, 13 Januari 2017

Deze week gelezen (2): Thomése, Whitehead, McCarthy

Cormac McCarthy, P.F. Thomése, Colson Whitehead: de redactie las een verhaal met de juiste toon, een nieuwjaarsgeschenk van een groot stilist, en vertaalde de tweede roman van een literaire held.

*

Thomas Heerma van Voss: Colson Whitehead, De ondergrondse spoorweg

Terwijl ik voor De Groene Amsterdammer een bijzonder bewonderend stuk over Colson Whiteheads roman De ondergrondse spoorweg schreef, las ik een blog van mijn collega-redacteur Jan van Mersbergen over diezelfde roman: hij had het over 'door de hype heen prikken', en schreef onder meer:

'Met woordcombinaties als “degenen die aan haar waren vastgeketend” en “vierden de bewakers hun lusten niet onmiddellijk op haar bot” en “beide keren wisten de matrozen haar plannen te dwarsbomen” en “lagen van hun have” en “de deerniswekkende aanblik die ze bood” wordt het vertellen er niet soepeler op. Mijn criterium is heel eenvoudig: als iemand zo tegen mij praat, pagina”s lang, dan haak ik af. Je kunt het literair vinden, ik vind het erg vermoeiend. Het is alsof Sjakie van Flodder mij een verhaal over slaven in Amerika vertelt, maar dan zonder de ironie die bij het mooie en goed uitgedachte personage van Sjakie hoort.'

Wanneer iemand kritiek uit op een roman dat ik sterk vind, denk ik weleens: die heeft een totaal ander boek gelezen dan ik, die snapt er niets van.

(Vaker gebeurt overigens het omgekeerde, dat een boek wordt geprezen waar ik met de beste wil van de wereld weinig overtuigends in kan ontdekken, wat ik overigens vooral als een tekortkoming van mezelf zie - dit terzijde.) Waar de kritiek van Jan vandaan kwam, begreep ik wel: inderdaad, Whitehead schrijft wollig, soms ook plechtig, en er zijn alinea's waarin hij ronduit te veel woorden nodig heeft: te veel bijzinnen, te veel (al min of meer prijsgegeven) informatie. Hij is echt een verteller, het type auteur dat als een grootvader bij het haardvuur rustig zijn verhaal houdt - hij schrijft uit wat iedereen denkt, en springt daarbij moeiteloos tussen (de gedachtewerelden van) verschillende personages.

Dat is doorgaans niet het soort proza waar ik van houd, en toch vond ik De ondergrondse spoorweg een bijzonder sterke roman: de toon paste namelijk bij het verhaal. Dat verhaal is wat ouderwets opgezet, ook door de tijd waarin het zich afspeelt en die Whitehead met veel kunde oproept, en door het nogal klassieke verhaal. De hele roman valt eigenlijk in een zin samen te vatten, namelijk: slavin Cora vlucht, midden 19de eeuw, van een katoenplantage in Georgia en maakt daarbij gebruik van de ondergrondse spoorweg. Die spoorweg is een ijzersterke vondst van Whitehead: eigenlijk is het een geuzennaam voor alle geheime instanties en personen die in deze periode hielpen bij het bevrijden van slaven, maar hij heeft er een letterlijke ondergrondse spoorweg van gemaakt - een weg die, buiten het zicht van slavendrijvers en -jagers, allerlei staten met elkaar verbindt, via allerlei sfeervol beschreven stationnetjes. Het is een aangenaam surrealistisch element in een verder zo goed opgeroepen, ijzingwekkende werkelijkheid. Misschien zorgde die geweldige combinatie - waarmee Whitehead en een veelbeschreven periode uit de Amerikaanse geschiedenis op een unieke manier vormgeeft en tegelijk laat zien wat fictie vermag, welke magische hand het kan bieden - er wel voor dat stilistische kanttekeningen, die ook ik had, me geen moment dwarszaten. Misschien vond ik Whiteheads toon, met al zijn uitgebreide, wat ambtelijke, zinnen, ook wel helemaal horen bij deze vertelling. Niet het soort boek dat ikzelf zou kunnen (of willen) schrijven, wel het soort boek dat een diepe, diepe indruk maakt, en waarbij ik nu al weet dat ik het niet zal vergeten.

Atlas Contact gaf De ondergrondse spoorweg uit; ze brengen ook een fragment (PDF). Op Athenaeum.nl staat een overlappend fragment.

Daan Stoffelsen: P.F. Thomése, Ons eerste kind

Rond kerst en oudejaar (zonder hoofdletters, ik moet het elk jaar weer opzoeken) sturen uitgevers hun nieuwjaarsgeschenken aan relaties. Kleine, bijzonder uitgegeven boekjes die tijdschriftredacteurs onwillekeurig jaloers maken - dus dat kan wel, maar een katerntje extra niet?! -, maar wij hebben geen recht op dat gevoel, we mogen nu de prospectus voor de komende delen Volledige Werken van Hermans redactioneel vullen. Zo smokkelen we bijvoorbeeld Laura, Jente, Roos, Frederik Willem en Hannah binnen in het Nachleben van Hermans. Aan kansen geen gebrek.
Het geschenk van onze eigen uitgeverij is een facsimile van Margriet de Moors manuscript van Eerst grijs dan wit dan blauw, haar eerste roman uit 1991. Ik heb die roman nooit gelezen, misschien maar alsnog, het begint goed, met een trein en een terugblik op een voorechtelijk liefdesleven. Het is een mooie inkijk in het maakproces. De Moor heeft het handschrift van mijn moeder, al zou die dit jaar niet 75, maar 64 geworden zijn, of ze had dat handschrift moet ik zeggen, veel ouder dan 1991 is mijn moeders handschrift niet geworden.

Uit: Margriet de Moor, Handgeschreven

Maar ik wil het hier hebben over een terugblik op dat proces, het mooie, kleine Ons eerste kind. Het is het geschenk van Atlas Contact, P.F. Thoméses tweede na Schaduwkind in 2002, waar het op terugblikt. Het beschrijft dezelfde gebeurtenissen als Schaduwkind, bevat er een passage uit, en blikt terug op hoe het boek gemaakt en ontvangen werd. Er staat:

‘Het huis kwam ons vreemd voor, het leek het huis van anderen. Of nee, het was ons huis, maar dan in een herinnering, een herinnering die niet helemaal klopte. Maar we kwamen er niet meer op, net zoals je niet meer op een woord komt. Het ligt op het puntje van je tong, maar daar ligt het niet, want anders had je het wel gevonden. Gek word je ervan, van zo'n woord dat zich net buiten je bereik bevindt, vrolijk rondbuitelend in het niemandsland van de onmogelijkheden.
We zaten hier verkeerd, dat was duidelijk, in het huis dat het onze hoorde te zijn, maar dat we nu niet konden verdragen.’

Het bevat de tragedie van de ouders die thuis moeten slapen terwijl hun kind aan apparaten levend wordt gehouden, maar ook het onderzoeken dat Thomése al in Schaduwkind pijnlijk scherp deed ('Hoe heten vader en moeder van een gestorven kind?' Even verderop schrijft Thomése: 'Wanneer ben je geschikt om je kind te zien sterven?'), en het wegsluipen van de pijn via taalspel: het puntje van je tong, gek word je ervan, vrolijk rondbuitelend in het niemandsland van de onmogelijkheden. En met de J. Kessels-achtige beknoptheid van 'We zaten hier verkeerd, dat was duidelijk' terug naar het niet kunnen verdragen. Ook zo'n zin die ik aanstreepte: 'In het voorportaal van de Kinder-IC wasten wij onze handen in onschuld van een onbekend merk.' P.F. Thomése is een van onze grote stilisten.

Hij is ook een groot denker over taal en schrijven. Ik heb eens een passage bekritiseerd uit Schaduwkind, en die kritiek verfijnd in een essay (voor abonnees, sorry), en toen schreef ik: '[Deze] fictiezinnen zijn bij uitstek literair, hij mijdt amper een kunstgreep. Maar het is onnodig. Het zet me op afstand.' Dat klopt, blijkt nu. Thomése:

‘Het schrijven gebeurde ook om niet te hoeven spreken. Wie schrijft, houdt de woorden nog even voor zichzelf. De spreker levert zich uit aan zijn gehoor, de schrijver niet. In tegenstelling tot de spreker, die zich letterlijk verliest in zijn spreken, omdat hij zich met woorden en al uitlevert aan zijn gehoor, blijft de schrijver op afstand. Hij houdt zowel afstand tot zijn publiek, waar hij verre van blijft, als tot zijn eigen tekst, die hem vreemd blijft, gelijk de tekst van een ander.’

Even verderop: 'Eerst toen, in de heftigste dagen uit mijn bestaan, ben ik gaan begrijpen dat dit de essentie van schrijven is. De afstand, de afwezigheid, het onpersoonlijke.' Het is een poëtica die klopt met wat we van hem lezen, en waar ik me wel in herken. Verwoorden is vervreemden.

De Bezige Bij gaf Margriet de Moors Handgeschreven uit, en het eindresultaat, Eerst grijs dan wit dan blauw. Atlas Contact tekende voor Ons eerste kind, dat oorspronkelijk een lezing in het VUmc was, en Schaduwkind.

Jan van Mersbergen: Cormac McCarthy, Outer Dark

Een roman van een van mijn favoriete schrijvers – Cormac McCarthy – is niet vertaald in het Nederlands: Outer Dark, uit 1968. Over een jaar is dat boek vijftig jaar oud. Van McCarthy zijn flink wat romans gewoon verkrijgbaar, maar zijn debuut The Orchard Keeper en zijn tweede roman hebben het nooit geschopt tot een Nederlandse uitgave.

Ik heb het origineel gelezen, een mooi en hard en verwrongen boek, zinnen met prachtig ritme. Heel vaak pak ik het boek uit de kast en lees ik een paar bladzijden, zoals ook afgelopen week. Dan word ik weer getrokken door het proza, maar dan wil ik ook dit boek heel graag in het Nederlands lezen. McCarthy’s taal is voor mij te moeilijk, dat geef ik gerust toe. Als ik zijn romans in het origineel lees dan mis ik in vrijwel iedere zin een woord of een betekenis van een zegswijze, dan gaat het tempo eruit, dan volg ik het niet op een manier die recht doet aan dit proza.
In vertaling dus. Maar die is er niet!
Ooit belde ik met De Arbeiderspers om te vragen of ze van plan waren Outer Dark van Cormac McCarthy in hun fonds op te nemen. Ik kreeg als eerste antwoord een tegenvraag: ‘Cormac Wie?’
Het was nog voor The Road een groot succes werd, nog voor de film dus eigenlijk, en ook No Country for Old Men was nog niet verfilmd door de Coen-broers. De redacteur vertaalde literatuur moest de naam McCarthy eerst in de eigen fondslijst opzoeken, dat was destijds de status van deze grote schrijver.
Dus ik zei: ‘Laat maar zitten.’ En ik hing op.
Wat bleef: ik wilde nog steeds die vertaling. Dus ik begon er zelf maar aan. Nu ben ik geen vertaler. Ik heb niet de illusie dat ik Outer Dark op een goede manier kan omzetten naar het Nederlands. Ik begon aan mijn eigen vertaling om de roman beter te kunnen begrijpen, beter te kunnen voelen. Ik heb 8.000 woorden vertaald, en inderdaad: het boek drong beter tot me door.

Dit is het begin:

‘Ze schudde hem wakker in de rustige duisternis. Schiet op, zei ze. Hou op met schreeuwen.
Hij kwam overeind. Wat? zei hij. Wat is er?
Ze schudde hem wakker, heen en weer in het donker, verloste hem van het schreeuwende gepeupel onder een zwarte zon, bracht hem terug in een droeviger nacht, rechtop zittend en vloekend onder zijn adem in het bed dat hij met haar deelde en met het naamloze gewicht in haar buik.
Wakker uit deze droom:
Er stond een profeet op een plein met opgeheven armen naar de menigte bedelaars die zich daar verzameld had. Een delegatie van menselijke ondergang die hem aankeek met blinde ogen, omgekeerde en gerimpelde stompjes en plekken van lepra. De zon hing op het hoogtepunt van haar boog en de profeet sprak hun toe. Op dit uur zou de zon donker worden en al deze zielen zouden worden genezen van hun kwalen voordat ze zon weer te zien zou zijn. En de dromer zelf was onder deze nederigen en toen ze gezegend waren en de zonsverduistering begon kwam hij naar voren en hield zijn hand op en schreeuwde het uit. Ik, huilde hij. Kan ik genezen worden? De profeet keek op hem neer, alsof hij verrast was hem daar te zien tussen zulk uitschot. De zon wachtte. Hij zei: Ja, ik denk dat jij misschien genezen kan worden. Toen trok de zon krom en het donker viel als een gejuich. De laatste draaddunne rand schoof weg. Ze wachtten. Niets bewoog. Ze wachtten een lange tijd en het werd kouder. Boven hen hingen de sterren van een ander seizoen. Er ontstond onrust, gemompel. De zon kwam niet terug. Het werd koud en nog zwarter en stil en sommigen begonnen te huilen en sommigen smeekten maar de zon kwam niet terug. Nu werd de dromer bang. Stemmen klonken tegen hem. Hij zat vast in de menigte en de stank van hun lompen vulde zijn neusgaten. Ze werden kwaaier en opstandiger en hij probeerde zich te verbergen onder hen maar ze kende hem, zelfs in die kuil van hopeloze duisternis en ze stortten zich op hem, gewelddadig schreeuwend.’

Ergens hoop ik dat volgend jaar dit boek in vertaling kan verschijnen. Ik zal moed verzamelen om weer contact op te nemen met De Arbeiderspers. Gewoon vragen of ze hier iets in zien, en dan met een echte vertaler.

De Arbeiderspers geeft McCarthy in het Nederlands uit; Pan MacMillan in het Engels. Op hun site staat dit fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog