Deze week gelezen (8): Zweig, Olyslaegers, Evers

Stuart Evers, Jeroen Olyslaegers, Wim Boevink en Stefan Zweig: de redactie las een verhaal in welgekozen perspectief, een roman als een rotsblok en een boek als een waarschuwing.

*

Daan Stoffelsen: Wim Boevink & Stefan Zweig, De wereld van gisteren

Omdat ik mijn leestijd bijna uitsluitend aan het jurywerk kan besteden, heb ik mijn abonnement op mijn ochtendblad op vakantiestand gezet, en moet ik de dagelijkse dosis Pieter Geenen missen en elke halve week Wim Boevink. Diens 'Klein verslag' is een ode aan het kleine, ook als het om het grote gaat. Boevink is belezen, hij volgt het nieuws en ziet details, en dáár schrijft hij dan over. Is Stefan Zweig een detail? Wel de manier waarop hij en zijn echtgenote gevonden werden, na hun zelfmoord, in het Braziliaanse Petrópolis. 'De politie vond ze liggend op hun smalle bedden, Stefan Zweig lag op zijn rug en had voor zijn sterven nog een stropdas gestrikt; Lotte Zweig lag met haar hoofd op diens schouder. Op het nachtkastje een fles water en een glas.'

Boevink pakt De wereld van gisteren (1944) erbij, waarvan ik de Privédomein-uitgave (1990, vertaling Willem van Toorn) gekocht heb, en niet gelezen. Hij citeert Zweig over de gelukkige tijd vóór de Eerste Wereldoorlog, en dan: 'Zulke zinnen lees je bij Zweig, dit was het licht dat overschaduwd zou worden, omdat die energie in 1914 uit zijn voegen zou barsten in een gewelddadige ontlading. En ik las in die beschrijving van dat lichte Europa het Europa van nu, en begon de schaduw te vrezen.'

Nu ik. Al in de Inleiding begin ik droevig te knikken, als ik doorblader naar 1933, wordt het erger, een spasme van engagement neemt het over bij woorden als deze: 'Een mens kan moeilijk dertig of veertig jaar van innerlijk geloof in de wereld in een paar weken opgeven.' Concreter:

'Men ziet: al de monsterachtigheden als boekverbrandingen en schandpaalfeesten die een paar maanden later al tot de dagelijkse feiten hoorden, waren een maand na de machtsovername van Hitler zelfs voor mensen die de wereld kenden nog absoluut ondenkbaar. Want het nationaalsocialisme hoedde er zich in zijn gewetenloze misleidingstechniek wel voor zijn doeleinden in al hun radicaliteit te laten zien voordat het de wereld gehard had. Dus oefenden ze hun methode voorzichtig: steeds een kleine dosis en na die dosis een kleine pauze. Steeds maar een enkele pil en dan een ogenblik afwachten of die niet te sterk was geweest, of het geweten van de wereld deze dosis nog kon verdragen.

[...]

Er werd bijvoorbeeld niet meteen een wet afgekondigd - dat kwam pas twee jaar later - die onze boeken verbood; in plaats daarvn werd eerst een behoedzaam experiment opgezet om te kijken hoever men kon gaan: de eerste aanval op onze boeken werd toegeschreven aan een officieel niet-verantwoordelijke groep, de nationaalsocialistische studenten.'

Moeten we de aanslagen op en bedreigingen aan het adres van joodse organisaties in de V.S. zo zien? Zal het zo gaan met moskeeën en korans als hier een radicaal-rechtse partij macht krijgt? Hoe dan ook: het tegengif is kleine doses Zweig, Orwell, Huxley, etcetera. Opletten, onderstrepen, uitspreken.

Boevink schrijft elke donderdag tot en met zaterdag in Trouw. De wereld van gisteren is in Privédomein te verkrijgen van De Arbeiderspers en in de pocket van Rainbow.

Jan van Mersbergen: Jeroen Olyslaegers, Wil

Week na week las ik boeken die erg dun waren, en tegelijk opgeblazen, en vol met witte pagina’s en witregels, soms met een functie, soms zonder enige functie waardoor het storend was, nu las ik een boek waarvan de eerste zeven pagina’s een massief blok tekst waren, op een minieme inspring na, bovenaan de tweede pagina. Het boek: Wil, van Jeroen Olyslaegers. Vlaming. Het duurde erg lang voor ik door dat rotsblok heen was, alsof ik moest hakken met een beitel. In het rotsblok voert een oude Vlaming me mee door een besneeuwd Antwerpen, als het sneeuwt moet hij gaan wandelen, de witte stilte in, en tijdens die wandeling vertelt hij zijn herinneringen aan de oorlog, waarin hij een dubieuze rol had die me doet denken aan hoofdpersoon uit de film Riphagen.

Dat schakelen tussen het heden in de sneeuw en het oorlogsverleden doet Olyslaegers heel natuurlijk. Het enige dat mijn leestempo hinderde was het gebrek aan lucht in de tekst. Het is ook nooit goed, hoor ik u denken, en dat klopt want kleine bezwaren zullen altijd meer aandacht krijgen dan grote pluspunten, het minste of geringste dat mijn leestempo verlaagt is nu eenmaal bezwaarlijk en bovendien is de bladspiegel van een roman een van de meest ondergewaardeerde onderdelen: hoe die lijntjes en die zinnetjes ogen zo op een dubbele bladzijde, dat eerste gezicht, is heel bepalend. Heeft natuurlijk veel meer te maken met mijn eigen situatie, met een klein kindje dat hier niet wilde gaan slapen en de televisie die aanstond, maar een dominante tekst met iets meer lucht sleurt mij door het verhaal heen, en nu moest ik aan de slag, met kindje, televisie of deze roman.

Bij Olyslaegers roept het rotsblok dus in eerste instantie weerstand op, maar ik hakte en beukte en klopte me erdoorheen en hij nam me mee Antwerpen in, met een zwierige maar toch nergens overdreven bloemrijke en daardoor holle taal waar veel Vlaamse schrijvers op terugvallen, en die ervaring was prachtig.
Wil staat als een huis, of misschien steviger nog, als een rotswoning.

Die ouwe verteller doet trouwens zijn verhaal heel bewust, en dat is in het begin ook storend, want net even iets te vaak voegt hij aan zijn verhaal toe: ‘Het zou kunnen van wel. Maar ik ga niet ineens al mijn kaarten op tafel leggen. Lees verder en het zal allemaal duidelijk worden.’ Zat ik net in het verhaal, liep ik net mee aan de hand van die oude, voelde ik net mijn schoenen ook door de sneeuw gaan, moet hij me er weer op duiden dat het maar een vertelling is en dat alles straks helder zal zijn. De lezer wordt toegesproken, krijgt een paar bladzijden verder zelfs een leeftijd: ‘Een paar jaar voor uw geboorte had ik al eens overwogen om mijn ervaringen te boek te stellen. Ik zal u vertellen hoe dat kwam. We zijn in 1993.’

Van de lezer een karakter maken, hem kneden en vormen terwijl die lezer net aan het rotshakken was, dat neemt ruimte weg want aan het begin van de jaren negentig studeerde deze lezer net in Amsterdam, en nu moet ik van deze verteller een twintiger worden die minder meegemaakt heeft en minder weet, eigenlijk wordt het verschil tussen verteller en toehoorder kunstmatig groter gemaakt, en in mijn geval valt dat nog wel mee maar als de generatie van mijn ouders dit leest dan moeten ze zich tijdens het lezen plots gaan inleven in een van hun kleinkinderen. Daar kan ik zonder. Maar toch, ik las verder en ook dat vormen van de lezer doet Olyslaegers heel sierlijk en zelfbewust en ergens ook in dienst van het verhaal, van de façade die deze verteller opwerpt om zijn rol in het verleden te verhelderen en te vertroebelen tegelijk, want dat is het spel dat Olyslaegers in Wil speelt, en dat is mooi gedaan.

Het is even hakken en kneden maar uiteindelijk neemt dit boek alle bezwaren weg en heeft Jeroen Olyslaegers met zijn derde roman die begint met de letter W, na Wij en Winst, een indrukwekkend boek afgeleverd.

De Bezige Bij gaf Wil uit. Een fragment is te lezen bij Athenaeum Boekhandel.

Thomas Heerma van Voss: Stuart Evers, Het zit in de familie

Het openingsverhaal in Stuart Evers verhalenbundel Het zit in de familie heet ‘Lakelands’ en begint als volgt:

'De mannen werd verzocht te stoppen, hun gereedschap neer te leggen, te komen luisteren. Hij hoorde en zag het vanaf de top van de heuvel, vanwaar hij uitkeek op de bouwplaats: het fluitsignaal - vingers in de mond - van de ploegbaas, zijn handgebaren, de machines die geleidelijk stilvielen. Hij keek naar zijn vader, die als laatste stopte en zijn handen afveegde, zich als laatste aansloot bij de mannen die zich verzamelden in stilte. Zo herinnert hij zich hem: kleren nat van het zweet, onhandig sjokkend, verontschuldigend traag. Een blik waaruit, zoals zo vaak, een diepe verontrusting spreekt. Geen geluid van staal tegen baksteen, geen draaiend cement, geen aarde die wordt opgegraven. Alleen het kader van stilte om hem heen.'

(Een alinea die ik het liefst geheel had geciteerd in mijn De Groene Amsterdammer-bespreking deze week, maar u begrijpt: voor zulke lange citaten is het moeilijk om ruimte te maken. Wie benieuwd is naar mijn oordeel over de bundel als geheel, verwijs ik wel graag door naar de desbetreffende bespreking.

Het is een prachtig begin, dat me dwong verder te lezen en zelfs nu, terwijl ik het verhaal inmiddels van begin tot eind ken, weer direct deze wereld intrekt. Wat ik vooral goed vind: hoe Evers op een heel terloopse, vanzelfsprekende manier een heel uitgebreide wereld introduceert. Ten eerste is er dat stel mannen, die hij meteen treffend (die 'vingers in de mond'!) als een groep afschildert die taken krijgt toebedeeld (stoppen, hun gereedschap neerleggen, luisteren - kortom: orders opvolgen). De vader van het hoofdpersonage behoort tot die groep, hij doet immers ook wat hem wordt opgedragen, maar tegelijkertijd is het meteen duidelijk dat hij enigszins een buitenbeentje is: hij sluit zich later aan dan de rest. En dan is er ook nog de observerende 'hij', wiens rol geheel onduidelijk is, maar de scène meteen in een breder perspectief plaatst: waarom kijkt hij hiernaar? Doet hij dit stiekem? (Ja, blijkt later in het verhaal.) Doe hij het vaker? (Wederom: ja.) Is het enkel voyeurisme, of schuilt er meer achter? (Dat laatste.) En dan is er ook nog de laag tussen deze handeling zelf, in het verleden, en het terugblikkende ik, die nu terugkijkt en zich zijn vader (fraai) herinnert. Waarom kijkt het personage? Waarom denkt hij er nu aan terug?

Wie schrijft in de verleden tijd, en wie daarnaast gebruik maakt van een (reflecterende) verteller in het heden, maakt het zichzelf vaak onnodig moeilijk, want het roept allerlei vragen op (waarom nu, waarom dit perspectief, waarom deze herinnering) die de auteur min of meer verplicht is te beantwoorden. Bij Evers blijkt echter algauw duidelijk dat hij heel bewust heeft gekozen voor een specifieke toon en perspectief. ‘Lakelands’ is een verhaal dat de verplichtingen van de fraaie opening stuk voor stuk inlost, met subtiele terzijdes, plotselinge tijdssprongen, geweldige details en wendingen die je niet ziet aankomen maar die toch geheel logisch aanvoelen. Slotzin: 'In het licht van de zomerzon die door de wolken brak kon hij zich nergens verschuilen.'

Uitgeverij Podium geeft het werk van Stuart Evers uit. Een fragment uit de oorspronkelijke, Engelse versie van 'Lakelands' is te lezen bij uitgeverij PanMacMillan.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog