruttmann, Lichtspiel Opus I t/m Lichtspiel Opus IV

Deze week nam ik me voor niets te lezen. De tekst voor mijn nieuwe voorstelling is af en naast al die taal zocht ik beeld, muziek, vorm. De geluidsontwerper mailde ter inspiratie een link naar een korte film van Walter Ruttmann, een Duitse cineast die begin jaren twintig abstracte animatiefilms maakte. Lichtspiel Opus I t/m Lichtspiel Opus IV. Ik vind ze betoverend, vooral Opus I. Opzwellende, rondzwevende, vallende, felgekleurde figuren. Bladeren, golven, vissen, planeten; geen idee wat het zijn maar ze hypnotiseren.

En hoewel ik niets zou lezen ben ik stiekem toch aan het lezen; essays over Ruttmanns werk en leven. Over het trauma dat hij opliep in de Eerste Wereldoorlog, hoe hij in zijn lichtfiguren een nieuwe roeping vond. Later kwam hij terecht in de nazipropaganda-films, werkte met Leni Riefenstahl en stierf terwijl hij aan het Oostfront filmde.

Maar voordat het misging waren er dus die figuren, een magische screensaver voor een prettig half uurtje staren tussen alle woorden door.   

Daan Stoffelsen: Peter Terrin, Yucca

Zondagochtend om 5.30 vloog een pand schuin achter ons huis in brand, en kreeg mijn vader een lichte beroerte. Er zijn geen gewonden gevallen, alleen de linkerachterlamp van onze auto is gesmolten, en mijn vader mag bijna van de Medium Intensive Care af. Maar het lezen ging versnipperd, trager - zelfs naast het ziekenhuisbed -, ik las minder scherp. Jullie overvallen me met jullie vraag. Maar voilà: ik lees Peter Terrins Yucca. Ik keek ernaar uit, ik ben sinds Post Mortem fan, en las stiekem al wat teleurgestelde en lyrische besprekingen. Ik ben nog niet aan mijn eindoordeel toe, maar ik kan wel de twee zaken benoemen die me tot nu toe, ik ben op een kwart, al erg bevallen.

  1. Het ene is dat Terrin teruggrijpt naar Post Mortem (AKO Literatuurprijs), en naar zijn eigen biografie: Terrins dochter werd op jonge leeftijd getroffen door een herseninfarct. Zij staat centraal in die roman, en is in Yucca inmiddels 29. Renée heet ze, een gevierd kunstenaar, en ze verwijst in het boek naar de roman, en vertelt hoe het anders liep. Dat spel kan ik wel waarderen, het geeft een extra laag aan een fictie die schurkte tegen de werkelijkheid.
  2. Het andere is dat de andere hoofdpersoon, Viktor, op mysterieuze wijze vanuit de gevangenis (hij is veroordeeld voor de moord op zijn zoon!) een nieuw leven inglijdt, een baan krijgt, vrienden. Hij vraagt zich niets af. Symptomatisch is wel de nachtelijke scène, net gelezen, waarin zijn nieuwe collega en medebewoner van het complex, een jonge vrouw, aanklopt. Het onweert. Ze praten over angst, over zijn overleden vrouw, die ook bang was (‘Maar ze was banger als het stormde. We woonden driehoog aan het stadskanaal, we woonden waar we vandaag ijsjes hebben gekocht. Als het stormde, floot de wind door het oude gebouw. Met een beetje verbeelding hoorde je ’s nachts wolven huilen. Ik had er nooit op gelet. Toen ze het gezegd had, hoorde ik het ook.’ Daarin verbindt Terrin dat geluid, een beeld, een reële angst én man en vrouw met elkaar), ze raken elkaar heel vanzelfsprekend aan. Een scène onder spanning. Dan komt ze bij hem in bed.

    ‘Lisa lag met haar rug naar hem toe, en hij liet zijn hand over haar schouder gaan, haar arm, haar heup, haar kleine billen. Hij liet haar voelen dat ze begeerlijk was, maar dat er niets zou gebeuren. Hij streelde haar in slaap en hij streelde om de pijn in zijn borst te sussen. Ze waren omringd door het geluid van stromend water, op daken, in goten, in afvoerpijpen. Met zijn arm om haar heen zakte hij door het bed en verdween in een onmetelijke duisternis.’

    Rustig, teder, omringd door het geluid, glijdt hij weg in een totaal andere, ongedachte toestand.

Athenaeum Boekhandel bracht een voorpublicatie uit Yucca. De roman is verschenen bij De Bezige Bij.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog