27 Juli 2017

Kippenvel

Schrijfdagboek uit de rivier

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller. Voor de Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek.

Vandaag de zevende aflevering: over verhalen en kippenvel.

(Lees ook deel 1: 'Begin', deel 2: 'Frederik', deel 3: 'Roman vs thriller', deel 4:  'Er gebeurt niks.', deel 5: 'Het verhaal van de boom' en deel 6: 'Moeder en vader'.

Vorige maand schreef ik al over de beperkingen die een schrijfdagboek van een thriller met zich meebrengen, omdat ik verhaal en twists niet mag weggeven. Toch kan ik het begin van mijn nieuwe verhaal best vertellen; als het gejat wordt kan iedereen zien dat ik het verhaal al eerder had en bovendien staat mijn tweede thriller al goed en wel in de steigers en zal die komend voorjaar al verschijnen, een knappe schrijver die zo snel voor is, en bovendien heb ik vertrouwen in de vorm en de verhaalkeuzes na dit begin, want die zijn natuurlijk veel belangrijker
Het begint met een jongen die een bekende tegenkomt, in een huurauto. Ze kennen elkaar van de middelbare school. Examens zijn net geweest, die ander heeft de school niet afgemaakt en de hoofdpersoon is hem al een jaar uit het oog verloren en nu heeft hij dus een baan: chauffeur. De jongen vraagt of hij een moment op de auto wil letten, hij moet even iets ophalen. Dat is goed. De jongen laat zijn huurauto met draaiende motor achter, verdwijnt en blijft erg lang weg. Dan hoort de hoofdpersoon een stem in de auto. Het is de navigatie die zegt: 'Rij naar de gemarkeerde route.’ De hoofdpersoon stapt in gaat rijden. Hij weet niet waarheen, hij weet niet wat er in de auto zit. Dit zet het verhaal in gang.
De achternaam van mijn thriller-pseudoniem is afgeleid van een autoverhuurbedrijf uit de van Ostadestraat in Amsterdam, daardoor sluit het ook goed aan, maar ik ben op dit verhaal gekomen toen ik met mijn vriendin in een gehuurde auto naar het zuiden reed en de navigatie ons vertelde hoe we moesten rijden. Wat als iemand die navigatie beïnvloed? En nog interessanter: kun je iemand iets laten vervoeren door hem in een auto met vooraf ingestelde navigatie te laten rijden, zodat de bestuurder niet de bestemming weet? Spannende vragen die vanzelf opkomen na dit begin.
Tegen aspirant-schrijvers die om tips vragen zeg ik altijd dat er zo veel verhalen zijn, als je maar goed om je heenkijkt en de juiste verbanden legt en vragen stelt. Heb je veel meegemaakt, dan is dat misschien een pluspunt want dan hoef je minder te verzinnen, maar ook dan moet je de goede vragen stellen en de juiste analyse van je verhaal maken. Laatst sprak ik een Afghanistan-veteraan die tegen de Taliban heeft gevochten, een jongen die overigens erg goed daarover kan schrijven, en vertellen. Op een gegeven moment schieten ze mortieren af naar de Taliban. Een van de militairen die de mortieren moest vullen met granaten deed dat terwijl er een granaat was blijven steken, en toen hij de volgend erin schoof ontplofte dat hele apparaat. De veteraan vertelde over de knal en dat hij daar een meter of zes vandaan zat en over het bloed dat uit die man stroomde en dat hij het niet overleefde, maar wat vooral een belangrijke toevoeging aan zijn verhaal was: ‘Ik keek erg tegen hem op.’
Dat simpele zinnetje veranderde het verhaal van een omgekomen militair in Afghanistan in een persoonlijk verhaal. Het slachtoffer was groot en sterk, en dat wilde deze veteraan ook zijn. Hij overleefde zijn tijd in Afghanistan wel, keerde terug en vertelt erover op heel vertrouwelijke toon, heel persoonlijk, met kippenvel op zijn sterke armen. Dat kippenvel is een graadmeter voor een goed, persoonlijk verhaal.
Ik vertelde hem het verhaal van het erelid van mijn carnavalsvereniging, een vrouw van destijds 81 die we leerden kennen tijdens een van die mooie middagen in Venlo. Ze was vijf jaar ziek geweest en had vooral op bed gelegen en nu was ze weer onder de mensen en wij herkenden in haar iets heel moois, iets sprankelends en levendigs, we moesten met haar praten en dansen, en zij genoot daar zo van dat ze huilde tijdens het dansen, de tranen stroomden onder de zonnebril uit die we geleend hadden, samen met een jas en muts en andere spullen waarmee we haar opgetuigd hadden, want verkleed was ze niet. De volgende dag werd een van mijn vrienden, in hetzelfde pekske, op zijn schouder getikt. Het was een jongen die zei: ‘Mijn oma heeft gister met uw vrienden gedanst en ze houdt er niet meer over op.’
De veteraan zei helemaal niks. Hij liet me alleen zijn rechterarm zien. Kippenvel. We proostten en namen een flinke slok bier en ik wist: Die vriendschap maakt het verhaal. ‘En van uw vrienden.’ Die prachtige vrouw had ook zonder ons een mooie avond gehad maar de herkenbaarheid als groep en de aanname dat een ander in hetzelfde pekske wel een vriend zal zijn maakt dit verhaal persoonlijk. Volgens mij is dat het belangrijkste en tevens het moeilijkste aan een verhaal: waarom vertel je het en wat maakt het jouw verhaal?
Op weg laatst naar een trampolinecentrum met mijn jarige dochter en zes vriendinnen probeerde een van die meisjes een verhaal te verzinnen, ze weten dat ik schrijf en ze denken dat je daar fantasie voor moet hebben. Het meisje had het over een roze eenhoorn die van alles meemaakte. Het werd gekker en gekker, en natuurlijk was het geweldig verzonnen en zaten er ook grappige dingen in dat verhaal, het was nergens persoonlijk. Ik durfde een meisje van tien niet de vraag te stellen waarom zij dit verhaal verzon en vertelde, ik was op dat moment ook gewoon de vader van haar vriendinnetje. Toch denk ik dat het meisje met een enkel detail en een korte link naar zichzelf veel meer kon vertellen dan dat ze nu deed over die eenhoorn. Iets over haar rode trui of haar sandalen? Iets over haar broer? Waarom vertelt een meisje – een van een tweeling – over een eenhoorn? Interessante vraag.
De Afghanistan-veteraan vroeg me of ik momenteel nog aan een boek werkte. Ik zei dat ik een thriller aan het maken ben en een roman, en omdat die roman speelt in het gebied waar hij woont en waar we die avond stonden, vertelde ik hem de zandafgraving een eindje verderop in de polder waar ik vroeger altijd ging zwemmen. Hij kende de plek. Daar gaat die roman over, zei ik. En over een vader. In de thriller is de hoofdpersoon die er met de huurauto vandoor gaat eigenlijk zijn leven lang al op zoek naar zijn vader. In de roman is de vader van een vriend van de verteller overleden, dat is het beginpunt. De vriend is weer terug in het dorp, vanwege de begrafenis, en laat die vriend nou jaren en jaren terug naar Amsterdam vertrokken zijn waar hij schrijver geworden is van boeken waarover hij zegt: ‘In geen van mijn romans komt een vader voor en toch gaan ze allemaal over mijn vader.’
De veteraan knikte. Dat was duidelijk.
Zowel een thriller als een roman moet een stevig beginpunt hebben dat bovendien open is, dat mogelijkheden biedt, dat ruimte laat voor kippenvel. Een thriller is een puzzel en die huurauto is het eerste puzzelstukje.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog