05 Mei 2017

Deze week gelezen: Welsh, Van Warmerdam

Jan van Mersbergen: Irvine Welsh - Trainspotting

Voor anderhalve euro kocht ik Trainspotting, dat onderop de stapel lag en dat ik deze week las. Tevens een boek waarvan ik de verfilming ken, maar ik had Trainspotting al een keer gelezen, aan het einde van mijn studie toen het net verscheen, in tegenstelling tot Shutter Island, dat ik pas las nadat ik het laatste uur van de film zag. De eerste twintig bladzijden van Trainspotting, om precies te zijn van bladzijde 11 tot en met 33, zijn briljant. De verslaafde Mark Renton, Rentboy, wordt goed neergezet en heeft een mooie passende opgefokte vertelstem. Welsh speelt het de verteltijd, wat past bij de karakters en hun kuren. Hij schiet heen en weer van tegenwoordige naar verleden tijd, en weer terug. Je moet de tekst echt goed herlezen om te kunnen volgen hoe Welsh dat doet, zo natuurlijk is de vertelling.

‘Nu nam ik een shot,’ staat ergens op bladzijde 18, maar even verderop: ‘Ik sta op het punt om...’ dus er is ergens overgestapt op de tegenwoordige tijd. Maar waar? Dat zoek ik graag even op. Verder op bladzijde 19 ‘Niemand noemt me ooit Mark’ en ‘Ik scoor wat spul van Johnny’. Zo zuiver als stuifsneeuw, deze shit, zegt hij.’ en dan plots gevolgd door: ‘Dat betekende dat het niet al te erg versneden was met giftige troep. We moesten maar weer eens opstappen.’ In de beschouwing over het versnijden grijpt Welsh de verleden tijd en daarin gaat de scène verder. Dat vind ik bijzonder sterk gedaan. Na die verleden tijd kom je ergens halverwege weer de tegenwoordige tijd tegen: ‘Kelly woont in de Inch.’ Waarna hij vertelt hoe moeilijk dat per bus te bereiken is.

En toch... Het tempo en die wisselingen van die eerste paar hoofdstukjes verliezen al snel hun kracht als er cursief gedrukte ‘Junk dilemma’s’ uitgeschreven worden, best goed geschreven maar ze onderbreken het verhaal en ergens ook de vertelstem, want die is in die stukjes poëtischer en net iets te beschouwelijk. Daarna komen andere junks aan het woord en wordt de toon vermoeiend. Het kut en kanker en lul heb ik dan wel gezien. Alleen al op pagina 24: kutkloot, trut, oude kut, zeiken, ouwehoeren, kutchauffeur, gelul, godverdomme, kanker, sterf de moord, ouwe schimmelkut, egoïstische zelfingenomenheid, kreng, slijmerig geblaat, ouwe teringzakken, ouwe hufter, lullen, kat z’n kut, teef, godverdomme, kankercellen, ouwe wijf... Al die scheldwoorden verpakt in een vermakelijk en zeer vlot geschreven betoog over een oude vrouw die de bus in de richting van de dealer ophoudt, zo denken junks, maar het is ook vermoeiend. De voorspelbaarheid is vermoeiend, want je weet: op de volgende pagina gaat-ie ook zo tekeer, als zijn pet zo staat. Ik wil niet overgeleverd zijn aan de verteltrant van een junk. Ik weet wel dat hij zo denkt, en ik voel geen compassie met hem. Dat was toen ik studeerde anders, toen was die toon er een van bravoure, van kracht, van herrie. Nu is het bellen blazen. Het doet me niks.

Het boek wordt net zo vermoeiend en hijgerig en irritant als ware junks zijn: op zichzelf gericht, totaal verblind. Knap dat de toon van een roman zo gelijk kan lopen met de inhoud en de karakters, jammer dat ik daardoor het boek al snel weer onderop de stapel schuif. Boeken kunnen je vrienden worden, net als mensen. Maar kies dan bij voorkeur geen junkies uit. Ze stellen je teleur.

Thomas Heerma van Voss: Vincent van Warmerdam - De Plectrumfabriek

De Plectrumfabriek: tot vorige week had ik nog nooit van deze roman gehoord, ik wist ook helemaal niet dat componist Vincent van Warmerdam fictie schreef, maar dit boek kwam min of meer toevallig op mijn pad. Een aangenaam toeval: het is een van meest innemende, toegankelijke Nederlandse romans die ik in tijden las. Het draait om Wessel,  de jongste zoon van een gezin dat net verhuisd is naar een winderig havenstadje. Het verhaal dat daar volgt heeft een klassiek coming-of-age-gehalte: geen al te afgebakende plot, maar allerlei gebeurtenissen met ouders, met leeftijdgenoten, met het zoeken van een plek. Gewoonlijk houd ik niet zo van boeken over opgroeiende kinderen, maar Van Warmerdam heeft een erg aangename verteltoon gekozen. De roman wordt nergens sentimenteel, nergens te langgerekt of ingewikkeld, nee, het verhaal is ingetogen en doelgericht geschreven, en staat vol scènes die ik in hun eenvoud niet snel zal vergeten.

Het beste vind ik de momenten waarop het jongensachtige aspect van het verhaal heel duidelijk naar voren komt. Bijvoorbeeld bij de beschrijvingen van het ouderwetse theater (filmhuis) waar Wessels vader werkt. De decors die daar staan en worden afgewisseld, de groepsdruk van leeftijdsgenootjes die eisen dat Wessel hen gratis naar binnen smokkelt. Of, ook bijzonder treffend: hoe opgroeiende jongens tegen elkaar praten, met die vreemde combinatie van nieuwsgierigheid, levenslust, onervarenheid en ook angst - dat levert prachtige scènes en zinnen op, zoals wanneer Wessel met zijn leeftijdgenoten Ad en Henry bedenkt zelf een toneelstuk te gaan schrijven. 'Er is nog geen stuk, maar ze beginnen alvast met het oefenen van het zoenen. Omdat er geen meisjes voorhanden zijn oefenen op elkaar. Ze nemen het zeer serieus, drukken hun monden tegen elkaar en duwen hun tong bij elkaar naar binnen.' Het zijn heerlijke zinnen, Reviaans p de beste manier mogelijk, en ook zinnen waardoor ik niet anders kon dan doorlezen.

Aanrader, dus, alleen lijkt het alsof De Plectrumfabriek nauwelijks is geredigeerd. Misschien komt het doordat ik zelf nu een boek aan het afmaken ben en dus permanent kijk naar veelvoorkomende woordjes, kleine stilistische slordigheden, herhalingen. En dan zie ik hier, bijvoorbeeld aan het begin van hoofdstuk twee, dat op de eerste vijf bladzijdes wordt maar liefst zes keer het woord 'voortdurend' gebruikt. Dat kan natuurlijk, het is niet iets om uitgebreid bij stil te staan, maar het vestigt wel de aandacht op de verteller en dat trekt mij, al is het kortstondig, even los van het verhaal, ik begin me af te vragen wie aan het woord is en waarom, waarom hij zo vaak hetzelfde zegt, enzovoorts. Soms krijgt de verteller sowieso iets te veel de overhand en hanteert hij woorden die niet bij de jonge Wessel passen - op de openingsbladzijde gaat het bijvoorbeeld over 'een schuldbewuste stilte'; wat betekent dat? Even later denkt Wessels moeder 'de minachting van haar zonen te voelen en dat houdt de zenuwen gespannen': ik kan me daar geen enkele voorstelling bij maken, en het hele perspectief lijkt hier plotseling naar de moeder te springen. Het haalt me even uit het verhaal. Terwijl De Plectrumfabriek juist een boek is waar ik geen moment uit wilde verdwijnen, het liefst wilde ik alleen maar doorlezen over deze wonderlijke wereld van Wessel.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog