, 15 December 2016

Deze week gelezen (18)

Wilhelm Genazio, Bette Adriaanse en Cynan Jones: de redactie las weer overal perspectief in, soepele wendingen, een vreemde, aanwezige verteller en een passende ik.

*

Jan van Mersbergen: Cynan Jones, Inham

De ontdekking van 2016 is voor mij Cynan Jones. Zijn kleine romans roepen veel vragen op over omvang, bladspiegel en waardering voor kleine boeken in de boekhandel... toch las ik zijn onlangs uitgegeven Inham, en werd weer gegrepen door de taal, door het spel met perspectief, en door de intensiteit van dit proza.

Inham heeft dezelfde bezwaren als De burcht. Ik schreef al eerder uitgebreid over het opblazen van De burcht, wat overigens klinkt als een ridderroman. Inham telt precies honderd pagina’s. Daarvan zijn er zeker twintig onbedrukt, en de tachtig overgebleven pagina’s tellen minstens zes of zeven witregels en flinke stukken wit zo maar tussen de blokjes tekst door. Een normale pagina telt dertig regels, die van Jones slechts twintig. Tweederde van de tachtig bladzijden is dus leeg. Maakt in totaal een boekje van 53 pagina’s. Wederom veel lucht, en nog een minimale omvang. Een boekhandelaar in Schiedam zei me dat zo’n dun boekje het nu eenmaal niet goed doet in de winkel. Misschien kan uitgeverij Koppernik alle kleine romans van Jones in één bundel uitgeven – dat zou beter ingekocht, en daardoor wellicht ook beter gelezen worden.

Ik besteed weer veel woorden aan lucht. Een ander klein bezwaar is de vertaling van de oorspronkelijke titel: Cove. Dat klinkt sterk en kort. Hard. Inham doet vooral denken aan een wijkende haargrens, maar dat kan met mij persoonlijk te maken hebben.

Genoeg gepiept. Inham is een uiterst sterke prozatekst. Eenvoudig verhaal: een man gaat de zee op en wordt getroffen door de bliksem. Hij overleeft het maar is gewond en weet niet meer waarom hij ging varen, hij weet zelfs amper meer wie hij is. We volgen zijn geploeter op zee, de ontberingen, de poging terug naar de kust te komen die aan de horizon te zien is, maar ver weg is.

Op pagina 30 moet de man op zee nog ontwaken na de blikseminslag. 

Hij ziet een rode brandplek door de droge laag zout op de spier van zijn onderarm, ziet de dunne lijn van zijn scheenbeen, opgezet en rood. Voelt aan zijn gezicht. Alsof hij zijn hand de vorm van iets door de verpakking heen voelt. Hij hoort het papierachtige van zijn droge lippen eerder dan dat hij het echt voelt. Hij is er vreemd genoeg van overtuigd dat als hij zijn andere oog opent hij zal zien wat er gebeurd is.

Jones speelt met de zintuigen, met waarneming, met gevoel. Net als in De burcht bouwt Jones zijn Inham op uit korte alinea’s – zoals gezegd gescheiden door ontelbare witregels. Dit is een van de langere alinea’s en ieder stukje heeft dezelfde intensiteit.

Vaag herinnert de man zich een vrouw, door Jones soms direct als jij aangesproken, alsof de lezer die vrouw is. Pagina 67:

Met haar in gedachten voelde hij de noodzaak haar zorgen weg te nemen. Hij was niet in staat zich voor te stellen dat hij dood zou gaan, maar hij was wel in staat zich voor te stellen dat hij haar achter zou laten. Haar en het kind.

De man is niet bang voor zijn eigen dood, hij denkt aan anderen. Aan de vrouw die soms in zijn gedachten verschijnt, en een kind, ongeboren nog. Vorige week hoorde ik op televisie David Bowie in gesprek met Ivo Niehe melden dat hij niet bang is voor de dood, omdat ‘de dood de enige zekerheid is die we hebben, en we kunnen er niks aan doen.’ Een flutfilosofie, vaak aangehaald door primitieve denkers die anderen buiten beschouwing laten. Jones laat zijn hoofdpersoon worstelen op zee en ook is deze man steeds verbonden met zijn dierbaren, op het land. Dat zijn de fragiele lijnen die zijn kajak naar het land moeten trekken. Daar ligt zijn hoop.

Rest nog het spelen met perspectief. Ook daarover heb ik in deze rubriek veel geschreven, altijd streng en analyserend, maar ook in de hoop dat er schrijvers zijn die mijn punten in sterk proza weerleggen – want alles is mogelijk in een roman, als de lezer het gelooft, dus ook allerlei vormen van perspectief. Jones gebruikt verleden en tegenwoordige tijd door elkaar, hij beschrijft de man in de hij-vorm, hij geeft zijn gedachten weer, de vrouw is een jij-karakter dat aan de kust wacht op haar vermiste man en de man is een hallucinerende ik-persoon. Alles door elkaar. Jones doet dat fenomenaal, want iedere sprong klopt en geen moment wordt de lezer door dat spel afgeleid of is het anders storend, het draagt juist bij aan de vertelling, en dat is uiteindelijk het enige criterium.

Vorige week plaatste ik hier een bladzijde van Graham Swift met een goed vertelde dialoog. De bladzijde hieronder is uit Inham.

Hij bevat veel lucht, drie witregels en het proza schakelt van derde persoon, cursief gedrukt geluid, een gedachte, een ik-vertelling naar de jij-vorm. Alles heel soepel en wendbaar, als net uitgepakte boetseerklei. De details zijn prachtig, het ritme is mooi. Graag meer hiervan.

Uitgeverij Koppernik gaf ook Inham uit, in de vertaling van Jona Hoek. Op Athenaeum.nl staat een fragment. 

Daan Stoffelsen: Bette Adriaanse, Post voor Rus Ordelman

Een jongen woont in een krot bovenop een flat. Hij slaapt, doet boodschappen, gaat naar de Starbucks en de Wash-O-Matic. Zijn moeder is verdwenen met haar vriend, haar pinpas liet ze voor hem achter. Dan komt er een brief, dat hij achterstallige gemeentebelasting moet betalen. Het is deze brief, deze Post voor Rus Ordelman die het romandebuut van Bette Adriaanse aan de gang brengt: Rus heeft dat geld niet, het krot mag er niet zijn, hij wordt ontruimd, hij moet gaan werken, hij ontmoet een vrouw die hem helpt... Hij moet van alles, maar hij weet niet hoe hij ermee moet omgaan. Die naïviteit (Pluk van de Petteflet dus, gekruist met Chance de tuinman uit Jerzy Kosinski's Being There), nee, die open, frisse houding kenmerkt al Adriaanses personages in deze sprookjesachtige mozaïekroman: mevrouw Blauw neemt de bus naar de televisiestudio om haar favoriete soap weer op gang te brengen, Ashraf besluit voor zichzelf te beginnen om pakjes rond te brengen, meneer Lucas overwint zijn angsten om naar de nationale herdenking te gaan, de plichtsgetrouwe secretaresse blijft nu eens thuis.

Ik moest denken aan een sprookje, met schuurvlakken van de halve DSM (trauma's, depressie) en het onrecht en de complexiteit van de maatschappij van nu, maar misschien is Post voor Rus Ordelman wel in de eerste plaats een soap. Dat sluit wel aan op een belangrijk bezwaar van me: het schematische van de personages en hun wereld. Zoals Mevrouw Blauw dwaalt door een half afgebouwd decor, haar personage Grace door een mistig landschap, een geslaagd spel met fictie, zijn de post - werkgever voor Ashraf en voor de vertelster, de postbode met de paardenstaart -, het Overal Kantoor aan het Zakenplein en zelfs het koningshuis slechts schetsen van de werkelijkheid. Alleen Starbucks bestaat in de echte wereld. Maar het soapachtige zit hem ook in krachtige korte scènes en in het mozaïekelement. Dat werkt goed. Adriaanse verrast je door personages elkaar te laten ontmoeten, elkaar te laten beïnvloeden:

‘Soms kan je de dingen niet meer negeren,’ zei de secretaresse. ‘Want het wordt alleen maar erger als je het negeert. En waarom zou je dat doen? Er is geen goede reden voor.’
‘O,’ zei Rus.
‘Je moet het heft in handen nemen,’ zei ze.
‘Ja,’ zei Rus. Hij was moe. Hij wist niet wat het heft was. Vroeger bestond hij gewoon, gleed hij door de dagen zonder reden. Maar dat was niet toegestaan. Hij deed de deur verder open.
‘Weet jij eigenlijk wat er op de verdieping hierboven zit? Op de elfde?’ vroeg hij aan de secretaresse.
‘De president-directeur van het bedrijf heeft die hele verdieping,’ zei ze. ‘Maar die zit altijd op slot.’

En dan neemt Rus de lift naar de elfde verdieping. Hij doet dus wel wat. Maar terwijl Rus het hele boek meelift met de welwillende mensen om hem heen, onderneemt de secretaresse actie, en wordt een mens. Ze krijgt een naam en de liefde waarvan ze droomde. Zij alleen al maakt deze roman de moeite waard. Leve Laura!

(Ten slotte, voor Jan: het perspectief van deze roman is eigenaardig. We hebben dus een postbode in een apartement aan de overkant die het verhaal vertelt aan een anonieme jij (ben ik dat?), en die aan het slot ook ingrijpt. Ik vroeg me lang af waarom we haar nodig zouden hebben, de scènes in de derde persoon verleden tijd kunnen goed zonder, maar het feit dat zij en dus ook jij (ik?) onderdeel is van het mozaïek, dat rechtvaardigt haar rol. En misschien is kijken, observeren wel essentieel voor deze roman. Naar de ander, maar uiteindelijk ook naar jezelf. Een mooie levensles, die geen soap je leert.)

Uitgeverij Cossee gaf Post voor Rus Ordelman uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. In Revisor publiceerden we 'De steen' (2010) en 'Persoon in rattenpak' (2014, inleiding).

Thomas Heerma van Voss: Wilhelm Genazino, Liefdeskolder

Het is zonder twijfel de mooiste boektitel die ik dit jaar tegenkwam: Liefdeskolder. En die titel alleen - in het Duits heet de roman Die Liebesblödigkeit, ook sterk maar toch een slag minder fraai - spoorde me aan deze roman ter hand te nemen. Ja, auteur Wilhelm Genazino schijnt al jaren een begrip te zijn in de Duitse literatuur, wie hem Googlet ziet een intimiderende rits prijzen staan, zijn naam is me meer dan eens aangeraden, maar dat woord Liefdeskolder trok me over de streep. Gelukkig maar, want hierdoor kwam ik op de valreep van 2016 nog een van de levendigste, meest eigenzinnige boeken van het jaar tegen.

Liefdeskolder is een overtuigend argument voor twee stellingen: 1) Een roman hoeft geen ingenieuze plot te hebben om te overtuigen. 2) De plot hoeft, zelfs als hij simpel is, niet altijd strak gevolgd te worden.

Het gegeven van de roman is krachtig in al zijn eenvoud: een man van in de vijftig heeft relaties met twee vrouwen, die niet van elkaars bestaan op de hoogte zijn. De ik-verteller wil kiezen, of nee, hij weet dat wereld van hem verwacht dat hij kiest, dat hij op den duur moet kiezen, maar eigenlijk is hij het daar mee oneens, want, zo luidt zijn redenering: een kind hoeft toch ook niet te kiezen tussen zijn ouders? Een zeldzaam egocentrische gedachte, er zit weinig empathie bij, en aanvankelijk stoorde dat me: waarom wil hij met twee vrouwen blijven als helemaal niet met ze meeleeft, hoe kan ik met hem meevoelen als hij amper affectie voelt, als hij zijn ene vrouw op pagina 13 al ziet veranderen 'van een geliefde in een verpleegster', en ook voor de andere amper een waarderend woord overheeft?

Maar algauw werd ik toch meegenomen door het hoofdpersonage. Het gaat namelijk helemaal niet om dit dilemma, het gaat niet om de twee vrouwen, nee, het gaat om hem. Om zijn egocentrische, gedachtewereld, die volstaat met vreemde, intelligente en ook komische motivaties. Zelden werd een van zichzelf vervreemdend hoofdpersonage tegelijkertijd zo innemend beschreven; 'Uit mijn antwoord maak ik op dat ik goedgehumeurd ben,' - van zulke, onderdrukt komische zinnen krijg ik niet snel genoeg.

Genazino heeft met een ik-verteller precies het juiste perspectief gekozen, we komen heel dichtbij zijn brein, en de buitenwereld zorgt eigenlijk alleen maar voor ruis: nagenoeg alle scenes bestaan uit langgerekte gedachtegolven, weinig dialoog, en de tussenliggende stappen worden ook beschreven, als ware deze roman een dagboek. We lezen hoe de ik-figuur van zijn huis naar een cafe loopt, hoe hij met een vriend in een cafe beland die hij eigenlijk helemaal niet wil spreken. We lezen hoe hij vakkundig afwisselt tussen de twee vrouwen, hoe hij zijn tijd verder vult met zijn werk als 'freelance apocalypticus': hij geeft seminars over de ondergang van de beschaving. Die worden, inclusief tuttige bezoekers in deprimerende hotellobby's, heerlijk beschreven, fnuikend en ontroerend tegelijkertijd.

'Bijna allemaal dragen ze een lichte popeline jas, een lichte linnen broek, een lichtbeige overhemd en roomkleurige schoenen of sandelen. (...) Mijn kleine kring van apocalyptici gaat uiteen. We zien elkaar straks, zeg ik en knik een paar keer. Op een plek, aan de veel te lang gedragen schoenen, waarin je de tenen ziet staan, blijkt toch hoe oud de mensen zijn. De vormloos geworden voeten hebben de schoenen van binnenuit hun vorm opgedrongen.' Met zulke gedetailleerde en scherpe observaties staat de roman vol. Dat in dergelijke passages het liefdesdilemma van de hoofdpersoon helemaal niet lijkt te bestaan, dat de rode draad geheel vergeten lijkt, doet er dan niet toe, want ik wil deze ik-verteller volgen, wat hij ook meemaakt, hoe onsamenhangend de flarden van zijn leven ook lijken.

Uitgeverij Atlas gaf Liefdeskolder in 2008 uit in de vertaling van Gerard Bussink. Het is nog te krijgen viaBoekwinkeltjes.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog