, 27 Januari 2017

Deze week gelezen (4): Berger, Claus

John Berger, Hugo Claus: de redactie (her)las de veelstemmige spreektaal van een Vlaamse klassieker en de ironische hartstochtbespiegelingen van een groot Engelsman.

*

Jan van Mersbergen: Hugo Claus, De geruchten

Twintig jaar geleden won Hugo Claus met De geruchten de Libris Literatuurprijs. Twee zaken die in De geruchten gecombineerd worden heb ik altijd zelf in een roman willen verenigen: het platteland en het exotische. Mijn eerste opzet voor een volgende roman, die pas in 2019 zal verschijnen, herbergt beiden. Destijds las ik de roman en werd ik vooral gegrepen door de eenvoudige en toch veelzeggende taal. Nu herlas ik hem. Het boek is even sterk gebleven.

Een hele rits ik-vertellers doen stukje bij beetje het verhaal uit de doeken van René Catrijsse, die lange tijd in Afrika zat. Hij is opeens terug in het dorp. Het koloniale verleden van België samen met het onveranderlijke platteland. Destijds was De geruchten voor mij de Vlaamse As I Lay Dying, de roman met dezelfde opzet van William Faulkner, die vijftien vertellers een gezin laat beschrijven die hun overleden moeder terug naar haar geboorteplaats Jackson brengen. De dochter is zwanger, de vader is vooral bezig met zijn nieuwe kunstgebit, een van de zonen is niet helemaal lekker in zijn hoofd.

Wat Faulkners roman niet heeft: een wij-verteller. In verschillende hoofdstukjes die ‘wij’ heten laat Claus het volk aan het woord. Tristan Egolf deed dat in Lord of the Barnyard, over het fictieve plaatsje Baker, vanuit een groep vuilnismannen. In deze stukjes van De geruchten heerst de geest van Vlaanderen, zoals Lambiek van Suske en Wiske afgeeft op het bestuur, de kerk, de belastingen, voetballen en wielrennen, jongeren, en het café.

‘Wij zitten in De Doofpot te wachten tot de mis uit is en de vrouwen terugkomen van de jaardienst van Félicien zijn moeder, wij hebben geen zorg aan ons hoofd tenzij de voetbalmatch van vanmiddag, de kwaliteit van het West-Vlaams bier die snel achteruitgaat met al hun chemisch gepruts, de verkiezingen, maar we gaan u daarmee niet lastigvallen, wij worden geregeerd door een professor als eerste minister, meer zeg ik niet, tenzij ge de gemeenteverkiezingen bedoelt, in dat geval moet ge alleen maar onthouden dat Willem Naessens als burgemeester dieënveertig hectaren landbouwgrond omgetoverd heeft in bouwgrond, Jezus in Cana met zijn water-in-wijn kan daar niet aan tippen, meer zeg ik niet, tenzij ge mij vraagt of meneer Cantillon een serieuzere kandidaat is, waarop ik u recht in uw gezicht zeg dat het allemaal een pot nat is, en de normale doorsneemens geraakt niet tot bij de pot, vandaar dat de jonge gasten tegenwoordig zo rebels zijn, zie ze daar eens staan bij de jukebox met hun lang haar en hun losse hemden en hun werkmansbroeken met verkleurde gulpen, waar gaan we naartoe als ge van achteren het verschil niet meer ziet tussen een jongen of een meisje?’

Claus zijn Vlaams is spreektaal. Niet het bloemrijke krullerige Vlaams dat tegenwoordig door veel lezers gezien wordt als literatuur, hogere kunst, het summum. Deze taal is de taal die mijn ooms op zondagochtend in Brabant op de koffietafel legden, waar na de koffie meteen de flesjes bier kwamen te staan. In Claus herkende ik destijds de taal van mijn familie, ook die taal had literaire kwaliteit, en dat gaf me vertrouwen om te luisteren naar de stemmen van mijn familie en niet naar de schrijvers en dichters in Amsterdam. In mijn volgende roman wil ik zo’n stem als basis.

De Bezige Bij gaf De geruchten uit.

Daan Stoffelsen: John Berger in Revisor

Het zou een strategie kunnen zijn om een archief te doorgronden, of een boekenkast, of de wereldliteratuur: bij elk overlijden het - nu dan toch werkelijk afgeronde - oeuvre ter hand nemen. Om te beginnen met de stukken in Revisor. Zo zou Robert Ankers overlijden afgelopen week me drijven naar de DBNL; al zijn tijdschriftwerk is beschikbaar, bijna uitsluitend poëzie in Revisor, meer essayistiek in Tirade. Maar ik kan de dood niet bijhouden. Ik ben nog bij Berger. Begin deze maand schreef ik over zijn Raster-bijdragen, die staan vrij toegankelijk online. Dat geldt niet voor de Revisorstukken, die moesten uit het ijzeren archief komen.

(Dat was bij Querido een iets te lage kelder vol met kasten die net genoeg ruimte lieten voor een slanke dertiger om te passeren. Alle titels van de uitgeverij stonden er, alle drukken. Een grot vol schatten. De Revisors stonden en lagen achteraan. Bij De Bezige Bij ben ik nog niet binnen geweest, onze redactiesecretaris vervulde de rol van Ali Baba.)

In 1984 publiceerde de Revisor in het derde nummer 'Boris', in de vertaling van Leonoor Broeder. En in 1986-6 staan 'vijf verhalen en essays', weer in de vertaling van Broeder. Onder andere 'De verhalenverteller', dat zeven jaar later in Raster zou verschijnen in Nicolaas Matsiers vertaling. Broeder heeft het in de Revisor-vertaling over een 'shuttle', waar Matsier het over een 'schietspoel' heeft - en dat laatste vind ik net iets begrijpelijker: 'De beweging van het schrijven lijkt op die van een schietspoel: steeds weer nadert hij en trekt terug, komt dichterbij en neemt weer afstand.'

Hier zou ik het willen hebben over 'Een avond in Straatsburg', waarvan ik de vorm zeer kan waarderen. De ik is in Straatsburg naar een bioscoop geweest; hij wil een filmscenario schrijven en denkt daartoe na over het wezen van hartstocht. Ik weet niet of het Bergers bedoeling is, maar die gedachten gaan langs me heen: 'Met al diegenen op wie we niet verliefd zijn hebben we teveel gemeen om verliefd te worden. Hartstocht wordt alleen gevoeld voor het tegenovergestelde. Hartstocht kent geen kameraadschap. Maar hartstocht kan dezelfde vrijheid verlenen aan beide geliefden.'
Ik las Plato liever om zijn ironie dan om zijn grote woorden. Maar door dit gefilosofeer te plaatsen in zijn avond in Straatsburg, krijgt alles een bepaalde glans. Een serveerster, met 'lang haar, de kleur van stro', komt in een ander licht te staan, en langzaam tonen omstanders hun erotischer insteek. Als hij het station in loopt, stuit hij op wie Tommy Wieringa in zijn verhaal 'Dromen van Teresa' 'de ankers van de grote Europese stations, die kathedralen gewijd aan beweging' noemt, 'de mensen die nergens meer heen gaan', de zwervers. Ze zoeken de warmte op, Berger denkt door:

'Hartstocht streeft ernaar de wereld van de natuur in de liefdesdaad te betrekken. De liefde willen bedrijven in zee, vliegend door de lucht, in deze stad, op het land, in het zand, met bladeren, zout, olie, fruit, in de sneeuw, enz., is niet het zoeken naar nieuwe stimuli maar geeft uitdrukking aan een waarheid die onverbrekelijk verbonden is met hartstocht.'

Dit is ironisch. Toch? 'In deze stad' kan ik niet anders lezen: Straatsburg als opwindend podium voor de liefdesdaad? 'Met bladeren', 'zout'? Dat is geen hartstocht, dat zijn fetisjismes. Maar het kan gekker, platter:

'Op weg naar de uitgang staat de man met de rode pet stil om zijn broek op te trekken die tot halverwege zijn heupen is afgezakt. Hij gespt zijn riem los en trekt verscheidene overhemden en een hemd omhoog. Zijn buik en torso zijn getatoeëerd. Hij wenkt me. Hij is dik, zijn huid ziet er onverwacht zacht uit. De tatoeages zijn voorstellingen van paren die op diverse manieren de liefde bedrijven, hun contouren zijn zwart, hun seksuele organen rood.'

Hartstocht!

Deze Revisors zijn niet meer verkrijgbaar. Wel Tommy Wieringa's Vrouwen van de wereld, een bundeling van zijn reisverhalen met vrouwen erin, dat bij De Bezige Bij verscheen.

twee reacties

Lukas De Coster

Beste Jan, beste Revisor,

Heerlijk om bevestigd te zien dat Claus nog steeds gelezen en herlezen wordt. Zelf beschouw ik hem als het hoogtepunt van het Vlaamse proza.

Het is een Nederlands fenomeen Claus te prijzen voor zijn ‘Vlaamse taal’. In Vlaamse opstelletjes zou je dat minder snel lezen, omdat het ons enigszins natuurlijk overkomt. Maar omdat er in Vlaanderen (alsook in Nederland) dezelfde traditie is van het prijzen van de spreektalige Multatuli, kan en wil ik het niemand kwalijk nemen. Het is nu eenmaal zo, dat deze fenomenen grootse zaken voor onze vaderlandse Literaturen hebben gerealiseerd, niet enkel op vlak van stijl.

Waar ik het moeilijker mee heb is de vereniging van ‘het platteland en het exotische’, waarover u het hebt. Als De Geruchten één zaak niet realiseert, is het een vereniging van het platteland en het exotische. Au contraire, zou ik zeggen: De Geruchten bekritiseert des Belges folle et lourde voor hun onwetendheid en naïeve passiviteit ten aanzien van de koloniale problematiek. Alle dorpelingen zijn onwetend als het aankomt op Afrika: “Vertel me eens. Kunnen negers eigenlijk goed met geld omgaan?”.

België was laat in het erkennen van zijn koloniale wandaden, zeker als we vergelijken met Nederland. Claus in Schrijven of Schieten (Auwera, 1969): ‘De Vlaming wordt gehandicapt door zijn zelfgenoegzaamheid. Hij denkt nog altijd dat hij ver komt door gewoon te vertellen wat er in zijn parochie gebeurt. […] Als het politieke zaken betreft wordt er slechts een mindere graad van intelligentie in het werk gesteld. Ook bij politici trouwens.”. Dat zijn precies de Vlamingen die in de Doofpot vertoeven. Het zijn mensen die niet verder kijken dan hun neus lang is, laat staan dat ze in staat zijn om te ‘verenigen’ met het exotische.

Het exotische is het andere en brengt dan ook alleen problemen voor de Vlaming in De Geruchten. Om diezelfde reden verdenken ‘Wij’ René Catrijsse ervan een ziekte te hebben opgelopen en het dorp besmet te hebben – een stelling die door de lezer niet bevestigd, noch ontkend kan worden.
Wat vast staat, is dit: René Catrijsse is een antichrist, die verderf brengt in Alegem , de zoon van duivelin Alma Moens en God, Hij die op Untermenschen jaagde. Misschien is het een straf voor Alegem van Claus; een straf voor onze onwetende zelfgenoegzaamheid, een straf voor het weigeren van een vereniging tussen het volske en het exotische?

Mijn korte reactie, die zo veel onbelicht laat, ligt niet in lijn met de grootsheid van De Geruchten, maar ik weet zeker dat me dat vergeven zal worden. Verder wil ik u nog veel succes wensen met uw roman en de thematiek die u voor ogen hebt!

Lukas De Coster, - 27-01-’17 16:50
Jan

Dank voor je reactie Lukas, ik zie die pas heel laat, excuses daarvoor. Ik ben blij met het Vlaams van Claus dat zo erg lijkt op de taal van mijn familie, geenszins het Vlaams dus waar de Nederlandse letteren en lezers mee weglopen. En onder het ‘verenigen’ bedoel ik niet het samenbrengen of erkennen van problemen, maar het samenbrengen van die twee in één roman. Dat doet Claus zeker. groet! Jan

Jan, - 08-03-’17 16:03
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog