, 06 November 2017

Kraaien

Nieuw proza op Revisor.nl! Else Boer schreef 'Kraaien', het verhaal van een huis en een tuin en een geschiedenis.

*

De eerste keer doe ik niet open. Het geknerp van het grind waarschuwt me, ik verschuil me in de keuken en wacht tot er niemand meer voor de deur staat. De tweede keer ben ik minder oplettend. Toevallig sta ik in de gang, het oude brood al in mijn handen. Ik zie Harry van twee huizen verder duidelijk door de ruiten, al zit er een grijze, vettige laag over het glas. 
'Ik kom namens de gemeente,' zegt Harry. 
'O,' zeg ik, en ik leg het brood op het gangkastje dat Arnie's moeder me heeft gegeven nadat zij en ik uit elkaar waren gegaan. Ze vond dat ik te weinig meubels had en noemde het huis 'net een leeggeroofd mausoleum'.
'Het is nu toch alweer even geleden,' zegt Harry. 'Je weet wel. Het ongeluk.'

Ik zwijg, kijk hem alleen maar aan.
'In ieder geval moet er iets aan de tuin gebeuren.' Hij recht zijn rug. 'We hebben het al eerder gezegd. Dit is geen goed aanzicht voor de buurt.'
'Het is mijn tuin.'
'Bij ernstige nalatigheid van het onderhouden van privébezit mag de welstandscommissie een verordening doen.' Hij benadrukt elk woord. Misschien heeft hij geoefend.
'En wat houdt dat in?'
'Dat je wat aan de tuin moet gaan doen. Je ziet zelf toch ook wel…' Hij aarzelt even, Harry met zijn grijze snor en donkerblauwe pak, alsof hij zich ineens afvraagt of hij zijn tijd hier niet verdoet en beter kan weglopen.
'Je ziet toch zelf ook wel dat dit er niet uitziet. Huur een tuinman, iemand om de rommel op te ruimen.'
Ik wil de deur dichtdoen, maar Harry zet zijn voet op de drempel. Hij is gestuurd, realiseer ik me, hij kan nu niet zomaar weglopen.
'Ik ben niet de enige die dit vindt. We ergeren ons al maanden aan de zwarte zooi. Ruim het gewoon op. Dat is alles. Je hoeft echt geen kunstwerk van je tuin te maken, als die rotzooi maar weg is. Net als die verdomde kraaien. Ze schijten alles onder.'
'Oké.'
Ze moeten dit besproken hebben. Ik heb ze zien kijken, de laatste weken. Janet met haar kinderwagen, die zucht als ze langs de voortuin loopt. Ina die hoofdschuddend langsloopt. En dan degenen van wie ik de namen nooit heb geleerd - ze laten hun blik over het huis glijden en hun gezicht vertrekt. Ik kan me voorstellen hoe ze dit hebben besproken, tijdens verjaardagen en de jaarlijkse buurtbarbecue: 'Er moet nu toch echt iets gebeuren.' Harry die zich opoffert voor de goede zaak.
'Ik meen het. Je kan een boete krijgen.'
'Oké,' zeg ik weer. Nu doe ik de deur wel dicht, duw het hout tegen zijn leren Oxfords. Die droeg ik zelf ook toen ik nog een baan had.
Wanneer Harry zich omdraait kijk ik naar de kraaien. Een zwartgevederde familie in een grijsgeblakerde boom.

Ze kwamen een paar dagen na de brand. Oorspronkelijk kwamen ze in deze buurt niet voor. Maar de week na de brand werd het vuilnis niet opgehaald. Sindsdien heeft de wijk naast petieterige musjes ook kraaien, die met hun kromme snavels de rottende vuilniszakken openpikken.
In eerste instantie vielen ze me niet op. De grond was nog zwart, het was moeilijk om onderscheid te zien tussen veren en opwaaiend as. Ze trokken pas mijn aandacht toen ik een herhaaldelijk getik in de voortuin hoorde. Voor het eerst in anderhalve week liep ik naar buiten.
In de lucht hingen drie kraaien, die takken lieten vallen en ze daarna razendsnel weer oppakten, alsof ze hun eigen wedstrijdje apporteren speelden. Ik bleef even naar ze kijken, verbaasde me over hoe grijs de tuin inmiddels was geworden.
De kraaien bleven. Van drie werden het er vijf, daarna telde ik er zeven, vervolgens twaalf. 's Nachts verzamelden ze zich in de boom, die wonder boven wonder was blijven staan, maar nu zo grijs was dat hij leek op de geest van de boom die hij eerst was. De kale takken staken als opgeheven armen de lucht in, terwijl de kraaien afgebroken twijgen naar boven brachten en weer naar beneden gooiden.
Ik vroeg me af of de boom dood was, en zo ja, waarom een kraaienfamilie een dode boom zou uitkiezen om zich in te nestelen. Misschien omdat geen ander dier dat doet.
Voorbijgangers duiken een beetje ineen als ze langslopen, bang voor de scherpe snavels en het harde gekras. Voordat iemand aanbelt moet hij onder twaalf paar kraalogen door, twaalf paar klauwen en twaalf bekken. Mijn post komt steeds vaker één keer per week, in stapeltjes door de brievenbus geschoven.
In de ochtend leg ik oud brood voor de vogels neer. Ze pakken het op, zoals ze ook de takken oppakken - ze spelen ermee, realiseer ik me. In de middag doen ze hetzelfde, maar dan met slakkenhuisjes: ze vliegen ermee omhoog en laten de slak vallen. Op de grond draaien ze het huisje met hun klauwen, om te zien of het kapot is. Zo niet, dan vliegen ze er nog hoger mee.
Een tijdje geleden merkte ik dat ze ook van mij gebruikmaken. Heel af en toe neem ik de auto voor de onvermijdelijke boodschappen. De kraaien merken dat ik naar de auto loop en leggen dan noten voor de banden neer, zodat ik ze kan kraken. Sinds ik dat weet, ga ik vaker naar de winkel.

Ik pak het brood van het kastje en loop naar de schuur. Sinds het ongeluk heb ik die niet meer opengemaakt. De scharnieren van de schuurdeur kraken, maar hij zwaait verrassend makkelijk open. Alles ruikt hier nog naar rook. Ik houd mijn adem in voor ik naar binnen stap.
Er zit een barst in de linkermuur, de muur waar ik het tuingereedschap aan heb opgehangen. Die barst had ik nog niet eerder gezien. Als een onafgemaakte grafiek loopt de scheur van onder naar boven. Ik pak een hark, die zich in het midden van de breuklijn bevindt. Tijd om iets aan de tuin te doen.
In de voortuin scheur ik het brood in reepjes en gooi het op wat vroeger het gazon was, terwijl ik leun op de steel. Ik moet eruitzien als een ouderwetse vogelverschrikker, denk ik, terwijl de kraaien voor mijn voeten het brood met hun snavels in steeds kleinere stukjes scheuren.
Het zijn nu zestien vogels, al vraag ik me soms af of ik er geen dubbel tel.
'Nou,' zeg ik. 'En nu?'
Ik hark een aantal takken bij elkaar, terwijl de familie op de achtergrond krassende geluiden maakt. Daarna verspreid ik de takken weer. Verder doe ik niets aan de tuin.
Wat moet ik met gras, struiken, bloemen? Al dat leven. Ik krijg hoofdpijn als ik er aan denk.
Ongetwijfeld staat er iemand naar me te kijken, ergens, vanuit een dakraam of door de lamellen. Ik veeg de takken weer bij elkaar en leg de hark neer.
Zwarte kraalogen kijken me na als ik weer naar binnen loop.

Ik ben nooit echt een tuinier geweest. Het onderhoud van een tuin zag ik meer als een verplichting dan als ontspanning. Dus toen ik besloot de composthoop van de vorige bewoners te verbranden, had ik me niet voorbereid. Gewoon de fik erin, dacht ik, hoe moeilijk kan het zijn.
Tegen Arnie zei ik dat we een vreugdevuur maakten. 'Dat is toch leuk?'
Ik probeerde meer met hem te doen in de weekenden die hij bij mij doorbracht, en hij vond alles wat met buiten te maken had wel mooi. Kraaien zou hij fantastisch hebben gevonden.
Het was een goed vreugdevuur: de composthoop rookte behoorlijk en de vlammen kropen steeds verder naar boven, tot de hele stapel brandde. Ik had marshmallows gekocht die we roosterden op takken van de boom. Ik herinner me niet alles, maar wel dat het leuk was, écht leuk. Dat Arnie om de composthoop heen danste als een indiaan. Ik had hem voorgelezen uit Winnetou, net als mijn vader altijd deed,.
Om negen uur maakten we het vuur uit. Ik gooide water over de hoop.
'Zullen we de rest uit plassen?' vroeg ik, en we deden onze gulp open en plasten gele straaltjes over de smeulende hoop. Arnie plaste ook een beetje over zijn spijkerbroek. Daarna legde ik hem op bed en bedacht dat het best aardig ging, samen.
's Nachts werd ik wakker van de geur: een verstikkende, donkere lucht hing in mijn kamer. De geur van zwartverkoolde biefstuk, aangebrand vlees. Dat was een geluk, zei een brandweerman achteraf, ik had ook gewoon kunnen stikken in mijn slaap.
Mijn ogen traanden van de rook, en ik strompelde de trap af, naar Arnie's kamer. Ook die was grijs van de rook, maar het vuur gaf de kamer een gouden gloed. Arnie lag alsof hij al was opgebaard, zijn handen gevouwen boven de dekens. Ik herinner me soms dat hij glimlachte.
Het vuur was niet overgeslagen naar de andere tuinen, dankzij alle stenen muurtjes en trottoirs die onze buurt rijk is. Mijn huis was het enige zwartgeblakerde gezwel tussen de groene gazonnetjes. Maar in de hele wijk stonk het nog dagenlang naar rook, en op een vreemde manier vond ik dat geruststellend, dat waar ik ook was, ik altijd nog kon ruiken dat niets meer hetzelfde was.

De boom lijkt opgewekt uit de dood, zo veel leven zit er in de takken. Als ze allemaal in de takken zitten tel ik nu twintig kraaien. Eén van de nieuwe vogels is niet zwart, maar heeft witte vlekken. Eerst vond ik het jammer dat hij het zwart doorbrak, nu meen ik dat hij precies genoeg variatie brengt.
Aan het gekras in de voortuin hoor ik dat er iemand naar de deur komt.
'Gaat dit om de boete? Ik heb een begin gemaakt,' zeg ik tegen Harry, die minder naar mij kijkt dan naar de kraaien.
'Ja, de tuin, ja,' zegt Harry. 'Fijn dat je iets hebt gedaan.'
'Wat zeg je?'
'Fijn dat je iets hebt gedaan.' Hij probeert boven het gekrijs uit te komen. Ik vraag me af of de vogels zullen zwijgen als ik een teken geef, maar probeer het niet.
'Luister, het gaat' - Harry kijkt naar de boom - 'het gaat om die kraaien. Die leveren de echte overlast op. Ik wilde je even laten weten dat we ze binnenkort gaan afschieten.'
'Schieten?'
'Ja, schieten. Die beesten poepen overal, ze pikken al het fruit van de bomen en ze zijn agressief. Laatst hebben ze de kat van Ina aangevallen. Het arme beest kon een week niet lopen, ze hadden zijn poten kapot gepikt.'
Ik knik en probeer niet te glimlachen. Vanuit het raam had ik gezien hoe ze dat vette beest van hun territorium verjaagd hadden. Ze pikten en klauwden, en na afloop lagen er overal plukken kattenhaar.
'In mijn tuin kunnen jullie niet schieten.'
'Ik kwam je er even van op de hoogte brengen dat we dat wel gaan doen.' Harry kijkt op zijn horloge. 'Dat leek me netjes. Dus als je wat knallen hoort, dan weet je waarom.'
'Je kan ze niet zomaar doodschieten.' Ik roep het harder dan ik wil.
'Jawel.' Harry verheft zijn stem. 'Het is ook beter voor jou. Als die vogels weg zijn, kan je echt aan de slag. Opnieuw beginnen.'
Ik wil roepen dat dat dus niet meer kan, opnieuw beginnen, dat de kraaien in zekere zin mijn kraaien zijn en dat ik ze wil houden.
Harry draait zich om. Het gekrijs is hels.

De volgende ochtend leg ik geen brood neer, maar pak ik de hark en zwaai ik ermee in de richting van de boom.
'Jullie moeten weg,' roep ik. 'Wegwezen!'
Een paar kraaien storten zich op de hark. De rest blijft rustig zitten, krast af en toe laag.
Een paar ochtenden herhaal ik dit, tot er geen kraai meer opvliegt als ik de hark de lucht in steek. Misschien, denk ik, stel ik me aan, maar ik geloof het zelf niet. Ik rijd extra vaak naar de winkel.
Na een van de ritjes, zie ik vanuit de verte een grote zwerm vogels in de buurt van mijn huis. Ik rijd harder dan is toegestaan, terwijl de kraaien steeds hoger cirkelen.
Wanneer ik aankom is de boom leeg: op de grond liggen zwarte hopen veren, een met witte vlekken. Ik tel acht snavels. De rest van de familie moet ontkomen zijn.
De stilte is bevreemdend. Ik kniel neer bij de vogels, streel hun snavels en klauwen. In hun borst zitten kleine gaatjes: tientallen kogeltjes die ze onmogelijk konden ontwijken. Ik draai ze op hun zij, leg ze onder de boom. De witgevlekte vleugels strijk ik glad. Daarna zet ik een paar passen naar achteren om het resultaat te bekijken.

Beeld CC Alexandre W

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog