, 07 Oktober 2016

Deze week gelezen (8)

Peter Terrin & Mischa Andriessen, John Julius Norwich, Mohammed Shoekri en John Jeremiah Sullivan: dit is wat de redactie van Revisor las, naast veelbelovende kopij.

*

Thomas Heerma van Voss: John Jeremiah Sullivan, Pulphead

Er zijn boeken die ik steeds niet lees omdat ik er eigenlijk nooit zin in heb, hoe veel lof er ook op het omslag staat, hoe lang ze ook op mijn nachtkastje liggen. Er zijn ook boeken waarbij ik het lezen alsmaar uitstel omdat ik denk dat ze me juist heel erg zullen bevallen, dat ik er misschien wel te bevattelijk voor ben in mijn eigen schrijven, of dat ik bij het lezen het idee krijg dat mijn eigen woordengepriegel niets voorstelt. Pulphead behoorde al jaren tot de laatste categorie. Rond de (Nederlandse) verschijning in 2013 geleden ontstond er ineens een vreemd soort cultus rondom dit boek van John Jeremiah Sullivan; het werd geprezen door allerlei mensen die ik hoog had zitten en die ik verder nooit hoorde over Amerikaanse non-fictie. Ik twijfelde of dat vooral betekende dat uitgeverij De Bezige Bij goed promotiewerk had geleverd of dat het werkelijk een onovertreffelijk boek was, nergens mee te vergelijken. Om eerlijk te zijn ben ik er nog steeds niet uit.

Omdat ik deze dagen voortdurend in de trein zit - ter ere van de Duitse vertaling van mijn roman Stern mag ik komen opdraven in enkele amper gevulde boekhandels - en omdat ik niet te veel geconfronteerd wil worden met lege weilanden en mijn eigen gedachten, snakte ik naar een boek dat me zou meenemen. Ik nam Pulphead mee. Een goeie keuze, want Sullivan schrijft bijzonder aangenaam. Snel, scherp, doelgericht. Grappig, dat ook. Wat hij heel goed kan is scènes schrijven, decors met geur en kleur levendig te maken zonder dat hij verzandt in te veel uitleg. Of het nu gaat om een christelijk muziekfestival, om enkele tragische slachtoffers van Orkaan Katrina of Michael Jackson - het zijn steeds verhalen die qua onderwerp duidelijk Amerikaans zijn, niet voor niets luidt de ondertitel Berichten uit het andere Amerika - telkens neemt Sullivan me mee. Hij dwingt tot verderlezen door niet te verzanden in theoretische uitwijdingen, nee, hij richt zich juist op specifieke momenten, de kleine blikken die worden uitgewisseld, de dialogen.

Voor mijn gevoel zijn het daardoor vaker verhalen dan essays in deze bundel, hoewel dat laatste woord op het omslag staat. Natuurlijk, alles is waargebeurd, en Sullivan gebruikt ook niet zo veel fictietrucs; hij doet er bijvoorbeeld lang niet alles aan om scènes te rekken of de spanning te maximaliseren. Maar wat hij zeker niet doet is zoeken naar het grote, achterliggende verhaal; hij laat de gebeurtenissen voor zich spreken, keer op keer. Om bij het Christelijke muziekfestival te blijven ('Op deze rots', een van de langste stukken in deze bundel): gedetailleerd beschrijft Sullivan hoe zijn dagen er daar uitzien, wat hij voelt, wat zijn religieuze achtergrond is, hoe iedereen met elkaar praat. Bij een gangbaar essay zou ik na een tijdje verwachten dat er een stap naar achteren wordt gezeten, dat de auteur gaat beweren: er vinden zus of zo veel van zulke festivals per jaar plaats, dat is een toename/vermindering, dat komt door x of y, die maatschappelijke ontwikkeling heeft er mee te maken, enzovoorts. Goed, het gebrek hieraan zorgt er wel voor dat Sullivans teksten iets heel levendigs krijgen, maar soms heeft het ook iets wat tegen eenvoudig aan zit. Er gebeurde iets, iets raars meestal, en hij schrijft het behendig en empathisch op. Van mij mag de auteur in een boek als dit af en toe ook best iets theoretischer te werk gaan, wat minder pleasend: een stap naar achteren doen, bij zijn onderwerp vandaan, in plaats van alsmaar dieper op bepaalde interacties inzoomen.

Zo'n persoonlijk verhaal als ‘Rokende voeten’, waarin Sullivan zijn broer beschrijft terwijl die door een microfoon geëlektrocuteerd wordt, valt dat nog een essay te noemen, met de hele scenische opzet? (Daan Stoffelsen, kom er maar in.) [update: dit antwoordde Daan] Doet die betiteling er eigenlijk wel iets toe? Misschien zie ik het alleen als als tekortkoming omdat ik me nu al jaren heb zitten verheugen op essays. En denk ik daarom bij deze bijzonder fijne collectie verhalen steeds ook ergens: er mag nog wel iets meer uitwijding of uitleg bij - niet omdat ik werkelijk aanmerkingen heb op de inhoud, maar omdat ik maar blijf wachten op een vorm die helemaal niet komt.

De Bezige Bij gaf Pulphead uit. Zijn Amerikaanse uigever MacMillan biedt een fragment uit 'Upon This Rock'.

Marjolijn van Heemstra: John Julius Norwich, De Pausen, een geschiedenis

Op een paar heiligen en gebouwen na heb ik weinig op met de katholieke kerk en haar hypocriete dwergstaatje, het Vaticaan. Het pauselijk ambt heb ik altijd absurd gevonden: een leider die bij de gratie Gods onfeilbaar is. Onmogelijk.
Maar eerlijk is eerlijk, de huidige Paus Franciscus heeft mijn negatieve beeld aan het wankelen gebracht. Hij lacht zo lief en dat voeten wassen – ik ben er vatbaar voor, betrap mezelf soms op de gedachte dat de pauselijke traditie misschien zo slecht niet is, als het mannen als Franciscus in de schijnwerpers van de wereld zet. Gelukkig lees ik nu De Pausen van John Julius Norwich (vertaling Roland Fagel). Een boek dat mij al in het eerste hoofdstuk van alle dweepzucht geneest. De flaptekst belooft samenzweringen, leugens en intriges, en aan die belofte wordt ruimschoots voldaan. In 520 pagina’s (ik ben nog niet eens op de helft) beschrijft Norwich tweeduizend jaar godsdienstwaan, machtsmisbruik en terreur en word ik (hoe geruststellend) in mijn overtuiging bevestigt dat geloof een hoogstpersoonlijke zaak is en niet bedoeld voor grote systemen.

Minpunt is de taal, een slordigheid die al snel begint te storen, kromme zinnen, lelijke herhalingen van woorden. Misschien is het slecht vertaald, of misschien is Norwich een goede historicus maar een minder goede schrijver.
Het is wat veel, tweeduizend jaar pausen. Norwich maakt hier en daar grote sprongen, slaat wat saaie types over, maar dan nog blijft het een overload, zelfs voor iemand met een bovengemiddelde interesse voor concilies en kerkscheuringen. Waarschijnlijk is het een kwestie van doseren. Af en toe een hoofdstuk lezen en het niet erg vinden dat je na honderd pagina’s alweer twintig pausen vergeten bent.
Het is de moeite waard, niet alleen vanwege de leugens, intriges en kruistochten. Ook omdat het een prettige relativering is van ons zo gekoesterde Europese zelfbeeld. Wij hebben de tolerantie bepaald niet uitgevonden. Er komen in die vijfhonderd pagina’s trouwens ook (enkele) goede pausen langs. Liefdevolle mannen die vrede nastreefden. Maar in het licht van de volledige geschiedenis denk je dan toch vooral: wie het goed bedoelt kan maar beter ver wegblijven van het Vaticaan.

Bert Bakker gaf De Pausen uit; het is niet meer nieuw leverbaar. Enkele exemplaren bij Boekwinkeltjes. Penguin Random House biedt een fragment uit Absolute Monarchs, zoals de oorspronkelijke titel is. Dat boek is nog wel nieuw leverbaar.

Daan Stoffelsen: Peter Terrin, Yucca & Mischa Andriessen, Dwalmgasten

Dus ik las Peter Terrins Yucca uit. Het was geweldig. De sfeer van vanzelfsprekendheid in het leven van voormalig gevange Viktor - in bed met twee vrouwen, een zelfmoordenaar gered, promotie - mengt zich met die van een steeds sterkere dreiging. Kleine foutjes, de verschijningen van enge clowns, het spoor naar de moordenaar van zijn vrouw, benauwde warmte zonder onweer. (Ik dacht: Annelies Verbekes Dertig dagen, maar dan met een ruwere redder, een die in het diepst van zijn gedachten ook moordenaar is. Ik dacht: Ivo Victoria's Gelukkig zijn we machteloos, even benauwd maar minder radeloos. Ik dacht: die Murakami-vergelijkingen in de recensies, je gaat bijna denken dat de Nobelprijskandidaat wel een goede schrijver is. Ik dacht: houd op met vergelijken.)
En daarnaast die tweede verhaallijn, van de kunstenares Renée, die aanhaakt bij de eerste, de stukjes lijken te passen - tot Terrin paf boem het verhaal stopzet en je geen idee meer hebt van wat voor puzzel je eigenlijk maakte. Drie, vier grote vragen laat hij onbeantwoord, en dat vreet aan me. Terrin laat me achter in zijn universum, maar de deuren - een volgend hoofdstuk, meer verbanden - zijn er dicht. Wie wil met mij een leesclub beginnen? Wacht, De Correspondent? (Jeroen Vullings recensie in Vrij Nederland is een goede bijdrage over het boek.)

Maar de frequentie van deze rubriek dwingt, en terecht, tot telkens nieuwe dingen lezen. Nu herlas ik stukken voor een essay, heb ik een boek op tafel voor een leesrapport en ligt er bovendien opeens Paul Austers 4321 op mijn bureau (866 pagina's, 31 januari 2017, 'This is an uncorrected proof and is not for sale or quotation', sorry), dus dacht ik: pak iets kleiners, Daan. En vergeet niet jezelf uit te dagen. Poëzie. Mischa Andriessen werd voor zijn nog kleine oeuvre meermalen bekroond, schreef al voor Revisor, hij is mijn collega-adviseur bij het Letterenfonds, dus geheel onbevooroordeeld lees ik Dwalmgasten niet, ik ken zijn kritische en sociale kwaliteiten, en zijn proza vind ik sterk.

Maar ik lees weinig poëzie, ik klamp me vast aan de Eriks, Mariekes en Marjolijns van deze wereld om te begrijpen wat goed is en wat niet. Een poging, niettemin. Net als Terrin schept Andriessen verwarring, de dreiging is imminent, en de eenzaamheid is hartverscheurend. Maar het is minder licht, luchtig, dit is geen proza, dit is ernst. Neem 'Speelveld', voorgepubliceerd op Athenaeum.nl. Het perspectief ligt bij een 'je', er is een 'ze', een moeder, en de zoon keert haastig terug van het spel, om onthaald te worden door een gezelschap van soldaten (Romeinse? Ik denk het, met die 'lange hanenveren / op hun helmen, hun laarzen fel / opgepoetst met tuf en smeer' is er grond overal, en oudheid.). 'Ze kozen niet, ze waren slechts helden / in hun verschijning, sloegen om beurten / moeder en zoon.' Moeder breekt, verraadt de schuilplaats. Van wie? Ze wordt meegevoerd, de zoon blijft achter.

Een gruwelijke scène. En het eindigt erger: 'Ma zag toen kort kans om te kijken / uit haar mond de barse stem / van een agent: Ga weg alsjeblieft.' 'Ma', niet 'moeder' of 'ze', het komt dichterbij, dan dat gekke, ouwelijke 'kans zien', wel de harde alliteratie van k's, en daar de akelige transformatie van de gebroken vrouw, het slachtoffer, tot een agent (te modern bij die soldaten? Het klópt wel, en zo komt het ook dichter bij mij), een boze moeder. Het slot bevestigt de verwachting in de openingsregel - 'Ze zou boos zijn. Geen twijfel' - maar nu geladen met bijna al het kwaad dat een mens kan overkomen. Ik vind dat indrukwekkend, het raakt me. En zo gaat het voort: verwarring, dreiging, eenzaamheid, de elementen van grote literatuur, onverdund. Dwalmgasten ís geen klein boek, je moet het met mate tot je nemen, het is te zwaar anders. Er zijn, las ik, lezers die dat de dichter verwijten. Hun raad ik aan echt kleine boeken te lezen.

Athenaeum Boekhandel bracht een voorpublicatie uit Yucca. De roman is verschenen bij De Bezige Bij. Datzelfde geldt voor Dwalmgasten.

Jan van Mersbergen, Mohammed Shoekri, Hongerjaren

Herlezen is een hogere vorm van lezen. Van boeken die ik al eens gelezen heb zijn het verhaal, de setting en de karakters me bekend, evenals de toon van de verteller en de stijl van de schrijver, en pas bij herlezen komen zaken die bij de eerste keer onzichtbaar bleven naar boven, en dat zijn vaak onderliggende lagen, de beeldende en subtiele kant van proza: de manier waarop beelden aan elkaar gekoppeld worden, waarop woorden soms rijmen, een witregel die precies op de juiste plaats staat en een pagina en het verhaal in twee stukken hakt én verbindt.

Hongerjaren is een boek dat ik eens in de zoveel jaar uit de kast trek. Mijn uitgave van dit prachtige rauwe boek is van Het Wereldvenster; De Derde Spreker-serie, de vertaling van Lourina de Voogd. Het is een reeks van veelal mooie boeken die in een benauwend kader zijn uitgegeven, want het omslag vermeldt dan alleen ‘Roman uit Marokko’, iets wat in de jaren tachtig wellicht bijzonder was, de flaptekst op de achterkant sluit af met: ‘Door zijn [Shoekri’s - JvM] verhaal kunnen wij de Marokkaanse immigratie beter begrijpen.’
Het is een onthullend verhaal, het boek schept een beeld van een samenleving waar we in Holland weinig van kennen, maar dat is andersom ook zo en ik vraag me bij het bekijken van zo’n omslag altijd af of er in Marokko De Aanslag of De Avonden of Turks Fruit of Een vlucht regenwulpen zijn uitgegeven met daarop een uitleg dat het volk van Marokko door deze romans het land waar zo velen van hen naartoe gegaan zijn beter kunnen begrijpen.
Literatuur is geen schoolmelk. Ik lees deze roman als een heftig persoonlijk verslag met uitzonderlijke universele waarde. Ieder land heeft een Shoekri, ieder land heeft mensen in zijn situatie en één van hen schrijft daarover. Toen de Trust in Amsterdam voorstellingen van de Oostenrijkse cultschrijver Werner Schwab ging spelen haalden ze dé Oostenrijkse toneelrebel binnen, was het verhaal. Een vriend van me uit Wenen zei echter: Ieder Oostenrijks stadje heeft zijn eigen Schwab. Dat zal met Shoekri misschien niet zo zijn, de manier om hem te presenteren als dé schrijver via wie wij in Holland een ander land kunnen ontdekken, doet deze schrijver te kort. Shoekri is niet de Floortje Dessing van Marokko, hij is in de eerste plaats een sterke schrijver, een individu.

Shoekri schrijft direct en vaak in een heldere spreektaal.

‘Ik had vijfenzeventig peseta’s bij me. Ik pakte ze goed in en verstopte ze in de grond, vlak bij een bloemstruik, achter de bank waar ik op ging liggen. Ik viel in slaap en droomde dat mijn vader me achtervolgde. Ik voelde hoe een hand mijn broekzakken doorzocht. Zonder te bewegen keek ik door mijn wimpers heen. Hij was groter dan ik. Als hij me alleen fouilleren wilde... maar anders! Ik draaide me langzaam op mijn rug, zodat hij beter bij mijn zakken kon. Hij liep weg. Ik zag hem om de andere slapers heen draaien.

De ene droom eindigt in Tetouan en de andere begint in Tanger. Ik was nog steeds in Teouan, maar verdwaalde al in de straten van Tanger.’

Het is harde duidelijke literatuur die opvallend niet-bloemrijk is en ook verstoken van uitleg. ‘Ik droomde dat mijn vader me achtervolgde’ is het zinnetje dat terloops tussen de actie staat en dat belangrijker is dan de zakkenroller. Dat is niet Marokko, dat is het verhaal van deze man die buiten slapen moet.

Geen gedweep met Arabische vertelmaniertjes, met sprookjes en fabeltjes, er is niets dat zweeft, de honger zette Shoekri op de stoffige grond en maakte ook zijn proza aards. En een soort honger die doet denken aan een ander individualist, uit een heel ander land: Kurt Hamsun, over wie nooit gezegd wordt dat we Noorwegen kunnen leren kennen aan de hand van zijn romans.

‘Ik raapte een dood visje op, verdroogd en bedorven. Ik rook eraan. Een stank om misselijk van te worden. Ik trok het vel eraf. Vol afgrijzen begon ik erop te kauwen. Het smaakte bedorven. Ik kauwde en kauwde zonder dat ik het doorgeslikt kreeg. De puntige stenen deden zeer aan mijn voeten. Ik kauwde op de vis alsof het een stuk rubber was.’

Dit kauwen gaat nog even door. Dat is de honger van Hamsun, maar dan in een ander land. Die puntige stenen deden me denken aan legoblokjes – ieder zijn eigen associatie.

De Wereldvenster-uitgave is antiquarisch nog te koop (Boekwinkeltjes), maar De Voogds vertaling werd heruitgegeven door Jurgen Maas

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog