, 24 November 2017

Deze week gelezen: Februari, Mutsaers, Van Ertvelde & Debruyne, Woodrell

Maxim Februari, Charlotte Mutsaers, Anaïs van Ertvelde & Heleen Debruyne, Daniel Woodrell: de redactie las een interessante roman met een vette stijl; een frisse, iets te autobiografische roman, een zichzelf serieus nemend boek over seks (en schaamte!) en een cowboyboek met serieuze gesprekken over de mannenliefde.

*

Daan Stoffelsen: Maxim Februari, Klont, en Charlotte Mutsaers, Harnas van hansaplast

Ik las de afgelopen week met gemengde gevoelens. Als u de flaptekst van Maxim Februari's Klont leest, begrijpt u dat, terwijl het boek oneindig veel interessanter is dan de flaptekst suggereert. Ik kan het u afraden, trouwens, flapteksten lezen. Het thema is liegen, en op het achterplat staan de grootste leugens. (Terzijde: op de uitgeverij werd gesuggereerd andere auteursnamen op en in het nummer te zetten, zoals Arnon Grunberg, A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen, Maxim Februari. Relletje, DWDD-materiaal. Maar liegen kost nu eenmaal inspanning. Ik was er te moe voor.)

Eerste zin flaptekst Klont: 'Bodo Klein heeft zich op het ministerie van Veiligheid onmogelijk gemaakt en moet een paar weken in de luwte blijven.' Hoe heeft hij zich onmogelijk gemaakt? Door een niet te openen bestand rond te sturen met zijn zelfmoordbrief - en vervolgens af te zien van zelfmoord. Het brengt deze Bodo Klein in een tussensituatie. Hij is er, en hij is er niet. Zijn ideeën zijn er, maar zijn emoties zijn getemperd, zijn lichaam lijkt er niet meer toe te doen. Daar zit een parallel in met de klont zelf, een wat ranzige benaming voor de steeds verder lerende algoritmen die met onze data aan de haal gaan. Ze creëren een nep-ons, die ons niet meer nodig heeft.

Vervolg flaptekst: 'Zo kan hij mooi een opdracht uitvoeren voor zijn minister: hij wordt op pad gestuurd om verdachte uitspraken te onderzoeken van de wereldberoemde spreker Alexei Krups. Helaas komt op hetzelfde moment de familie van zijn vrouw logeren. Alexei Krups reist intussen rond met een bejubelde lezing over digitale technologie. Door het gebruik van data en kunstmatige intelligentie zullen de roman en de politiek teloorgaan, waarschuwt hij opgewekt.' Die familie komt niet logeren, die is door een overstroomd riool (volgens Bodo door hemzelf veroorzaakt) uit hun huis gejaagd. En het is amper familie, het is zijn zwangere stiefdochter met kinderen en man. Die Alexei Krups, de ik van het verhaal, is een congrestijger pur sang, de meest gewilde keynote speaker. Miriam Rasch (klont-deskundige) zette op Twitter een streep bij dit citaat: 'Wie is de mens? De zaak interesseerde Bodo, en hij luisterde oplettend. Maar zolang de jonge Krups aan het woord was, moest je vaststellen dat de verhalen die hij aandroeg dubieus waren, geen laaiende onzin, maar ook niet bijster betrouwbaar.'

  1. 'Wie is de mens' is ook de vraag die Februari stelt. Hoe verhoudt hij (zij?) zich tot denken, emotie en vooral tot data? Interessant en belangrijk.
  2. 'Zolang hij aan het woord was'? Daarna toch ook nog? Of valt dan de scepsis weg? Februari formuleert af en toe slordig, en vaak iets te vet. 'Nadine had deze dagen niet veel nodig om verontwaardigd te raken en dit was al genoeg. "Is er dan niemand die kan zorgen dat ze een beetje fatsoenlijk eet," snauwde ze suggestief.' Dit was al genoeg? Dat zie ik. Suggestief? O.
  3. Die toonzetting past ook bij de satire die Februari ook schrijft. Het gejubel van de congresbezoekers, het slappe geluk van Krups, het gepaniek en het gezeur (ook in dit boek zeggen personages genoeg onzin over de waarheid trouwens, je zou er een themanummer over willen maken), het is lekker over the top. Maar daardoor ook wat afstandelijk. Vermakelijk, ja, maar 'Wie is de mens' wordt over anderen gevraagd.

Het boek gaat over meer, over de neiging tot romantiek, ambitie, de verschillen tussen mannen en vrouwen. Maar die drie punten bepalen wel mijn gemengde gevoel.

Charlotte Mutsaers' boek, waarover Thomas 7 december met haar gaat praten bij Athenaeum, is een ander verhaal. Het is persoonlijk, en ongemakkelijk genoeg is de vraag die het eigenaardige Volkskrant-interview opwierp (is het allemaal waar) onderdeel van de aantrekkingskracht. Ook Mutsaers zet bij tijd en wijlen lekker aan. Ze mijdt gemeenplaatsen niet, en fictionaliseert vet. En ze schrijft fris, de ijzersterke flaptekst citeert de eerste zinnen en die illustreren mijn punt:

'Vlak voor oudjaar 2001 werd mijn broer Barend dood op zijn bed gevonden in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek. Geen gewone dood; hij was pas eenenvijftig en slechts omringd door grote stapels porno. Kort daarvoor had ik een krantenbericht gelezen over een man die dood was aangetroffen onder aan een Spaanse rots, met blote pik en een kip zieltogend aan zijn voeten. Ook zoiets.'

  1. Lekker tempo, direct. Blote pik, ook zoiets. Drie zinnen later: 'Het leven verlaat ons, en meestal niet gracieus. Het sluipt uit je weg zonder afscheid te nemen, vraagt nooit of het schikt en laat je barsten te midden van de shit. Elk leven is qualitate qua een Unvollendete; voltooide levens bestaan niet.' Dat geloof ik meteen! En de stijl: de wisseling van registers, shit naast qualitate qua en Unvollendete, dat werkt. Het houdt je wakker.
  2. De anekdotische kracht van de roman gaat verder dan deze twee faits divers: die boekenkist van Grotius, dat iemand daar intrapt, de snelle wip met de porno-opkoper, geestig. De fisherman's friends. De vader met de dameshoed. Maar ze ontroert ook. De schrijfsels van broer Barend zijn triest en mooi (Mutsaers citeert niet vaak, maar als, dan ruimhartig, pagina's achtereen), de anekdotes over de vader zijn mooi, de afscheidsverhalen van de stripverkoper, de beste vriend, de jeugdliefde.
  3. Ze wekt herkenning op. Bij het leegruimen van de bibliotheek ontdekte ik dat ik destijds dezelfde strips las als Barend (goede smaak!). Ze roept hoge verwachtingen op met de stellingname dat Utrecht 'een onvergelijkbaar geheimzinnige en duistere sfeer bezat'. Mutsaers slaat geen strip open en gaat na haar eerste hoofdstuk amper nog in op het mysterieuze van Utrecht. Jammer.
  4. En het boek gaat niet alleen over deze razendinteressante Barend, een figuur waar wel meer van te maken was. 'Intussen sluit ik niet uit dat dit boek ook wel eens, direct of indirect, over mijn vader, mijn moeder of mijn zus A. zou kunnen gaan.' En over Mutsaers zelf. De spoken in dit ouderlijk huis zijn niet allemaal even interessant, vrees ik, en door de inbedding in deze familie van buitenstaanders begrijpen we Barend wel beter, maar verzuipt zijn verhaal ook.

Gemengde gevoelens.

Uitgeverij Prometheus gaf Klont uit, en Das Mag Harnas van Hansaplast.

Thomas Heerma van Voss: Anaïs van Ertvelde en Heleen Debruyne, Vuile Lakens

Een zichzelf serieus nemend, niet al te populistisch maar wel vakkundig geschreven boek over seksualiteit en seksuele standaardbeelden: daar zijn er weinig van, en alleen al daarom was ik benieuwd naar Vuile Lakens. In dit non-fictiewerk belichten de Vlaamse Anaïs van Ertvelde en Heleen Debruyne – beiden uit 1988, laatstgenoemde schreef al de roman De plantrekkers – de meest uiteenlopende aspecten van seksualiteit (monogamie, consent, de anatomie) op een uitgebreide manier.

Daarbij schuwen ze de persoonlijke noot niet. ‘Neem nu mijn vagina. Dat ding lekt,’ begint Debruyne bijvoorbeeld het hoofdstukje over Vochtige kutten, en wanneer het even later gaat over Vrouwelijk verlangen is dit haar eerste zin: ‘Ik krijg graag een mep tijdens het vrijen,’ opent Debruyne bijvoorbeeld het hoofdstuk over Vrouwelijk verlangen. Maar zulke persoonlijke ontboezemingen worden gelukkig nooit sensationalistisch: ze dienen ter inleiding van een groter verhaal, het draait niet om Van Ertvelde en Debruyne zelf.

Dat is prettig, ik las Vuile Lakens in een dag moeiteloos uit, al moet gezegd: de omvang breekt het geheel soms ook op. Van ieder onderwerp wordt als het even kan de geschiedenis uitgeplozen, eeuwen seksualiteit worden belicht, en hoewel dat genoeg boeiende terzijdes oplevert, van Aristoteles tot de middeleeuwen tot nu, doemde bij mij ook af en toe de vraag op waarom iets wordt beschreven. En waar de afbakening precies ligt. Zeker omdat er ook nog eens interviewtjes tussendoor zijn verweven met hedendaagse volwassenen, die worstelen met hun geaardheid of met clichématige blikken van de buitenwereld - als illustratieve anekdotes zijn die stukken vaak aardig, maar ze zijn regelmatig ook te lang en ze zijn persoonlijk noch wetenschappelijk.

Daarbovenop bevat het geheel, wellicht doordat de twee hoofdstuk om hoofdstuk hebben geschreven, de nodige herhalingen, en ik stoorde me in toenemende mate aan het veelgebruikte woordje ‘we’: het ene moment doelen Debruyne en Van Ertvelde daarmee op zichzelf, het andere moment op de vrouw – en dan worden de zinnen zo breed dat ze als gemeenplaats klinken.

Tot slot een persoonlijke toevoeging: in het hoofdstuk over Schaamte – verbonden, uiteraard, met seksualiteit – schrijft Van Ertveld: ‘Schaamte is, kortom, niet uit te roeien. Dat hoeft ook niet. […] Wél kunnen we ons de vraag stellen waarover we ons precies schamen, of dat schaamrood nuttig is, en of het positieve of funeste effecten heeft.’ Of dat positieve effecten zijn weet ik niet, maar ik ben ervan overtuigd dat ikzelf zonder schaamte nooit was gaan schrijven. Zolang ik me ken schaam ik me, voor de meeste uiteenlopende zaken maar het gevoel blijft altijd hetzelfde – en ik ben ervan overtuigd dat ik me anders nooit zo graag zou hebben afgezonderd, dat ik me niet zo zou hebben toegelegd op schrijven en lezen, dat ik dit boek anders nooit had opengeslagen.

De Bezige Bij gaf Vuile lakens uit.

Jan van Mersbergen: Daniel Woodrell, Op pad met de duivel

De Duitser Karl May scheef cowboyverhalen over Old Shatterhand en Winnetou, Indianen die streden voor een vreedzame samenleving, die niet zo maar naar de wapens grepen en wroeging hadden wanneer ze in uiterste nood toch af en toe iemand dood moesten schieten. Dat beeld werd in de tweede generatie cowboyboeken bijgesteld. Cormac McCarthy en Larry McMurtry zetten een veel minder romantisch, een moreel ondergraven beeld neer van de plattelandsgebieden van Amerika. In de nieuwste cowboyboeken is een andere trend te bespeuren: de mannenliefde.

Annie Proulx met haar succesvol verfilmde Brokeback Moutain, dat twintig jaar gelden verscheen. In het recente, indrukwekkende Dagen zonder eind van Sebastian Barry kruipen de cowboys ook bij elkaar in de slaapzak en momenteel lees ik, na een tip van Gilles van der Loo, Op pad met de duivelvan Daniel Woodrell.
Een titel die klinkt als een boek van Karl May, toch is het contact tussen hoofdpersoon en verteller Jake Rödel en een van zijn kompanen heel anders dan in de oude tijd:

‘Jack Bull, mijn steun en toeverlaat, die op een deken naast me lag, richtte zich op. Terwijl ik naar zijn mooie Amerikaanse gezicht keek, hoopte ik dat het altijd zo zou blijven, hij en ik en niet veel meer.’

Wat volgt is een serieus gesprek over gepieker, over hoop, over de pink van Rödel die eraf geschoten is, want geschoten en gemoord wordt er erg veel in deze roman. Woordell sluit het hoofdstuk af met:
‘Ik geef veel om je, zei Jack Bull tegen me. Toen ging hij liggen en wikkelde zich in zijn deken. Zijn hoed bedekte zijn gezicht, maar hij sprak er dwars doorheen. Ik geef echt om je, Jake, maar soms maakt dat me heel serieus.’

Ook dit boek is verfilmd, door Ang Lee: Ride with the devil.

De Geus gaf destijds Op pad met de duivel uit. Het boek is nog te koop via Boekwinkeltjes.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog