Schatzalp

Voorpublicatie uit De kuur

In Revisor 15, nu te koop, schrijft Emily Kocken over de totstandkoming van haar nieuwe roman, De kuur, en hoe ze omgaat met haar personages: 'Fictief bloed vergieten'. Vandaag publiceren we voor uit haar boek bij wijze van satellietverhaal.

*

Ze waren er hun hele leven vol van. Na hun aankomst bij het hotel renden ze meteen naar boven.
‘Ik ben op de toverberg!’
Magische berg der bergen. Ze waren eindelijk aangekomen. 
Onervaren stumpers, met tranen in de ogen. Armen wijd, de weerstand brak, het gemoed liep over. Of dat huilen was. Sijpelen van gletsjerstroompjes langs haar steile wanden. Aarzelend zochten ze hun weg van haar top tot diep in het dal, het water was koud met menselijke lichaamswarmte vergeleken. Haar rotsen, hun huid. De stenen, het hart.

Graag mocht de berg zich over de sterveling verbazen. Hoe deze over schoonheid dacht, zijn projectie van wat perfectie voor hem zou móéten zijn. Hij sleepte van alles mee. Naar haar. Naar boven.
‘Naar de bergen.’
Hij kwam bepakt met vragen. Wat werkelijkheid, wat waarheid was, iets spiritueels als troost. Ging wat hij in de bergen vond zijn voorstellingen te boven? Oversteeg realiteit zijn stoutste dromen? Zag hij verwachtingen ingelost, snel, voor zijn eigen ogen?
Soms wilde ze het weten maar meestal liever niet; hoe menselijk verlangen eruitzag wanneer het materialiseerde. Ze hoorde iemand gejaagd over ‘triggers’ praten alsof zij schuld had aan alle opwinding. Voor haar was natuurverering net zo belangrijk als een storm in een glas water, een hoop gedoe over niets. Maar de mens. Tschumpel.
Eeuwige sneeuw op ongenaakbare bergtoppen. Wakker worden in de zuivere natuur. Zich voelen als herboren. Vrij zijn om te lopen waar hij wilde, veilig op aangelegde paden. De Alpen, boegbeeld van universele idealen. En zij, de alp der Alpen, een literaire krachtplek. Maar in wezen was ze meer, o, majestueuze bergformatie.
‘Koester ons aan uw granieten boezem,’ hoorde ze eens iemand zeggen. O, oermoeder van Moeder Natuur. Waren ‘berg’ en ‘alp’ in mensentaal woorden van het mannelijk geslacht, en leidden de duizelingwekkend hoge toppen tot groteske fallische metaforen, zij voelde zich met recht regentes, krachtig, machtig, feminien, haar invloed op de menselijke natuur was onbetwistbaar, met zijn veranderlijke fenomenen. Verwarrend androgyn.
‘Ich liebe der Zauberberg.’
Ach ja, de toverbergtoeristen. Hun torenhoge verwachtingen, de rugzak vol bagage van een onbepaald gewicht. Ze wilden het niet weten: was zij concreet een berg, de toverberg was fictief.
Een dilemma dat haar verwarde en verscheurde.
Ondanks de vele eeuwen die ze erop had zitten, viel het met de jaren zwaar om mensen, neen, erger nog, de mensheid, te verdragen. Onverschillig blijven, misstappen verduren.
Weerstand bieden aan de walging, hen niet verafschuwen om wie, nee, wat ze waren. Mens.
In de winter leed ze onder de drukte, het vertoon van onbekwaamheid op de pistes. Ze deed haar best om ruimhartiger te zijn. Accepteren dat de mens ópleefde door contact met haar besneeuwde oppervlak. Verborgen oude wonden.

Gelukkig was van skiën op dit moment geen sprake. Juni. Het aantal mensen dat een bezoek aan de vallei bracht, was gering. Schotse schoolkinderen met bedrukte rugzakjes.
‘I Love My Magic Mountain.’

Bergbewoners roemden hun levenslange band met de bergen maar waren zuinig met hun woorden. Hoe groter een groep des te meer complimentjes het regende.
‘Wie schön ist es hier.’
Zelden wist een uitroep het triviale te ontstijgen. Toch klonk het haar als muziek in de oren.
‘Gaaf!’
Een woord dat ze een meisje vandaag hoorde gebruiken. De harde keelklank anders dan het Zwitserduitse ‘geil’.

Ze kon genieten van de verschillende aankomsttaferelen. De wandelaars die de Thomas Mannweg naar boven namen. Braaf alle borden met De Toverberg-citaten lazen. Sportievelingen, voor wie het lopen pas begon na de Berghotel Schatzalphorde. Zich zonder morren in de kabelkar lieten proppen als sardientjes in een blik.
Vroeger liet men zich in wintertijd stijlvol per slee vervoeren, wanneer de sneeuw haar lichaam in een wit kleed van kristallen kleedde. In de ijsvrije seizoenen trokken paarden de wagen omhoog, over de zandweg vol wendingen. Wee de reinbereisden, de maagdelijke status van hun visitatie. Begin twintigste eeuw, dat waren nog eens tijden. Steenrijke zieken, overspannen halfgezonden, die voor het eerst dit oord met ontzag betraden. Door wie waren ze voorbereid op de vergaande gevolgen? De inwijding gebeurde als ze tot de (on)gelukkigen behoorden. Gedwongen om te blijven. Een geheim, versleuteld, ontsloten. De omstandigheden wonnen van kuren en medicijnen. Het leven en de dood.

‘Viens, maman! C’est très joli ici.’
Positief waren bezoekers in het begin altijd. Kinderen verveelden zich een beetje.

In de loop der jaren veranderde de manier waarop de mensen over haar spraken. Twee jonge mannen stapten rond, de air van kosmopolieten.
‘Let’s rank this mountain.’
‘This is not just a mountain. This is the magic mountain.’
‘Are you saying she’s above ranking?’
‘She? Are we talking about the same mountain? Die Jungfrau is the one that I would call a she.’
‘That’s a different region, my friend. Many people who visit this place happen to disagree. The Magic Mountain is like a mother to them.’
‘I find this hard to belief. Let’s rank this magic mountain just like any other.’
‘Did you read the book?
Der Zauberberg?’
‘Not really, no.’
‘What do you mean?’
‘I started but never found the time to finish.’

Gisteren arriveerde een nieuwe groep bij het hotel. Drie mannen, een vrouw, een meisje. De vrouw was zwanger. Ze keek verdrietig. Het meisje boos. De jongste van de mannen, een jongen nog in zijn hele doen en laten, spookte rond in de eerste nacht. Een somnambule. Hij bewoog langzaam naar de gang, alsof magnetische wanden aan zijn armen trokken. De ogen had hij dicht wellicht, dat kon ze niet goed zien. Hij zou zomaar eens naar buiten kunnen lopen, en ze wilde niet weten wat hem dan kon overkomen, de onnozele hals.
Ze wist dat het vertrek van mensen meestal via deuren ging.
Uitzonderingen daargelaten. Dan blies de nachtheraut op zijn klaroen. De sterren schaamden zich heel even voor hun glans.
Iemand sprong.
Van het balkon, uit het raam, vanaf de hoogste verdieping (de fraaiste, had ze van horen zeggen.) Ze kon weinig doen. Machteloze toverberg. Meteen doodgaan lukte zelden. Dronken valpartijen had ze zien gebeuren, de ongelukkige vaak met het glas nog in de hand. Dronkaards vielen meestal met de monden open, een springer sprong verbeten, de mond een harde streep.

Wie wilde niet weten waarvoor het was, de geul onder de ramen?
Hij besloeg de hele achterkant van het hotel. Breed was hij en meters diep.
Een slotgracht wanneer hij met water werd gevuld. Ooit gooide een kind een kussen naar beneden, en hij bleef weken liggen op de bodem van de geul, niemand die ernaar taalde, kussens genoeg daarbinnen. De geul, wat een uitvinding, handige vluchtweg, een open souterrain. Vaak reden camions af en aan om van alles en nog wat aan en af te voeren. Dingen om te eten, planten, dieren, kruiden. Boter, olie, melk.
Spullen voor de mensen in de keuken om mee te kunnen koken. Ze werkten voor de gasten, sommigen dag en nacht. Een heerlijk gezicht op het eind van de middag, in de loop van de avond, de keukenmensen in het wit. Ze liepen heen en weer, tilden een deksel van een pan.

Stoom trok langzaam naar een kier van een open raam. Soms kreeg hij het voor elkaar om haar te bereiken. Meestal was zijn tijd te kort en probeerde hij zijn boodschap via een ander medium door te geven. Communicatieve trajecten. Ze sloten niet altijd even goed aan, net als in de wereld van de mensen.
Ze begreep niet alles van wat haar uit alle hoeken van het sanatorium kwam toewaaien sinds zijn oorspronkelijke bouw van ruim een eeuw geleden. Soms werd het haar te veel, de mens en zijn verhalen. Verdriet kende ze zonder het als een oude matrone te koesteren; de dood van zieken en benauwden had ze met lede ogen aanschouwd.
Sentiment was voor kiezels, de kneuzen, miljoenen had ze afgestoten, vreemde elementen. Ze had last van innerlijke spanningen, een groeiende, destructieve wens, die ze verzweeg. Ach. Was de grote finale gekomen dan zorgden natuur en kosmos voor de rest. Met de mens, zijn bondgenoot, zijn kleine, aardse helper.

Een man schreef een boek over het leven en de dood. Over haar, de berg. Zijn vrouw werd ziek en hier in Davos verpleegd. Hij sliep weken in een schrijvershuis en bezocht een sanatorium hierboven, een statig gebouw, nu berghotel, geliefd bij toeristen, gevreesd door de bevolking. Telkens wanneer hij zijn armen in aanbidding naar haar had uitgestoken, vroeg zij aan de wind om hem een end op streek te blazen. Toen ging hij terug en was haar taak volbracht.
Hij had gesproken met doktoren en gegeten met patiënten en notities gemaakt in een schrift.
Dat hij beroemd was, wist ze niet. Maar had ze geweten van zijn faam, dan nog had hij van haar geen betere behandeling gekregen.
Hij wandelde, stond vaak stil, midden op de weg, later naar hem vernoemd, met zijn hoed en zijn stok, een intelligente, trotse man. ’s Nachts was hij een gedwee mensenkind dat liefjes staarde naar de maan. Hij sliep met de gordijnen open.

(De gecursiveerde zinnen en woorden zijn rechtstreeks citaten uit De Toverberg, Thomas Mann, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2012. Vertaling Hans Driessen.)

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog