21 Juli 2017

Deze week gelezen: Victoria, Enders en Peeters

Deze week las de redactie twee Vlamingen en een Duitse: Ivo Victoria, die herhaaldelijk voor de Revisor schreef, een boek met als rijmende ondertitel De charme van je darmen, en de laatste roman van Koen Peeters, die eerder ook al door een van ons was gelezen.

Daan Stoffelsen: Ivo Victoria - Billie & Seb

Het geweer was een opluchting.' De openingszin van Ivo Victoria's nieuwe roman Billie & Seb is vol dreiging, maar hij verwart ook. Helpt het wapen Seb om de afwezigheid goed te maken van de hartveroverende Billie, zijn zielsverwant die bij het trampoline springen zo viel dat ze nu in coma gehouden wordt? Is Seb een autist of een terrorist in spe? Helpen de oorlogsspelletjes in de verlaten boerderij met een duister verleden? Wat is bevrijding? Wie zijn de echte gekken tegenwoordig? (Dit zijn niet Ivo Victoria's vragen, zo expliciet maak ik het.) Een roman van familie (consequent aangeduid als de vader, de moeder, de oom, slechts op heel bijzondere momenten worden hun namen genoemd) en vreemden, vol gespeelde en echte doden, vol wroeging en verbijstering, en met een hoofdrol voor Louis Stevens, de oom die alles van een afstandje beziet, machteloos en telkens garant voor goede vragen (wat betekenen de knipogen van ouders tegenover kinderlozen?) en enkele loze wijsheden. Die mooipraterij, en af en toe Ivo Victoria's mooischrijverij, doen maar iets af aan deze mooie, uitgesponnen geschiedenis. Ook over het gebruik van de alwetende verteller twijfelde ik: was de spanning niet groter geweest als we niet in al die hoofden zouden meekijken? Maar dan zouden we minder met ze meevoelen, met de slachtoffers, de bijstanders, de daders, dan zou Billie & Seb minder warm zijn - en de dreiging minder universeel.

Thomas Heerma van Voss: Giulia Enders - De mooie voedselmachine

Volgens de achterflap heeft Giulia Enders (1990) met het vorig jaar verschenen De Mooie Voedselmachine een 'vrolijk, open' boek geschreven. Ik ken weinig auteurs die dat zelf op hun achterflap zouden (laten) zetten. En die het als een echte aanbeveling zouden zien. Enders is dan ook geen klassieke auteur, niet iemand met al te veel literaire pretenties, ze is een student geneeskunde die haar kennis wil delen. Duidelijk met zo veel mogelijk bereik, want daar is alles aan gedaan: het omslag heeft met een olijk lettertype, roze letters en allerlei tekeningetjes al de uitstraling van een veredeld kinderboek, het boek zelf is deels gevuld met 'informerende', vrolijke tekeningen van Enders' zus Jill Enders (bijvoorbeeld van de juiste houding op de wc-pot: niet recht zittend, maar met de benen op een krukje en dus gehurkt) en Giulia Enders onderbreekt haar lopende verhaal voortdurend met tussenkopjes over verwante onderwerpen of zelfs met een heel nieuw, anders vormgegeven hoofdstuk om een nieuw, wellicht zwaar onderwerp op luchtige (nee: vrolijke, open) wijze te behandelen:

'Lieve lezers, het wordt tijd dat we ons met de ontlasting bezig gaan houden. Ga rechtop zitten, duw je bril nog een laatste keer omhoog en neem nog een gedurfde slok thee! Want nu gaan we vanaf een veilige afstand naar een mysterieus hoopje kijken.'

Van mij hoeft het niet. Dat toontje. Dergelijke onderbrekingen. Van mij hoeft een boek als dit ook niet de ondertitel 'Charme van je darmen' te hebben - Jan van Mersbergen wees in dit opzicht terecht naar Erik Scherders titel 'Singing in the brain', nog zo'n gedrocht van de titel. Maar: misschien heeft Enders deze vorm wel nodig. Om soepel van orgaan naar orgaan en lichaamsdeel naar lichaamsdeel te springen, dat ten eerste: De Mooie Voedselmachine heeft een aanstekelijk hoog tempo, het is een boek dat je in een dag kunt lezen. En misschien is een dergelijke titel, en de frivole, bewonderende aanpak die daaruit al blijkt, wel nodig om zo'n boek behapbaar te maken. 'De Mooie Voedselmachine' is gevuld met talloze interessante feitjes over het lichaam, over de contrasten tussen wat vroeger werd gedacht en gangbaar was tegenover wat tegenwoordig wordt geloofd, en die heeft Enders behendig opgeschreven, maar in essentie doet ze verslag van onderzoek van anderen. Er zijn ongetwijfeld allerlei proefschriften en boeken geschreven met dezelfde inhoud, toch is dit boek razend succesvol geworden: in Duitsland waren er in een halfjaar meer dan 800.000 exemplaren van verkocht (inmiddels meer dan een miljoen), ook in Nederland is het een bestseller geworden. Waarom? Waarom lees ik dit nu, nadat mijn moeder een exemplaar had gekocht, en niet andere boeken over vergelijkbare interesse? Omdat het allemaal zo toegankelijk en enigszins zoet is ingepakt? Omdat het boek nergens te zwaar wordt, ook bij het behandelen van ziektes? Wellicht komt het vooral doordat Enders, die opgewekte toon, de kinderboekenzinnetjes en de overdreven vormgeving ten spijt, er in is geslaagd een kort, nergens academisch aandoend geheel heel veel te vertellen over zaken waar ik heel weinig vanaf weet.

Jan van Mersbergen: Koen Peeters - De mensengenezer

In twee boeken die in momenteel lees komt een oom voor die zijn neefje mysterieuze verhalen influistert. In de magistrale grote roman Een zuil van rook (Tree of smoke) van de onlangs overleden Denis Johnson gaat dat goed: Johnson focust op de neef en wat die jongen in het oorlogsgeweld van Vietnam met die verhalen van zijn oom de kolonel moet aanvangen. In De mensengenezer van Vlaming Koen Peeters is de constructie moeizamer omdat Peeters vooral de flamboyante oom volgt, vanuit de jongen. Minder afstand dan bij Johnson, zou je zeggen, maar proza kent soms omgekeerde wetten als het over ver en dichtbij gaat, en de roman van Peeters plaatst de oom zo op een voetstuk dat de jongen zichzelf laat verdwijnen.
De mensengenezer begint met een boerengezin, een jongen (Remi) die de boerderij over moet nemen, een bijzondere oom waar eindeloos veel verhalen over verteld worden, verhalen die na een paar bladzijden al gaan vervelen omdat ze een opeenstapeling zijn van stugge anekdotes die stuk voor stuk moeten duiden wat een vreemde en eigenaardige en wijze en aansprekende man die oom Marcel was.
Twee bezwaren: het verhaal gaat erg ver terug in de tijd en is opgesplitst in het verleden waarin de oom en de jongen hun avonturen beleven, en aparte korte hoofdstukjes waarin een student (Peeters zelf?) terugkijkt op professor Remi, flink wat jaren later. Beide periodes komen niet dichtbij. Als ik-verteller Remi en zijn oom gaan ploegen (‘Vandaag moet er geploegd worden,’ zei vader) dan schrijft Peeters: ‘Terwijl we zo bezig waren vertelde hij over vroeger.’ Verderop op dezelfde bladzijde staat, als het verhaaltje achter de rug is: ‘Zo vertelde Marcel dat.’ Dat weten we dan ook weer, en op de volgende bladzijde zal er weer zo’n spannend boerenverhaal komen, en daarna vast nog een paar. Deed me denken aan de plattelandsromantiek die Chris de Stoop in zijn Dit is mijn hof legde. Over dat boek was ik ook niet erg te spreken. De verhalen die Remi te horen krijgt staan ver van hem af en de bewondering voor zijn oom is zo groot dat deze verteller er in eerste instantie passief en afhankelijk van wordt. Bij de stukjes over professor Remi waarover een student vertelt gebeurt hetzelfde.
Nu spelen er zo veel zaken op de achtergrond – boerenbestaan met familieopvolging, Afrika, Congo, zelfs literatuurles aan de hand van de Nigeriaanse schrijver Ben Okri en Kuifje in Congo, alles wat ook maar een minieme link met Afrika heeft wordt er bij gehaald – dat Peeters voldoende stof in handen heeft voor een interessant boek dat meer richting Van Reybroucks Congo gaat dan naar De geruchten van Hugo Claus, boeken die handelen over het koloniale verleden van onze zuiderburen maar ook worstelen met afstand en invoelbaarheid van de hoofdpersoon. Claus slaagde daar erg goed in, Congo is meesterlijke non-fictie. De mensengenezer is een roman met een versnipperde structuur en een grote tijdspanne en de reikwijdte van de halve planeet, toch mis ik tijdens het lezen steeds hoofdpersoon Remi, het boerenjongetje dat de wijde wereld in trekt. Het vooruitzicht dat die boerenjongen professor gaat worden neemt spanning weg, want bij ieder verhaal in het eerste deel over ploegen en oogsten weet je: hij wordt toch geen boer.
De verleden tijd is de grootste spelbreker. Beide perspectieven (Remi en de student) hanteren die verteltijd en zinnen als (door de student): ‘Ik begon daardoor zijn fascinatie te delen’ en ‘Ik noteerde het allemaal in mijn gelijnde schriftjes...’ vertragen het verteltempo en maken de verteller overdreven beschouwelijk. Deze verteller weet wat er allemaal gebeurd is en onderzoekt in feite hoe het zo gegaan kan zijn, aan de hand van deze beschouwelijke bespiegelingen had een scherpe redacteur duidelijk kunnen maken dat er iets lijzigs in deze bladzijden sluipt.
Ook boerenjongen Remi vertelt in algemene termen hoe er op school geleerd en gestampt werd, dat zal voor de oudere lezers onder ons herkenbaar zijn, met een zinnetje erbij zo uit Het Dorp van Wim Sonneveld kan komen. Hij keek uit het raam van het klaslokaal en zegt: ‘Onder de lindebomen hinkelden meisjes.’ Blijkbaar hoefden die meisjes niet naar school, maar buiten dat denkt Remi ook tijdens het ritmisch opdreunen van hoofdsteden en landen en vermenigvuldigingstafels aan zijn nonkel Marcel, vanzelfsprekend; die man is zijn poort naar de wereld, naar het mysterie, naar het leven. Het probleem is, die gedachte maakt van deze Remi mij een vervelend kereltje.
Als Remi als novice in een klooster terecht komt – in het tweede deel dat begint op een opa-vertelt-toon: ‘Wij waren jonge knapen...’ – zegt de jongen tegen zijn novicemeester: ‘Persoonlijk vind ik het gregoriaans nogal elitair.’ Kriegelig word ik van die manier van uitdrukken, van die mening, van dit hele gesprek.
In deel drie belandt Remi eindelijk in Congo, nu kan het avontuur beginnen, maar de verteltoon en de afstand blijven in tact zodat ook Congo ver weg blijft, het voelt tijdens het lezen alsof ik de Suske en Wiske inkijk waarin ze naar dat dorp gaan dat op een wolk in de lucht hangt. De student speelt in dat deel ook met de gedachte om naar Congo te gaan. Hij wordt overvallen door nieuwsgierig: ‘Op een bepaald moment had ik die intentie toevallig uitgesproken.’
Beide mannen gaan op pad en het kost me moeite ze te volgen. De afbeeldingen van Congolese postzegels of een Afrikaanse boogschutter die op een krokodil richt doen daar niet veel aan af. Het fictieve verhaal wordt afgewisseld met informatieve zinnetjes als ‘De zogenaamde ontdekking van Kwango gebeurde op 3 april 1854’, waar ik ondanks het spannende woordje ‘zogenaamde’ niks mee kan. Feiten voeden mijn honger naar fictie niet, ik wil bij de gevoelens van die mensen komen en dit soort wikipedia-informatie duwt me daar vandaan.
Ik dacht tijdens het lezen aan mijn te vroeg overleden oom Wim die in zijn vrije tijd voetbalscheidsrechter was en die ooit van een ver tropisch land, niemand weet waar, een kleine opgezette krokodil mee naar Brabant nam. Dat beest stond bij hem in huis. Altijd heb ik me afgevraagd of die krokodil voldoende kan zijn om een roman over te schrijven, om onderzoek naar te doen, om te gaan vertellen over Afrika of een oude kolonie? De mensengenezer gaf mij antwoord op die vraag.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog