Moeder en vader

Schrijfdagboek uit de rivier

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller. Voor Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek.
Vandaag de zesde aflevering: over de beperkingen van een thriller-dagboek en over familiebanden.

(Lees ook deel 1: 'Begin', deel 2: 'Frederik', deel 3: 'Roman vs thriller', deel 4:  'Er gebeurt niks.' en deel 5: 'Het verhaal van de boom')

Een schrijfdagboek over het maken van een roman is anders dan een schrijfdagboek over het maken van een thriller. Bij een roman gaat het vooral over de keuzes die het omzetten van een verhaal in beelden, het vormen van de karakters en de achterliggende gedachten. Daarover is redelijk vrijuit te schrijven. Bij een thriller is vooral de puzzel van belang, en het vertrekpunt, maar van mijn nieuwe thriller kan ik juist die puzzel en het begin niet vertellen omdat ze allebei zo specifiek zijn en niet meer aangepast kunnen worden, en bovendien ben ik bang dat iemand anders dit idee overneemt.

Dus hoe schrijf ik over de totstandkoming van mijn tweede thriller zonder het verhaal en de opzet te verklappen? Misschien toch maar beginnen bij het karakter van de hoofdpersoon, zijn thuissituatie, zijn basis. Dan kom ik al snel uit bij een van de zijthema’s: moederschap, en laat dat nou net het thema zijn dat dominant is in mijn eerste thriller Dagboek uit de rivier.

Ook in de nieuwe thriller zijn moeder en zoon de belangrijkste personages, maar nu volg ik zoon Leon. In het tweede hoofdstukje vertelt de jongen, die een reconstructie maakt van wat er allemaal gebeurd is:

'Ik woon bij mijn moeder. Zij werkt in een winkeltje net om de hoek bij het pleintje waar de scholen aan liggen en waar de glasbak en de papierbak staat. We wonen op de eerste verdieping. Ik heb een kamer op zolder, aan de achterkant. Daar staan mijn bed en een bureautje met een draaistoel en een plant die ik altijd vergeet water te geven, dat kan ik me precies voor de geest halen, en de oude nepleren bank die eerst beneden stond, tot mijn moeder die stoffen bank met kussens en franjes kreeg. Tegenover de bank staat mijn televisie en mijn Playstation. De muren zijn wit, net als in deze kamer. Er zoemt alleen niets, kan ik niet tegen. Wel is het strak en netjes. Alles op orde. Alles heeft een vaste plek. Ik ben niet bang dat mijn moeder ooit gaat stoffen, dat doet ze sowieso niet, maar ze weet ook dat ik dat liever niet heb, dat ze niks van zijn vaste plek moet halen. Die kamer van me geeft rust. Orde. Maar die dag was ik buiten. Ik weet nog waar het was en wat ik bij me had.'

Belangrijk is het verschil in persoonlijkheid en in de manier van leven. Zijn moeder is chaotisch, zweverig zelfs. Haar huis is rommelig - op de kamer van de jongen na. Haar zoon leeft netjes en sober, een tegenstelling die in een doorsnee gezinssituatie meestal andersom is. Dan is het de moeder die zegt: 'Ruim je kamer op.' In mijn verhaal is het de jongen die zijn eigen kamer tot een overzichtelijke plek maakt, ook om zich af te zetten tegen de chaos die bij zijn moeder in huis onoverkomelijk lijkt.

Hij is streng voor zichzelf, helder in afspraken die hij met zichzelf maakt, een volhouder die zich vastbijt als hij zich iets voorneemt, hoe klein ook. Als hij vroeger op school van de meester een envelop kreeg met daarbij het verzoek die een af te geven aan een andere docent in de lerarenkamer en die docent was er niet, dan legde hij die envelop niet op de koffietafel of in een postvak, dan bleef deze jongen zoeken naar de docent, net zo lang tot hij de envelop persoonlijk kon overhandigen. Taak volbracht. In het boek neemt hij ook een taak op zich, en dat doet hij heel serieus.

Zijn moeder is het andere uiterste. Zij belooft iets te doen maar is halverwege de grip op haar taak al kwijt, maakt zelden een klus af, laat de afwas staan.

Deze grove karakterschetsen maken zoon en moeder, hun persoonlijkheden spelen een belangrijke rol in het verhaal. Ze zwengelen het verhaal aan. De jongen krijgt in de eerste scène een taak in de schoot geworpen, en hij moet en zal die taak volbrengen. Past bij zijn persoonlijkheid. In andere personages zoekt hij dezelfde vasthoudendheid. Gelijkgestemden. Natuurlijk speelt ook het karakter van de moeder een rol in de afronding van het verhaal, dat komt aan het einde weer samen.

Een paar hoofdstukjes verder komt Leon met het woord ‘impulsief’, en dat verbindt hij met zijn ouders:

'Zo zou mijn moeder het noemen en ik weet zeker dat ze ergens trots op me zou zijn want dit soort ingevingen en dan gewoon iets gaan zien zijn precies de dingen die zij waarderen kan. Zo is zij ook in die winkel gestapt. Zo is ze zelf ooit ook op reis gegaan, met mijn vader. Naar een kustplaats met een vreemde naam. Hij had daar ooit gewerkt en ging nu terug, met haar. Heel anders dan Amsterdam. Heel anders ook dan de reisjes die ze met vriendinnen of alleen maakte, op zoek naar het spirituele, op zoek naar alles wat we in het westen zogenaamd vergeten zijn of uit het oog verloren. Dat impulsieve, misschien dat ook wel. Met mijn vader belandde ze op plekken die ze nooit bezocht zou hebben als ze altijd maar bedachtzaam en rustig was geweest. Impulsief zeilde ze de halve wereld over, mijn moeder heeft er bijna een geloof van gemaakt, volgens mij al toen ze mijn pa ontmoette en hij haar meenam naar zijn vaste koffietentje van vroeger. Gewoon daar tussen de mensen zitten en koffie drinken.'

Wat dus ook speelt: het ontbreken van de vader. De jongen heeft een vaag beeld van zijn vader, die hij idealiseert. De vader is verdwenen, de jongen heeft wat foto’s, weet weinig van zijn vaders achtergrond, maar zoekt wel aansluiting bij het deel van hem dat met zijn karakter te rijmen is.

'Ik ben rustig na een beslissing. Mijn vader kon niet bij mij moeder wachten. Dat zal het geweest zijn. Hij vertrok. Ik kan hem geen ongelijk geven. Mijn moeder doet niks anders dan wachten, niks liever. Als ze in haar winkel is dan komt ze de dag prima door met wachten op die ene verdwaalde klant die tegen vijf uur binnenkomt, en dan is de hele dag goed geweest. Dan zegt ze: "In wachten zit meer diepgang dan in haasten. In rennen." Dat soort dingen zegt ze. Nou, ik hou er niet van, ik tik met mijn vingers op het stuur...'

En hij rijdt verder. Af en toe denkt hij aan zijn vader, aan het weinige dat van die man bekend is.

'Hij werkte in een snackbar. Dat is een van de weinige dingen die ik van hem weet. Snackbar Babylon 2000. Een naam om niet snel te vergeten. Hij werkte er samen met een vriend. De snackbar had twee delen: een afhaalruimte en achter twee klapdeurtjes een café. Mijn moeder woonde in een studentenflat tegenover Babylon. Daar leerde ze hem kennen, en ook al bakte hij friet en kroketten en schonk hij aan de andere kant van de klapdeurtjes bier uit de fles, die man was exotisch genoeg voor haar om bij hem terug te komen, met hem te praten, van het een komt het ander. Zo noemde ze dat.'

Momenteel lees ik de eerste versie door en probeer ik in ieder hoofdstuk – de thriller bestaat uit een groot aantal vrij korte hoofdstukken – een paar elementen scherper te krijgen of toe te voegen: de familiebanden, de psyche van de verteller en de staat waarin hij het verhaal uit de doeken doet, en een bekende film die als referentiekader moet dienen. In de film is een van de belangrijkste karakters op zoek naar zijn vader, een gevreesd man die niemand kent en die misschien wel verzonnen is, want in de film komt de vader niet voor.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog