, 27 November 2017

Paul (IV)

Een nieuwe maandag, nieuw verhalend proza van Shira Keller! Het vierde deel van haar feuilleton Paul.

*

4. Zon

7 Maart 1941, Batavia.

Schoenen kopen op de markt.

Deed er een volle week over om dat voornemen om te zetten in een daad. Althans, ik vertrok naar de markt. Schoenen heb ik nog steeds niet.

Aangekleed, tasje ingepakt, de kleine jongen bij het personeel vandaan geplukt, stevige stappen naar de tramhalte – alsof ik de Mount Everest beklom, serieus. ‘Met mammie naar de pasar.’ Het joch huppelde, ik verzekerde me ervan dat buren zagen hoe stevig ik liep en dat de jongen mijn hand vasthield en huppelde, dit beeldde uit: een goede moeder.

In de avonden en de weekends was het tamelijk onopvallend, dat kwam door Fritz. Sinds hij weg is ben ik zeven dagen in de week een spook. Ze hebben hem meegenomen. Ik weet niet waarnaartoe en ik weet niet wanneer hij weer terugkomt. In zijn fabriek loopt alles spaak nu. Ergens lucht het me op dat ik me niet langer groot hoef te houden. (Hadden ze mij meegenomen, dan was er niets spaak gelopen.)

In de tram. Het kind zat op een van de banken, neusje tegen het raam, wiebelende beentjes. Ik stond in het gangpad met mijn tas. De tram tjokvol Japanners, in de hele stad wemelt het ervan tegenwoordig, alsof er een plaag van is uitgebroken. Armoeiige vale uniformen, door zon en zweet verweerde petten met flappen, doodernstige licht gespannen gezichten – ergens zijn het maar arme jochies. Ze doen ook maar braaf wat hen wordt opgedragen.

Terwijl ik daar stond, te kijken naar die ondoorgrondelijke Japanse koppen, naar de geschaafde knietjes van mijn zoon, Indische gerimpelde vrouw met fruitmand op schoot, gevouwen slanke blanke handen van een oogverblindend mooie Europese vrouw, was het alsof alle zwaarte – de melancholie, de wanhoop, de hoop ook – zich van me afscheidde, gewichtloos opsteeg, stoom van kokend water. Mijn oren ‘plopten’ open, alle geluiden opeens heel hard, en helder, iemand buiten riep iets, het knarsen van de wielen in de rails, het rammelen van de tramdeur in de sponning, paardenhoeven buiten. Ik rook het klamme zweet, de scherpe kruiden, de verrottingsgeur van vochtige hitte.

De tram remde af, een halte, pingeltje, de deur ging open en ik stapte uit, glimlachend, de zon in, lichte stappen – alsof ik werd opgetild door vleugels – over het asfalt, stak de weg over. Fietstaxi’s, auto’s en voetgangers schoten uit hun baan, slalomden zich in mijn ooghoeken soepel een weg om mij heen. Ik ging op een bankje zitten. Ik ben de zon, dacht ik, dat weet ik nog, dat ik dat dacht, alle hemellichamen draaien tollen wentelen zich rondom mij, het hele universum, al dat eindeloze onvermoeibare bewegen: niets dan een afspiegeling van het in mij zich immer roerende onderhuidse monster – Alles Draait Om Mij. Zonder een sprankje relativering, dat hoor je wel. Och, hoe rustgevend. (Dit: een soort geluk.)

Toen, plotseling: scheur door de wereld, begeleid door ijzingwekkend gekrijs. Kippenvel. Ik, opengespalkte ogen mond, begon te vallen vanuit de hemel richting aarde, asregen rond verschroeide vleugels (vleugels?). Recht voor me staken twee Japanse mannen de weg over met tussen hen in mijn zoontje dat niet huppelde. Vertrokken gezicht, rood, nat, ten hemel gekantelde open muil, van waaruit de stem van Satan schelde. (Vallen, vallen, geen adem.) De Japanners hielden elk een van zijn schoudertjes vast, verhinderden dat hij de straat over zou rennen, dirigeerden hem met zachte dwang mijn kant op, emotieloze gezichten. (‘Blijf van mijn zoon af!’) Het joch had zijn armpjes naar me uitgestrekt, verkrampte reikende vingertjes, het drietal naderde me, stap, stap, voorbijgangers hielden de pas in, keken geamuseerd toe. Toen hij bijna bij me was, een meter nog, zijn grijpvingertjes binnen mijn bereik, hield mijn zoon plotseling op geluid te maken, perste de oogjes stijf dicht, draaide zijn kin naar zijn schouder, keerde met alle macht zijn paars geworden van tranen glimmende hoofdje van me af.

Ik werd wakker in het ziekenhuis. Het kwam door de zon, zeiden ze. ‘We raden u aan op dit uur van de dag een hoofddeksel te dragen.’

‘Jaja, sorry, dom-dom, sorry hoor, excuus.’

Mijn zoontje zat samen met een verpleegster in de ‘speelhoek’, bouwde een blokkentoren. Hij lachte toen hij me zag, ‘kijk, mammie, kijk!’.

Ik heb de baboe gezegd dat ik hem voortaan naar bed wil brengen. Vanaf nu geen onzin meer.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog