, 20 Oktober 2017

Deze week gelezen: Van Hassel, Strout

De redactie las twee boeken van vrouwen: de ons welbekende Sanneke van Hassel en de door verschillende collega's aangeraden Elizabeth Strout. En een recensie, ook van een vrouw.

*

Daan Stoffelsen: Sanneke van Hassel, Stille grond

Ik las Sanneke van Hassels Stille grond, een roman over de stad, over grenzen en overschrijden. Ze vertelt dat verhaal met twee personages, die dicht op elkaar leven, elkaar niet naderen, maar elk vanuit hun eigen standpunt een veilige, groene plek nastreven, een rustplek in de stad. Zij is net bevallen, komt amper uit huis en weg van hun baby, en woont in een nieuwbouwflat tegenover een braakliggend terrein - dat nu is ingenomen door een daklozenopvang. Hij doet al decennia sociaal werk, en coördineert nu activiteiten in die opvang, met de nadruk op de moestuin. Die opvang moet weg, het is onveilig, vindt zij, en ze voert er actie tegen. Hij ziet het als een goede oplossing voor mensen die nergens anders naartoe kunnen. En: het is wat hij kan.

Van Hassel beschrijft de politieke mechanismen, de inspraak zonder gevolgen, het opportunisme van de populistische partij, en de ingekeerdheid van deze twee mensen met hun tegengestelde ambities. Het gaat niet goed, van allebei denk je: houd je ogen op de bal/baby/moestuin, dit gaat mis! En zoals Van Hassel dat in haar korte verhalen kan, doet ze ook hier, in de afwisselende korte hoofdstukken blijft er telkens een dreiging. Je begrijpt dat verlangen naar lucht, 'stille grond'. Het gaat mis, anders dan je vermoedt, en het gaat mis bij beiden, op hetzelfde moment. Ze gaan een grens over, en de spijt zakt eigenlijk meteen in.

Mijn sympathie lag bij de man, iemand die zonder gezin zijn rust heeft gecreëerd, hij zou, met meer lucht, meer tijd, een grote Nederlandse roman kunnen vullen, van Friesland tot Rotterdam. Maar de vrouw is ook goed neergezet, de pijn is scherp en realistisch:

'Als ze terugkomt, kijkt Cato bedrukt. Zou ze het te warm hebben, heeft ze krampjes, zit ze te strak ingesnoerd? Ze legt haar hand op het kleine voorhoofd en checkt de riempjes. De onophoudelijke twijfel. Misschien omdat ze zoveel alleen is. Of omdat zorgen een onzichtbare activiteit is. [...]
Het werk dat ze nu doet, kent geen einde. Het bestaat uit ontelbare handelingen die zich volgens een rommelig patroon herhalen. Voeden, spuug wegvegen, verschonen, te slapen leggen, rompers vouwen, speen teruggeven, zorgen dat je zelf wat te drinken krijgt, voeden.
Het verraad van de moeders. Pas nadat Cato geboren was, hoorde ze het van alle vrouwen in haar omgeving. [...]
Haar eigen moeder zweeg.'

Iets te beschouwend, iets te inleidend misschien - maar het is hoofdstuk 1 en het klopt allemaal. Deze toon bepaalt voor alle duidelijkheid dus niet de hele roman. In een bizarre zet van de Volkskrant kreeg (of nam?) Persis Bekkering maar vierhonderd (400) woorden om over twee (2) romans te schrijven. (Ter vergelijking: inclusief citaat is dit stukje 577 woorden.) Thomas corrigeerde vorige week al haar beeld van Renée van Marissings Parttime astronaut, laat ik dat bij Stille grond doen. 'Beiden zijn moeder in de grote stad, Landa in Rotterdam, Karlijn in Amsterdam. Het huis is tot strijdtoneel verworden, want over de buitenwereld voelen ze geen macht,' schrijft Bekkering, om het vervolgens over de buitenwereld niet te hebben. Van Hassels hoofdpersoon trekt nota bene die daklozenopvang haar cocon in, de strijd wordt buiten voortgezet. En dan is er nog de andere helft van het boek, haar tegenstrever, die niet genoemd wordt in Bekkerings stuk. Dit boek verdient een betere bespreking.

De Bezige Bij gaf Stille grond uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Elizabeth Strout, Ik heet Lucy Barton

Verschillende schrijvers raadden me de romans van Elizabeth Strout aan, onder wie Herman Koch en Gilles van der Loo, allebei betrouwbare tipgevers, dus ik bestelde afgelopen week Ik heet Lucy Barton, en las met een bepaalde verwachting dat boek, over een vrouw die in een ziekenhuisbed ligt en bezoek krijgt van haar moeder. Er volgen gesprekken over hun dorp, over kennissen, over het verleden.

Het is lastig proza van dit type te lezen met een soort opwinding die de verwachting en de tips met zich meebrengen, want dit proza is kalm en sluit totaal niet aan bij die opwinding. Daar moest ik dus eerst vanaf. En dan las ik allerlei passages die zich afspelen in een ziekenhuiskamer, allemaal verteld door de vrouw zelf, jaren later. Deze terugblik is spannend, want Strout laat een paar keer vallen dat dit jaren geleden allemaal gebeurd is, dus ergens moet er een reden zijn om dit allemaal te vertellen, maar die reden komt maar niet, en na een paar van die kabbelende scènes is daar opeens een pick-uptruck waar de vertelster als kind in moest wachten, een dreigend voertuig dat haar nog steeds bij is gebleven en dat in dat ziekenhuisbed weer duidelijk aanwezig is. Die dreiging maakt Ik heet Lucy Barton bijzonder, en ook erg eenvoudig want een kort hoofdstukje later zit je weer aan dat bed, met haar moeder.

De rust van die afwisseling is schijn, steeds borrelt de spanning onder de zinnetjes, bijna ongrijpbaar, want dan is er plots een marmeren beeld met smekende kinderen aan de voeten van een man – een vader – en de vader van Lucy hebben we nog helemaal niet gezien, maar je weet: dit is haar vader, en de kinderen zijn wanhopig, ze willen zijn aandacht, niks anders dan dat, maar krijgen ze die ook? Lucy zoekt het beeld meerdere malen op in het museum en als het op een dag verplaatst is raakt ze in paniek en voelt ze zich bedrogen. Dat beeld was angst maar ook vastigheid. Een mooie scène die steunt op de associatie, net zoals tijdschriftfoto’s een rol spelen, die truck, een slang, haar lichaam. Alles in de wereld van Lucy Barton is de moeite waard om proza van te maken, als het maar subtiel gelinkt is. Dat is de les van Strout.

Tijdens een van mijn Schrijfcafé-avonden las ik, terwijl de deelnemers een stuk proza schreven, de volgende regels in Ik heet Lucy Barton, uit de mond van een schrijfster die kritiek kreeg omdat een van haar personages de president van Amerika zou hebben beledigd: ‘Het is niet mijn taak om lezers het verschil bij te brengen tussen de stem van de verteller en de eigen mening van de schrijver.’ En precies daarover ging die schrijfavond: de driehoek tussen verteller, personages en lezers.

Een andere mooie passage gaat over een schoolmeester waar Barton verliefd op was omdat hij een eigenheid had en niet met zich liet sollen. Hij werd erg boos toen meisjes in zijn klas hem belachelijk maakten, hem minder wilden doen voelen dan hij was. De conclusie van Strouts verteller: ‘Ik vind het interessant welke manieren we vinden om ons beter te voelen dan een ander of dan een andere groep. Het gebeurt overal, de hele tijd. Hoe je het ook noemt, het is volgens mij het verachtelijkste deel van wie we zijn, die behoefte iemand te vinden die we kunnen kleineren.’
Vooral het akelig precieze: ‘de behoefte iemand te vinden die we kunnen kleineren’, in plaats van ‘iemand te kleineren’, die zoektocht naar het slachtoffer, maakt de intentie heel bewust en daardoor dreigender.

Als Lucy Barton zelf gaat schrijven is ze wijfelend en precies, precies over haar wijfeling, want ze zegt niet dat ze gaat schrijven en ook niet dat ze het gaat proberen, ze zegt: ‘Ik begon het te proberen.’

Stellige precieze twijfel, ook dat maakt het proza van Strout bijzonder.

AtlasContact gaf Ik heet Lucy Barton uit.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog