, 04 November 2016

Deze week gelezen (12)

Oliver Sacks, Willy Vlautin, Marja Pruis, Arjen Fortuin: de redactie las non-fictie, een roman en columns.

*

Thomas Heerma van Voss: Oliver Sacks, Musicophilia

Een boek waar ik tot kort nog nooit van gehoord had, maar zodra ik erover las, wist ik meteen: dit moet ik lezen. In Musicophilia gaat Oliver Sacks op zijn welbekende, wetenschappelijk onderbouwde en tegelijk toegankelijke wijze in op de relatie tussen het menselijk brein en muziek. De onderliggende vraag bij alle achtentwintig stukken in deze bundeling: hoe kan het dat zoiets strikt genomen overbodigs als muziek - het is niet nodig om voort te leven, er zijn mensen die hun hele leven geen noot vrijwillig horen - toch in alle culturen bestaat, en, belangrijker, in alle culturen bepaalde wetenschappelijk aantoonbare krachten heeft, en in directe zin invloed hebben op het lichamelijk functioneren.

Musicophilia is eigenlijk een uitgebreide verzameling van zulke praktijkgevallen. Sacks beschrijft bijvoorbeeld iemand getroffen wordt door de bliksem en daarna, alsof er een knop in zijn brein is omgezet, plotseling muzikaler is dan ooit tevoren, emotioneler ook. Er zijn ook juist casussen van mensen die een bepaald melodietje moeten vermijden, omdat ze anders emotioneel geheel dichtslaan. Of die bij bepaalde melodieën toevallen of epileptische aanvallen krijgen, iedere keer weer. Sacks beschrijft mensen met Parkinson of verregaand geheugenverlies die met muziek aan plots weer enigszins kunnen functioneren - mooie hoofdstukken zijn dat, dat je leest over veertigers en vijftigers die helemaal niets meer kunnen tenzij er een bepaalde symfonie klinkt, of, nog fraaier, wanneer ze zelf een bepaalde melodie neuriën: plotseling functioneren ze dan weer, en wanneer die melodie wordt afgekapt, kunnen ze prompt helemaal niets meer. Sacks omschrijft de term muziektherapie: een therapie die na de wereldoorlogen steeds gangbaarder werd, waarbij door middel van kalme muziek patiënten een betere bloeddruk krijgen, een gezondere hartslag - muziek heeft op die manier niet alleen talloze levens draaglijker gemaakt, maar ook gered.

Interessante materie, die door Sacks soepel wordt opgetekend, en gelukkig zonder al te grote woorden of conclusies: Sacks heeft het niet over 'de tijdsgeest' of 'de huidige tijd', hij besteedt bijna al zijn aandacht aan concrete voorvallen. Die verbindt hij vervolgens, vlug en overtuigend, met grotere ontwikkelingen, alleen bij die grote ontwikkelingen loopt hij vervolgens wat vast. Het gezegde luidt dat goede wetenschap vooral begint met de goede vraag - maar bij Sacks ontbreekt het vooral aan een antwoord. Zo schrijft hij na het opvoeren van de zoveelste patiënt die baat heeft bij muziek: 'Wat gebeurt er, psychologisch en neurologisch, wanneer een wijs of een jingle iemand zo in bezit neemt? Wat zijn de eigenschappen die een wijsje of een lied op die manier 'gevaarlijk' of 'besmettelijk' maken? Is het iets vreemds aan de klank, het timbre, het ritme of de melodie, is het herhaling, of is het de opwekking van bijzondere emotionele echo's of associaties?'

Bijzonder interessante vragen, maar ik heb eerlijk gezegd nog steeds geen antwoord. Sacks beschrijft vooral: kijk, dit gebeurt, bij persoon x gaat het er zo aan toe. Maar wat doet die muziek nu, wat zet het bij het brein in werking, en specifiek waarom doet een bepaalde muziek dat? Misschien zijn het vragen die niet te beantwoorden vallen. Dan had hij dat duidelijker moeten opschrijven. Slotsom: fijn boek, nog fijnere materie. (En, een bescheiden oproep: wie wel artikelen, essays, boeken kent waarin het vooral gaat over het emotionele effect van muziek op modale luisteraars, niet op patiënten - ik houd me aanbevolen.)

Sacks' boek is uitgegeven door De Bezige Bij. Op de site van de uitgeverij staat een fragment (PDF).

Jan van Mersbergen: Willy Vlautin, De ruwe weg (Lean on Pete)

Vorige week kondigde ik het al aan: ik had Lean on Pete weer uit de kast gehaald. Prachtig boek. Ik heb het al een paar keer gelezen en nu las ik het met een extra oog op de dialogen, ook dat heeft met vorige week te maken. De verteller van Vlautin verdwijnt ook in zijn dialogen, maar wat nog meer opvalt: de dialogen staan vol leugens, en juist die leugens maken de verteller levensecht, en aandoenlijk.

Er is een scène die ik vaak als voorbeeld gebruik in gesprekken over literatuur of over verteller, als ik les geef, of gewoon om uit te leggen wat literatuur kan doen. De vader van verteller Charley is door een ruit geslagen en de politie zoekt de jongen op. Hij is vijftien en staat er grotendeels alleen voor. Daarom sluit hij vriendschap met een renpaard dat Lean on Pete heet en gaat hij werken voor de baas van het paard. De politieman vraagt hem wat er zo gebeurd is met zijn vader, wat voor man het was die hem sloeg, en ook vraagt hij naar de jongen zelf. De politieman is bezorgd en wil graag dat er iemand bij de jongen is.

Pagina 64:

‘Heb je iemand die vanavond bij je kan komen slapen?’
‘Wat?’
‘Hoe oud ben je?’
‘Vijftien.’
‘Heb je iemand die vanavond bij je kan zijn?’
Ik was even stil.
‘Mijn oom komt straks,’ zei ik.

Alle lezers weten dat Charley helemaal geen oom heeft. Dat hij alleen is. Hij zegt dit alleen om van de vervelende vragen af te zijn. Die leugens zijn bijzonder sterk. Ze smeden een verbond tussen de ‘ik’ en de lezer, tussen de verteller en de lezer dus eigenlijk. En hoewel dus de verteller in deze stukken verdwijnt en de dialogen bijna derde-persoonsproza zijn, blijft de spanning erin, door de leugens.

Ik herlas Lean on Pete, en kwam er nog meer tegen. Op pagina 22, als Charley al het geld dat hij van zijn vader heeft gekregen op heeft gemaakt, het was veel te weinig want hij heeft zelfs eten moeten jatten, en zijn vader vraagt:

‘Had je genoeg geld?’
‘Het ging prima.’

Twee pagina’s verder komt de vader erop terug:

‘Ik had je meer geld moeten geven.’
‘Ik denk het wel.’
‘Het spijt me.’
‘Maakt niet uit.’

Het maakt natuurlijk wel uit, die jongen is hopeloos alleen. Het gaat hier over een jongen die zijn vader wil ontzien, zoals de vader in Cormac McCarthy’s The Road zijn zoon wil ontzien als die het pistool — hun belangrijkste bezit -  bijna heeft kwijt gemaakt. Dan zegt de vader: ‘Het geeft niks.’ Maar het geeft wel. Die bladzijden staan bol van de spanning, en hij zegt: ‘Het geeft niet.’

Op pagina 29 vraagt de baas van het renpaard — Del — wat de ouders van Charley ervan zouden vinden als hij voor hem zou gaan werken. Ook heel mooi, de moeder is er niet en zijn vader is bijna altijd op pad. het zijn antwoorden die de jongen een kans geven om juist zonder ouders te overleven. Het zijn leugens die vermeld worden zonder uitleg maar met juist veel gevoel daarachter.

Aan het begin van hoofdstuk vijf zegt de baas van het renpaard dat de jongen wel wat eten kan bestellen bij een vrouw die Mora heet en dat zij het wel op de rekening zal zetten. Nu blijken er meer personages te liegen:

‘Del zei dat ik het op zijn rekening moest laten zetten.’
‘Zei Del dat?’ vroeg de vrouw.
‘Ja, dat zei hij.’ antwoordde ik, keek rond en wees hem aan. ‘Hij zit daar bij de tv.’
‘Ik weet wie hij is,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft geen rekening. Van mij krijgt hij geen rekening.’

De jongen moet betalen voor het eten, maar heeft te weinig geld, anderhalve dollar te weinig. De vrouw schudde haar hoofd. ‘Geef maar hier.’
In dit boek bestaan leugens en barmhartigheid naast elkaar.
Iets verderop, op pagina 40, als ze gewerkt hebben:

‘Je kunt wel pauze nemen als je wil.’
‘Ik hoef geen pauze,’ zei ik.

De jongen is moe en hij verdient een pauze, hij heeft die pauze nodig, en toch zegt hij: ‘Ik hoef geen pauze.’ Ik vind dat ijzersterk.

Het voorval met de ruit en de politieman is op pagina 65, en op pagina 99 komt Charley weer een politieauto tegen. Hij loopt met een grote tv op straat en de agent denkt dat hij dat ding gestolen heeft. Charley wordt gevraagd:

‘Hoe heet je?’
‘Hoe ik heet?’
‘Hoe heet je?’
‘Ray.’

Zo staat de roman vol met leugenachtige maar mooie dialogen.

‘Wat is er met je been?’
‘Niks,’ zei ik. Ik vond mijn broek en trok hem aan.

Inmiddels weten we dat er wel iets is, maar deze verteller houdt zijn toon. Hij verdwijnt in de dialogen die hij zelf terughaalt maar ook voert hij zijn eigen onbetrouwbaarheid op, en dat maakt hem op een mooie manier juist zichtbaar.
Op pagina 115 maakt Charley zijn verteltoon nog sterker. Hij houdt de leugens vol maar komt hier, achteraf, zelf op de leugen terug. Deze Charley hield zich groot, hij wilde anderen ontzien, vooral zijn vader en zijn baas. Hij kent zichzelf, en dat zijn de beste vertellers.

‘En ga je nu huilen?’
‘Nee,’ zei ik maar ik kon er niets aan doen en het begon.

Nijgh & Van Ditmar gaf De ruwe weg destijds uit, het is nog tweedehands verkrijgbaar (Boekwinkeltjes).

Daan Stoffelsen: Marja Pruis, 'Goede mensen' & Arjen Fortuin, 'Waarom de literaire wereld best wat strenger mag zijn'

Ik las deze week twee columns. Ik ben geen liefhebber van het genre, maar dat komt door de opinion is fact free-tak, de columns die aanleunen tegen slechte moppen, rechtse opiniestukken, slordige blogs. Terwijl er ook zijn die in de buurt komen van ZKV's, recensies, essays. Dat Marja Pruis de J.L. Heldringprijs heeft gekregen, komt vast doordat ze verblijft in de literaire columnistiek. Bij haar ligt Montaigne op het bureau, en Epicurus en Enzensberger. Dat blijkt uit haar column van 28 september: 'Lange tijd had ik boven mijn bureau de opwekkende tekst hangen "du kannst, denn du sollst", of was het nu "du sollst, denn du kannst" – zo lang naar gekeken en dan toch nog de essentie kwijtgeraakt – maar inmiddels hangt er alleen nog een in kapitale hanenpoten geschreven "hou op".'
Het goede aan de columns van Pruis is de twijfel. 'Of' overheerst. En de gêne, of het gebrek daaraan. 'Ik' overheerst, zonder te storen. Want 'ik' is de enige zuivere manier om tot een oordeel te komen. Haar hyperbolen ('Ik heb er ademloos naar zitten kijken, wat mij betreft zat ik er nu nog naar te kijken. Zijn er Franse films waarin Isabelle Huppert níet de hoofdrol speelt? Ik geloof het niet, maar ik vind het niet erg.') zijn ironisch, onschuldig, ze ondermijnen de uitroeptekens elders. Aan het eind van de column, over de film L'Avenir, heeft Pruis je dan ook niet op een standpunt gebracht, maar wel in een sfeer, een losse associatie die opeens niet alleen over Pruis, maar ook over jou gaat. Het is een column zoals kunstkritiek moet zijn: persoonlijk, deskundig, en open, een literair-journalistieke bijsluiter bij oorspronkelijk werk.

Mijn lof is niet onverdacht. Pruis is wel eens mijn opdrachtgever geweest - en ik de hare. Ik mag Marja zeggen, en trouwens ook Philip, Arie, Josje, Jamal, Arjen. Dat zijn de hoofdrolspelers in de tweede column die ik las, de voorlopige conclusie van een korte polemische discussie over de integriteit van crooked Arie, de rancune van nasty Philip, en de partijdigheid van weak Jamal. (U merkt aan de cursieven: dit begint al een column te worden.) In deze volgorde na te lezen: Philip - Jamal - Philip - Arjen - Jamal.  Arjen, want hij schreef die column in NRC Handelsblad vorige week, zegt: critici, wees streng voor jezelf, vermijd de schijn van partijdigheid: 'Literair Nederland is klein, er bestaat altijd een groot grijs gebied. Maar we mogen best wat strenger zijn. In elk geval voor onszelf.' Nu heeft NRC daar nette regels voor, en De Groene bijvoorbeeld ook. Arjen roept zichzelf ook tot de orde, en Joost, die in in de ECI Literatuurprijs zit die zijn collega en goede vriendin Marja nomineerde. Dat is inderdaad ongemakkelijk, maar ondermijnt het ons vertrouwen in die prijs?

Jamal reageerde daar weer op: moralisme en populisme. Grote woorden. Maar het gaat door die column inderdaad niet meer om de poppetjes, maar om het systeem. Ondanks die regels is het blijkbaar terecht dat Philip en al die andere lezers de recensies en juryrapporten niet vertrouwen: daar zit een kliekje achter, vriendjes. De uiterste consequentie van die redenering - the system is rigged, denk ik steeds, ik voel me een populist, make criticism great again -, die nu van literaire tijdschriften en blogs een landelijke krant is ingedreven, is dat mensen literaire kritiek helemaal overslaan. En dat is zonde.

Goede kritiek, goede argumenten, goede analyse - die versterken literatuur. Ik geloof dat Philip en Jamal en Arjen dat met elkaar eens zijn - als het niet over vrienden of vijanden gaat. Philip schreef: 'Het is simpel: wie boeken relevant wil houden, moet zorgen dat het boek voorop staat, niet de recensent.' Ik schrijf nu: wie recensies en prijzen relevant wil houden, mag vertrouwen op de tekst en op de regels. Er zijn incidenten, kritisch lezen blijft noodzakelijk, maar critici zijn niet corrupt.

Kortom: zet Arie in een jury, gun Marja ook de ECI-prijs. (Want Zachte riten is zo'n roman die ook tegen het essay en de recensie aanhurkt, bijsluiter én oorspronkelijk kunstwerk ineen: 'Dan dooft het licht. Ik denk het als ik mijn sleutels niet kan vinden, en ik denk het als ik net de trein zie wegrijden. Het is wat het rijm je bezorgt: instantverheffing.')
Of Bert. Of Tonnus. Of Arnon. Of Connie Palmen. Of Martin Michael Driessen. Nou ja, gun iemand die prijs, voluit, en lees dat boek.

Marja Pruis' roman is uitgegeven door Prometheus. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog