, 28 November 2017

De selectie als leugen

Revisor 17. 10 leugenaars is verschenen! Een elfde, of als u de ongelogen werkelijkheid volgt, een vijftiende leugenaar, is Maarten Buser. Voor ons schreef hij over de selectie als leugen.

*

‘Nothing ever changes, goes the old joke, except the past’
- Patrick McGuinness

Tientallen keren heb ik hardop dezelfde vraag gesteld: ‘Wat is het verschil tussen een feit en een mening?’ Mijn bijlesleerlingen dreunden vervolgens het even catechismusachtige antwoord op: ‘Een feit kun je controleren en een mening niet.’ Ze leren dat een mening vaak niet voorafgegaan wordt door ‘ik vind’, maar gepresenteerd wordt als een feit. Toch merken ze soms opmerkingen als ‘Het Nederlandse voetbalelftal behaalde een verpletterende overwinning op de tegenstander’ aan als een feit – die overwinning kun je controleren, en dan zal het ‘verpletterende’ ook wel feitelijk zijn. Mis, natuurlijk. Zelfs als het om 20-0 zou gaan, is ‘verpletterend’ een interpretatie van de feiten.

Volgens de Dikke Van Dale is een leugen een ‘onware mededeling met het doel om te misleiden’.

Fotografie wordt vaak als een objectief medium gezien, zeker als het gaat om de tak van de reportage- en nieuwsfotografie. World Press Photo bijvoorbeeld is fel tegen fotobewerking. Zo diskwalificeerde de organisatie in 2010 een fotograaf omdat hij op zijn derdeprijswinnende foto een voet had weggephotoshopt.

Ook veel fotojournalisten geloven in de foto als overbrenger van waarheid, en keren zich tegen bewerking. Mads Nissen bijvoorbeeld – de winnaar van de World Press Photo of the Year in 2015 – merkte in de Volkskrant behoorlijk fel op: ‘Beeldmanipulatie is haram, het heeft niets met journalistiek te maken. Fotografen die een glas of een snoer uit een foto wegpoetsen om esthetische redenen zijn leugenaars.’ Het idee achter doe uitspraaklijkt eenvoudig: wat je ziet komt niet overeen met wat er toen echt te zien was, en daarom is de gemanipuleerde foto een leugen – het visuele equivalent van een bewering die niet overeenkomt met wat er echt is gebeurd. Maar wat als dat glas zich bijvoorbeeld aan de linkerkant van het origineel bevindt en je het met bijsnijden weg kunt laten? Als je de camera wat naar rechts draait en het glas zo buiten het kader houdt, als een analoge vorm van bijsnijden, lieg je dan nog steeds?

Als iets op een foto weglaten liegen is, is een foto dan niet per definitie een leugen? Links buiten beeld gebeurt er wat, rechts, boven, beneden, enzovoort. Als je niet zou willen liegen zou je álles vast moeten leggen, wat in een enorme foto zou resulteren – een beetje zoals in het bekende verhaal van Borges (‘Over de onbuigzaamheid in de wetenschap’) waarin sprake is van een schaal-1:1-landkaart die precies even groot is als het rijk waar ze de kaart van is. Maar dan blijft de foto alsnog een momentopname: je ziet niet wat er direct voor of na het fotograferen van de hele wereld gebeurt. Het is een selectie.

De film The Final Cut (2004) gaat over selecteren. In de toekomst kunnen mensen een chip laten implanteren zodat al hun herinneringen vastgelegd worden, letterlijk door hun eigen ogen gezien. Robin Williams speelt een man die die na de dood van zo’n chipdrager alle filmbeelden monteert tot een levensverhaal van speelfilmlengte, waar zijn nabestaanden naar kunnen kijken. Williams laat de slechte kanten van de overledene weg. Hij vergelijkt zichzelf daarom met een zonde-eter: een middeleeuwse figuur die de zonden van anderen op zich neemt. Als hij aan de film werkt van een rijke zakenman die verdacht wordt van pedofilie en een scène tegenkomt die duidelijk de opmaat vormt voor kindermisbruik, haalt hij die weg.

Het komt nogal feitgericht over: filmbeelden van een heel leven hebben, waardoor je kunt controleren of iets echt is gebeurd. Williams’ personage kijkt zelfs naar zo’n opname om te achterhalen of hij zich een voorval in zijn jeugd wel goed herinnert. Filmmateriaal van een heel leven hebben lijkt bovendien net zoiets als een 1:1-kaart; ook behoorlijk absurd. Maar zodra je de selectie maakt begin je te liegen.

In 2013 verscheen Julian Barnes’ boek Hoogteverschillen. Het bestaat uit drie essays, waarvan de eerste twee gaan over ballonvaart, historische figuren en fotografie-vanuit-de-lucht. Het derde deel gaat over Barnes’ rouwproces na de dood van zijn vrouw Pat Kavanagh, en over wat je rouw in het algemeen zou kunnen noemen. Hoewel zowel in de Engelstalige als Nederlandstalige uitgave het boek niet expliciet non-fictie heet (evenmin fictie, overigens), is het als lezer een logische stap om deze combinatie van essayistiek en autobiografie non-fictie te noemen. Het tweede deel van het boek lijkt echter een fragment uit historische roman, inclusief dialogen en gevoelens van personages – mensen die echt bestaan hebben nota bene – waar Barnes niets van had kunnen weten, en die niet te controleren zijn. Het leugenachtige van het boek blijft niet hiertoe beperkt.

Net als Robin Williams in The Final Cut monteert Barnes. Het relaas over zijn rouw drukt hij  in een drieledige vorm waarin negentiende-eeuwse geschiedenis resoneert met zijn eigen gevoelens. Hoe a-chronologisch en associatief het verhaal ook verteld wordt: uiteindelijk is het een verhaal, traditionele structuur of niet. Intertekstualiteit begint bovendien een rol te spelen. Na Kavanaghs overlijden kreeg Barnes namelijk een nieuwe hobby: naar de opera gaan. Een van die opera’s speelt een belangrijke rol in Hoogteverschillen: Christophs Glucks Orfeo ed Euridice. In het kort: Eurydice overleed en Orpheus sloot vervolgens een deal met de heersers van de onderwereld. Hij mocht haar uit het dodenrijk bevrijden, maar hij mocht niet naar haar omkijken totdat ze het daglicht zagen – dan zou ze definitief terug moeten. Hij keek om. Deze mythe is een belangrijke, veelvoorkomende intertekst voor kunstenaars die in hun werk de overleden geliefde terug proberen te laten herleven, met in het achterhoofd dat die poging tot mislukken is gedoemd. Hoewel het gezien de omstandigheden begrijpelijk is dat Barnes een gevoeligheid voor deze mythe heeft ontwikkeld, lijkt deze intertekst meer te zeggen over zijn bóék dan over zijn leven: Hoogteverschillen is een poging om Kavanagh terug te halen, terwijl hij weet dat dat niet zal lukken. Het gaat misschien ver om dat liegen te noemen, maar de waarheid wordt wel een bepaalde kant op geduwd.

Barnes put in het autobiografische gedeelte van Hoogteverschillen vooral uit de jaren na Kavanaghs dood maar haalt ook herinneringen aan uit de tijd dat zij nog leefde. Een daarvan is dat hij een artikel las over Pierre Bonnard, een schilder die zijn echtgenote bleef schilderen als jonge vrouw, ook nadat zij overleden was. De kunstcriticus die het stuk schreef noemde dat ‘morbide’, terwijl Barnes het eigenlijk niet vreemd vond. Ook herinnert hij zich een vriendin een anekdote over een vrouw die doodgewoon tegen haar overleden echtgenote begon te praten,. Barnes geeft aan gesprekken te blijven voeren met Kavanagh; die twee herinneringen lijkt hij als onderbouwing of rechtvaardiging op te voeren. Door de context krijgen ze opeens een ander gewicht, een andere rol dan vóór het

Volgens Barnes gelooft de mens graag in patronen: ‘Ieder van ons [moet] doen alsof hij een patroon ontdekt, of herordent. Schrijvers geloven in de patronen die hun woorden maken, die naar ze hopen en vertrouwen resulteren in ideeën, in verhalen, in waarheden.’ Het woord waarheden houdt natuurlijk ook in dat er verschillende, afzonderlijke waarheden zijn. Kun je die eigenlijk controleren?

Laatst diende zich een herinnering aan, zonder duidelijke reden: de overbuurjongens uit mijn basisschooltijd hadden op zolder een computer staan waarop we geregeld gameden. Ook stond er de grote stripverzameling van mijn buurman. Aan de strips mocht ik niet komen, wat ik raar vond: die  waren toch gewoon om te lezen? Op een dag speelden we dat de kamer een ruimteschip was. We kwamen in een lastige situatie terecht en midden in het spel rende ik naar de strips toe: ‘Misschien staat er wel een oplossing in die boekjes.’ De buurjongens werden boos.

Zal ik deze herinnering al hineinterpretierende aanhalen? Ze zou bijvoorbeeld kunnen illustreren dat lezen al jong een mysterieuze aantrekkingskracht op me had. Dat doe ik niet, want voor mij is het gewoon een herinnering als zovele. Tegelijkertijd: mocht ik later onverhoopt een biograaf krijgen, kan ik me best voorstellen dat hij deze gebeurtenis opvoert als de kern van mijn schrijverschap. Ik weet niet of ik hem ongelijk zou geven.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog