Het verhaal van de boom

Schrijfdagboek uit de rivier

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller. Voor Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek.
Vandaag de vijfde aflevering: over vertellers, betrouwbaarheid en een boom.

(Lees ook deel 1: 'Begin', deel 2: 'Frederik', deel 3: 'Roman vs thriller' en deel 4: 'Er gebeurt niks.')

Een van mijn favoriete verhalen is het verhaal van de boom. Het is nooit opgeschreven, voor zover ik weet, het is een verhaal dat verteld moet worden en het is mij een keer verteld door een vriend, en ik vertel het graag door, als de gelegenheid zich voordoet. Die vriend en ik leunden samen op een hoge tafel bij een café aan een pleintje. Hij vertelde me van een boom die in het bos stond en zich daar helemaal niet lekker voelde, tussen al die bomen die allemaal hetzelfde waren en daar maar wat stonden, de hele dag. Dus toen er een tovenaar langs kwam die zag dat die ene boom niet gelukkig was in dat bos vroeg die tovenaar aan de boom: Maar wat zou jij willen? En de boom zei dat hij heel graag ergens zou willen zijn waar iedereen anders was en iedereen vrolijk, waar hij zichzelf kon zijn zonder al die andere bomen in dat saaie bos, en het liefst zou hij zichzelf versieren met een heleboel vrolijke balletjes aan hangertjes, aan al zijn takken.

De tovenaar wist daar wel raad mee en sprak een toverspreuk uit, en de boom was weg uit dat bos, en mijn vriend vroeg: En waar denk je dat die boom toen beland is? Ik wist het niet en mijn vriend zei verder niks meer, hij wees alleen de boom aan die midden op het pleintje stond met aan zijn takken ronde ballejes, een plataan met zaadballetjes. Die boom had daar de hele tijd al gestaan en de verteller van dit verhaal wist dat. Met zijn vertelling trok hij de boom uit het bos, trok hij de werkelijkheid uit het verzonnen verhaal, trok hij mij in het verhaal. Ik bedankte hem, voor dat mooie verhaal en denk nog vaak aan hem als verteller, ook bij het schrijven van mijn eerste thriller.

Toen die thriller verschenen was werd er op Hebban een buzz uitgeschreven: honderd lezers kregen de thriller opgestuurd en als tegenprestatie moesten ze een recensie over het boek schrijven. In een van de recensies stond: ‘Dit boek was even wennen want het heeft een verteller.’
Ik denk dat de recensent bedoelt dat in dit boek een van de personages tevens de verteller van het verhaal is, want zo zit het in elkaar. De meeste thrillers zijn in de derde persoon geschreven en dan is er natuurlijk ook een verteller (de schrijver zelf) maar die speelt geen rol in het verhaal. Alwetende verteller, zo werd dat vroeger bij Nederlands genoemd, door leerkrachten die persoonsvorm gelijkschakelen met hoeveelheid informatie en kennis dat een verteller heeft.

Ik heb de laatste maanden gemerkt dat thrillerlezers behoefte hebben aan een verteller die weet hoe het zit en die de lezer gaat vertellen hoe het zit. Dat is de enige zekerheid van een thriller, van sommige thrillers dan. Daarom zijn de meeste thrillers ook in het afstandelijke vertelperspectief van derde persoon verleden tijd geschreven. De schrijver is dominant, hij doseert, neemt de lezer aan het handje mee, laat de lezer sidderen van angst – want dat is toch ook het doel. In feite gaat het om onzichtbare vertellers. Een film waarbij je vergeet dat het allemaal in scène is gezet en gefilmd. Dat zijn de beste films, dat zijn de beste thrillers.
Ik wil spelen met dat element, vooral omdat juist een verteller die deelneemt aan het verhaal en dus een ik-persoon wordt, de lezer veel sterker en dwingender kan sturen.

Mijn ik-figuur in Dagboek uit de rivier is een schrijver. Zijn naam noem ik nergens, maar de laatste zin (‘Ik begon te schrijven’) verklapt misschien wel dat deze ik-persoon dezelfde schrijver is als de schrijver van de thriller die ik – ook om deze reden niet voor niets – onder pseudoniem publiceerde. Deze schrijver weet van een aantal scènes erg weinig; hij heeft erover van de vrouwelijke hoofdpersoon gehoord, op een middag aan de picknicktafel voor zijn huis, maar soms weet hij er echt niks van en dan probeert hij zich een voorstelling te maken van de gebeurtenissen, zoals de slaapkamerscène met de vrouw en haar vriend, die bovendien de uitgever van de schrijver is.

Dat is ingewikkelder dan het lijkt. Ieder boek heeft nu eenmaal een verteller, en dit boek speelt met een onbetrouwbare verteller die invloed uit wil oefenen op de gebeurtenissen, en dus op wat hij vertelt. Dat hebben afstandelijke derde-persoonsvertellers niet.

In een eerste versie hanteerde ik wel zo’n derde-persoonsverteller. Het was me niet spannend genoeg, of eigenlijk: niet onbetrouwbaar genoeg. Een verhaal dat door een figuur verteld wordt die zelf een rol speelt en die zelf wensen heeft met betrekking tot de gebeurtenissen, is spannender. En in een thriller zoek je spanning.
Ook voor mijn nieuwe thriller koos ik in eerste instantie een derde-persoonsverteller die ik na een eerste aanzet van 12.000 woorden een ik-verteller maakte. De hoofdpersoon heet Leon.
Het beginpunt van de thriller heb ik her en der tijdens lezingen al wel verklapt, op internet durf ik dat niet. Waar het hier om gaat is de vraag: Op welke manier kan deze verteller de lezer meenemen in zijn eigen verhaal, dat wellicht helemaal niet klopt?
In welke tijd moet hij het verhaal vertellen? Hij vertelt achteraf, maar moet ik me daarom houden aan de verleden tijd? Dat zet de vertelling iets verder weg, verder van de lezer af. Dus koos ik voor een tegenwoordige tijd terwijl alles al gebeurd is. Bijzondere vorm en ook een bijzonder vermakelijke vorm, die vaak bij het vertellen van moppen wordt gebruikt. ‘Lopen er twee oenen op straat,’ zegt mijn dochter van negen dan. Of het bekende: ‘Komt een vrouw bij de dokter...’ Dat vergeten mensen wel eens, maar dat is eigenlijk het begin van een mop.
Een verteller die lekker uit zijn woorden komt of een verteller die hapert, die angstig is om te vertellen? Die informatie achterhoudt? Dat zijn opties. Een verteller die weet wat er allemaal gebeurd is maar die zelf doseert en misschien wel iets heel anders vertelt, dat vind ik mooi. Voor mijn nieuwe thriller zoek ik zo’n stem, van een jongen die achteraf het verhaal terug haalt en in de historische tegenwoordige tijd zijn verhaal doet, een term die mijn thrillerredacteur me uitlegde. Als een mop.

Het verhaal van de boom heb ik inmiddels al zo vaak verteld dat ik het hier wel op kan schrijven en vast kan leggen, ook al is het een vertelling die het beste werkt als er ergens in de buurt een boom staat. Tijdens carnaval in Venlo stond ik op een gegeven moment vlakbij een boom waar wite slingers in hingen, op de Parade. Ik sprak een oude vriend en begon over het bos en de boom die zich verveelde en die heel graag ergens wilde staan met allemaal witte slingers aan zijn armen. We hadden de tijd en ik maakte er een lang verhaal van en toen het bijna afgelopen was en de vraag kwam waar de boom nu is, wees ik hem de boom met de witte slingers. Hij piste bijna in zijn broek.
Zo een verhaal vertellen, in logische stapjes, met het achterhouden van informatie, spelend met de werkelijkheid, is iets wat in een thriller heel goed kan werken. Een boom verzinnen en opvoeren en vervolgens echt laten zijn. Zo vertellen is ook een streven om de lezer aan het handje mee te loodsen, langs spannende gebeurtenissen, maar wel steeds aan het handje, veilig.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog