, 15 December 2017

Deze week gelezen: Murakami, Faulks, Peek en Wieringa

Haruki Murakami, Sebastian Faulks, Gustaaf Peek, Tommy Wieringa: de redactie las deze week vier boeken, waarvan er twee een eerste deel zijn, Murakami noemt zijn nieuwste dikke boek een eerste deel en over Faulks' roman is zo veel te zeggen dat Jan van Mersbergen zich beperkte tot het eerste deel. Verder nog Gustaaf Peek en de laatste Wieringa en de vraag over het engagement.

*

Thomas Heerma van Voss: Haruki Murakami – De moord op Commendatore (Deel 1: een idea verschijnt)

Ooit werd ik in Utrecht geïnterviewd over literaire helden en antihelden. Over wie ik verrassend vond en welke schrijvers en schrijfsters me - ondanks hun goede reputatie - maar niet bereikten. Het was een aangename avond, het café zat flink vol, mensen luisterden en er werd een quiz gespeeld, altijd goed. Maar toen, halverwege, liet ik me ontvallen dat ik niet veel had met het werk van Murakami. Dat ik sommige boeken aardig vond, deels mooi zelfs, maar dat de fantasie en stijl me soms echt tegenstonden. En dat ik de af en toe lyrische reacties niet begreep. Direct kwam er protest uit de zaal, iemand riep dat ik er niets van begrepen had, een ander lachte me gewoon uit. De rest van de avond kwam het niet meer goed, wat ik ook zei of probeerde, welke vragen er ook werden gesteld.

Nadien heb ik als het gaat om Murakami nog vaker dan daarvoor het idee: ik mis iets. Iets essentieels. En bij zijn nieuwe boek - ik had er een paar overgeslagen, ik was toch wel benieuwd en zoals bekend: het leest prettig, uiterst toegankelijk - bekroop die gedachte me meteen weer. Let ik te veel op details, staat dat volledige overgave aan het verhaal in de weg? Let ik te veel op technische kleinigheden? Alleen al bij de eerste hoofdstukken van deel 1 van De moord op Commendatore - waarom dat in twee delen, los van elkaar verschijnt, is zoals Auke Hulst in NRC Handelsblad aankaartte een raadsel - stoorde ik me aan allerlei bijzinnetjes; iets gebeurt ‘onverwacht, als een donderslag bij heldere hemel’, een paar bladzijden daarna staat: ‘de grond onder mijn voeten was bijna volledig weggeslagen’, weer even later: ‘mijn hart [werd] door haar gestolen, alsof ik door de bliksem was getroffen’. Enzovoorts. Hoe kan iemand die zulke clichés uit zijn pen krijgt zo hoog worden aangeslagen, zulke hardnekkige fans hebben en zelfs jaarlijks worden voorgedragen als belangrijke Nobelprijs-kandidaat?

Toch las ik verder. Met steeds meer genoegen. Het is geen boek voor op mijn eindejaarlijstje, daarvoor vond ik het behalve af en toe slordig ook gewoon uitleggerig en herhalend (die twee komen lopen bij Murakami vaak in elkaar over), maar toch: dit verhaal over een schilder wiens vrouw onverwacht bij hem weggaat en die zich daarop terugtrekt in een afgelegen huis, wordt steeds levendiger en avontuurlijker. Mythischer ook. En daar slaagt hij dan weer wel in, zo'n eigen wereld oproepen, die surrealistische sfeer. Toen het me eindelijk lukte langs de herhalingen en merkwaardige zinnen heen te lezen merkte ik zowaar: ik ga deel 2 ook lezen, licht foeterend wellicht, niet helemaal overtuigd, maar ik wil weten hoe het verder gaat.

AtlasContact gaf De moord op Commendatore uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Sebastian Faulks, Het lied van de loopgraven (deel 1)

Waarom zijn historische romans vaak zo oubollig? Gebruikt de schrijver met opzet uitdrukkingen die nu oubollig aandoen maar wel passen bij de tijd waarin het boek speelt? Kan een schrijver de taal van nu ook gebruiken om een verhaal te vertellen dat in het verleden speelt? Of ligt het, zoals je vaak hoort, aan de vertaling?
Met die vragen las ik Het lied van de loopgraven van Sebastian Faulks. Een grote roman met een mooi verhaal, breed opgezet, een oorlogsroman die begint als liefdesverhaal. Maar met de taal van toen, en het was een worsteling daar doorheen te lezen. Een worsteling die veel moois bracht, daarover later meer.
Er zit in dit boek een strohoed. Alleen dat woord al. Strohoed. Die droegen ze in 1910, dat kan ik begrijpen, maar deze verteller doet alsof hij het nog steeds heel gewoon vindt dat mensen een strohoed dragen. Is het Sebastian Faulks, de schrijver die twintig jaar geleden deze roman schreef, die doet alsof een strohoed hem geen kriebels geeft of hanteert hij een onzichtbare derde persoons-verteller die eigenlijk in die tijd staat, ruim 100 jaar geleden? Het lijkt op dat laatste. Faulks’ verteller beschrijft ‘haren van een meisje met een lint erom’. Een lint! Ook dat is van toen. Of ‘een blauwe strik’. In iedere beschrijving zitten die gedateerde vormelijke woordjes en zowel hetgeen beschreven wordt als de woorden waarmee het beschreven wordt zijn erg gedateerd.
Die beschrijvingen zijn nodig voor het verhaal, want dat speelt nu eenmaal in die tijd, maar die woorden maken me kriegelig, ze veroorzaken jeuk alsof ik lees met een strohoed op. Het gedateerde taalgebruik stoot mij af.
Faulks laat tot vier, vijf keer toe een vrouw ‘een kreetje slaken’. Brrr. Dat kan tegenwoordig wel anders gezegd worden. Hij heeft het over ‘watertuinen’, toen erg modieus. Die tuinen kunnen er in het Noord-Frankrijk van de roman best gelegen hebben, een beschrijving met iets meer afstand zou passender zijn, vanuit het nu. Watertuinen, ik krijg er geen beeld bij, behalve bij het bootje waar de snobs die de personages van dit boek vormen in ronddobberen.
Er wordt ‘houtsnijwerk gemaakt, mensen hebben ‘bloeddoorlopen ogen’, ‘hartstochten dreigen’ de hoofdpersoon ‘te overmeesteren’, ‘een plumeau wordt voorbeeldig luchtig bewogen over porseleinen voorwerpen en glanzende tafels’, een jongen komt met ‘veel gedruist de trap afhollen’, gevoelens ‘van begeerte en opwinding die ze nooit had gekend overvielen haar...’
Daar kan een vertaler weinig aan doen. Dit is de stijl van een verteller die honderd jaar geleden toe stond te kijken en mij dat verhaal vertelt, in de woorden van toen. Maar ik leef nu, en ik lees nu. En Faulks ook, al is hij wat ouder.
Het is volstrekt overbodig, die zijige uitdrukkingen. Ze maken de personages niet echter of historischer, deze manier van vertellen zorgt voor afstand tussen schrijver en lezer, zo’n honderd jaar. Waarom niet vertellen naar de lezer van nu toe? Dan hoeft een gevecht niet beschreven te worden met ‘vuistslagen, muilperen en welgemikte trappen’.
Ouderwets dus.
Maar…
Dan lees ik tijdens twee werkavonden na elkaar, naar respectievelijk Nijmegen en Heerlen, flink wat bladzijden in deze roman en blijft toch het verhaal heel stevig overeind, zijn de karakters goed doordacht, is de liefde voelbaar en de wendingen zijn dreigend. Dan merk ik ook dat vooral het gegoede milieu dat Faulks beschrijft, met glimmende tafels en het genieten van momenten samen en ranken van een clematis voor het raam, eigenlijk gaan over luxe. Snobs. Met de harde armoedige staat van de arbeiders die slechts figureren in dit boek weet deze schrijver zich minder goed raad. Geen probleem.
Het is ruwweg het verschil tussen Engelse en Ierse literatuur. Ook iets wat in een generatie schrijvers geslopen is, zestigers. Waar McEwan (Atonement) en Hollinghurst (Kind van een Vreemde), en dus ook Faulks, zich verliezen in niet te genieten kasteelromans, weten Ieren als Roddy Doyle, Frank McCourt en Sebastian Barry de lage klasse te treffen in hedendaags proza, ook al spelen die romans ook tijden terug. Spreekt me in ieder geval meer aan.
En toch...
Het lied van de loopgraven (Birdsong is de oorspronkelijke en veel betere titel, zonder de directe verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog, maar met hel sterke beeld van de muziek die in het boek een belangrijke rol speelt) is een sterk boek en dat komt vooral door de dwingende kracht van het verhaal over een onmogelijke hartstochtelijke liefde van net voor de oorlog, over het verlies van die liefde, tegen het decor van de oorlog wanneer de Engelse hoofdpersoon Stephen zijn terugkeer in Frankrijk beleeft, in de loopgraven maar vooral op de plek waar hij die liefde vond.
Die jongen en zijn geliefde, een getrouwde vrouw, drentelen pagina's lang om elkaar heen tot Faulks de opgeklopte spanning laat ontploffen in een geweldige liefdesscène, prachtig geschreven, teder en direct tegelijk, en dan voel je als lezer dat deze schrijver met zijn oubollige taal een spel met jou en met de tijd speelde want deze liefde is tijdloos en de woorden die bij die liefde passen ook.
‘Stephens rustige ogen, zo dacht ze, waren niet bang. Toen zijn handen haar borsten begonnen te strelen, kon ze zich niet meer concentreren. Ze hadden maar heel even gepraat, maar wat ze hadden gezegd, en wat het betekende, had haar moe van het denken gemaakt. En dringender gevoel begon door haar lichaam op te stijgen terwijl zijn hand over die zachte en voor haarzelf bewaarde lichaamsdelen gleed. Haar ademhaling werd weer onregelmatig; de zachte uitademingen werden onderbroken, en ze voelde hoe ze weer begon te glijden, met graagte, maar naar beneden, waar geen einde in zicht was.’
Om hier te komen moest ik door ruim vijftig pagina’s en honderd jaar taal heen bijten, deze scène is geweldig. Ook voorafgaande aan deze slotzinnen slaakt de vrouw een kreet, het is Faulks vergeven. Directe sterke zinnen als 'hij leek opeens in haar op te zwellen, zodat hun vlees één werd’ maken dit tot een eigentijdse sterke seksscène die vooral ook liefdevol is, want dat is wat Faulks wil overbrengen: de liefde tussen deze Stephen en Isabelle.
En verderop, na afloop, na een kort herstel, 'voldoende om haar ogen te openen': 'Geen van beiden zei een woord. Allebei lagen ze heel stil. Buiten waren vogels te horen.'
Hij kan het wel. Hij kan het zeker. Dit is heel precies en mooi.
Ook de passage over het kerkbezoek van Stephen is heel sterk. Wat doet het geloof? Waarin schuilt het succes van de kerk? 'In het vermogen waardigheid door te geven door middel van steen en lapidaire inscripties over een alledaagse gebeurtenis als de dood.'
Zo, die staat, al moet ik nog steeds opzoeken wat lapidair betekent. Ondanks dat vaagt zo'n zin alle eerder geprevelde oubolligheid weg.
De vervolgalinea gaat over dood. Tussen de doden in de kerk. 'Zoveel doden, dacht hij, wachtend op een andere oogwenk voordat deze generatie zich bij hen zou voegen.'
Ik blijf citeren, dat is een goed teken voor de kwaliteit van dit proza.
Die geslaakte zuchten en kreetjes ben ik alweer vergeten, die blijven gelukkig niet hangen. Wel de meesterlijke intense spanning die Faulks tussen man en vrouw opvoert, in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog.
Natuurlijk valt Faulks terug in zijn taalgebruik. Als het overspel bekend wordt, het wordt eigenlijk gewoon verteld aan de man die bedrogen wordt, een beetje statisch, dan volgt er een gesprek waarin ze heel mooi haar angst verwoordt maar waarna ze ‘de kamer verliet met ruisende rokken en een nauwelijks waarneembare geur van rozen.’
Jammer vind ik dat toch steeds, die opgepoetste woorden. Opgepoetst, maar ze blijven stoffig. Verder lezen dan maar, het verhaal me laten leiden. De film voor me uittekenen, in sterke beelden, want die draagt Faulks wel aan.
En dat lukt.
Ze raakt zwanger, Isabelle: ‘Eind december bleef haar bloed uit.’ Mooi gezegd. Een dreigende opmerking sluit deze alinea af: ‘Ze zei niets tegen Stephen.’
Die dreiging gaat samen met verwarring, bij haar. Ze is zwanger, ze is bang, ze mist kracht, ‘ze heeft het gevoel de oriëntatie kwijt te zijn, ze is alleen, net als het kind, en ze is verdwaald en heeft het gevoel dat ze haar weg naar huis nog kan vinden als ze...'
Inderdaad, de achterflap verklapt al – en daarom kan ik dat hier ook gerust doen – dat Isabelle in deze verwarde en voor mij als lezer herkenbare en schrijnende gekmakende toestand, met veel gevoel en weinig heldere gedachten, terug zal gaan naar de man met wie ze getrouwd is.

Dat was het einde van het imponerende eerste deel van Het lied van de loopgraven, van de zeven. Over de rest schrijf ik ook nog, maar waarschijnlijk met minder woorden. Dan begint de oorlog, dan komen de loopgraven.

Prometheus gaf Het lied van de loopgraven uit.

Daan Stoffelsen: Gustaaf Peek, Verzet en Tommy Wieringa, De heilige Rita

'Er is nog tijd. Er is alle tijd. Iedere mens is weer de eerste mens.' Gustaaf Peek, vriend, oud-collega, opent zijn Verzet. Pleidooi voor communisme met hoopvolle woorden. We hebben kansen om het beter te doen. Beter dan wat? Beter dan het kapitalisme. Peek voert Kapitaal op als een figuur met een blinde geldlust, ten koste van iedereen, de 1%. 'Kapitaal, met zijn knechtende eigendomsrechten, kan onmogelijk bestaan zonder collectief verlies.' En waarom? 'Uiteindelijk, namelijk, is het kapitalisme slechts een theorie die op papier beter werkt dan in de praktijk, slechts een tijdelijk idee waaraan we ons telkens weer overgeven vanuit valse hoop en terechte vrees.'

Vervang 'kapitalisme' in deze zin door 'communisme' en je hebt een tegenwoord tegen dit bevlogen pamflet. Maar geloof me, het is de moeite waard Peeks woorden te wegen en voor het moment voor waar aan te nemen. Ja, het zijn abstracte termen ('knechtende eigendomsrechten', 'collectief verlies') en die passen niet in een literair oeuvre - maar dat de verhoudingen scheef zijn, pijnlijk, dodelijk scheef, dat is evident. Peeks beschrijving van de wanverhouding roept allerlei affaires en misstanden op: het lobbygeweld van Vertex, de ongegronde afschaffing van de dividendbelasting, de praktijken van Trump, de milieubelasting door vliegverkeer en kolencentrales, de schuldenindustrie, de administratiedruk op mensen in de onderwijs en zorg. De hulp aan banken en niet aan mensen. En al door op te sommen, realiseer ik me hoe groot en ontmenselijkend die schandalen zijn, hoe je niet ontkomt aan abstracte termen als het over onrecht gaat. En dan maar liever in de ronkende, paginalange zinnen van Peek, dan in de lege retoriek van politici. 

Toch is Verzet! vooral een aanklacht en een oproep tot nadenken, minder een pleidooi, want het communisme heeft, dat geeft Peek ook toe, geen fijne track record. Bijna zo beroerd als het kapitalisme, maar iets beter gedocumenteerd en systematischer. En hoe moet je het dan doen? Democratischer, gelijkwaardiger, en in ieder geval beginnen met op te staan tegen het onrecht. Peek voert Rosa Luxemburg op, een kleurrijke, inspirerende vrouw die meer pagina's literatuur verdient dan hier. Peek citeert wijze woorden:

‘De praktische realisatie van het socialisme als economisch, sociaal en juridisch systeem is zeer bepaald niet de optelsom van kant-en-klaren voorschriften die slechts toegepast hoeven te worden, maar een kwestie die nog volledig verborgen is in de nevelen van de toekomst. [...] Het negatieve, de afbraak, kan men decreteren, de opbouw, het positieve daarentegen niet. Onontgonnen land. Ontelbare problemen. Alleen de ervaring is in staat correcties aan te brengen en nieuwe wegen te banen. Alleen ongeremd, bruisend leven bedenkt allerlei nieuwe vormen, improviseert, krijgt scheppende kracht, corrigeert zelf alle vergissingen.’

We mogen het hopen, daarvan overtuigt Verzet! wel degelijk - maar we moeten er wel wat voor doen.

En toen de nieuwe Tommy Wieringa (Jan was al eerder lyrisch over dat boek). Ik volg zijn oeuvre niet op de voet, maar dat ik bij De heilige Rita terugkeer, is een onverdeeld genoegen. Een mooie, ronde roman over thuis en grensoverschrijding. Niet gek, als je zoals Paul Krüzen geboren, getogen en alleen gebleven bent in een dorp aan de Duitse grens, in de grote boerderij bij waar ooit de watermolen was en nu Krüzen Curiosa & Militaria gevestigd is (op het bord staat curosia, een blunder die hoofdpersoon Paul Krüzen in zijn voordeel weet te brengen: ‘Laat ze maar denken dat we Deze week gelezen: Wieringa, De Nooy, De Waard, Van ... revisor.nl Deze week gelezen: Wieringa, De Nooy, De Waard, Van Marissing, Van der Graaff dom zijn hier. Goed voor de onderhandelingsruimte.’). In het dorp zijn een Plus en een oude kruidenier, uitgebaat door Pauls vriend of in ieder geval lotgenoot Hedwiges Geerdink, een Chinees restaurant en een Chinese snackbar, maar de pinautomaat is verwijderd, en de politie doet er al snel een halfuur over om op plaatsen delict te komen.

Het is eenvoudig om deze samenvatting triest te vinden, maar Paul heeft een zekere evenwichtige melancholie gevonden, waarin ook het samenleven met zijn gehospitaliseerde vader, en zelfs zijn liefdeloze leven (betaalde seks over de grens, met een prostituee genaamd Rita). Er is hoop, ook voor de hopelozen (van wie St. Rita de patroonheilige is). Er zijn geweldige verhalen, over hoe een Rus in het leven van zijn ouders neerstortte, en hoe zijn moeder hen verliet voor die Rus. Er is een sfeer van vriendelijke, illegale zaakjes. En dan gaat het mis, en goed mis, en Paul verliest zijn balans.

Er zitten mooie parallellen in de roman, tussen hoe de vader en de zoon zich verhouden tot de buitenwereld, en tussen de dieren en de mensen. ‘

Paul Krüzen bekeek de ongelijke strijd vanuit de verte. Hij onderdrukte de neiging om met wapperende armen het veld in te rennen. Hij had gedachten over jagen en gejaagd worden. In de schaduw van de bomen hield hij zich onzichtbaar en bemoeide zich nergens mee. Alles moest zijn loop hebben. In het leven van de dieren, in dat van hemzelf, Paul Krüzen – meer haas dan kraai. Solitair levend prooidier. Hazenhart.’

Later herinnert hij zich een jachtscène.

‘Gestorven in hetzelfde veld waarin het dier ter wereld was gekomen, want de haas is geen reiziger. De jagers zeiden: “’n Hazen wil schötten wörden woar at he geboren is”, en elk jaar opnieuw dunden ze hun rangen uit.’

Om dit spreekwoord later op zichzelf toe te passen. Ik vind dat mooi gedaan. Er is genoeg detail en humor in de roman om je geen moment te vervelen, of je te realiseren dat al deze triestheid zo kan omslaan in tragedie. En als dat gebeurt, laat Wieringa mooi zien liefde - romantisch, vriendschappelijk of tussen vader en zoon - in het onuitgesprokene schuilt. Er zit een mooie grafrede in die in zijn felheid het spiegelbeeld is van de uitgesponnen, twijfelende toespraak in Rob van Essens Winter in Amerika (waar ik eerder op deze plek over schreef). Geen poging tot humor hier, maar ernst. En de zinnen kloppen, niets te groot, niets te klein. Literair tijdschrift Revisor - Deze week gelezen: Deen ... revisor.nl We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.

Nu heb ik nog een twijfelpunt. Ik vond het dus een mooie roman. Maar is het een roman die me in beweging brengt? Een geëngageerde roman? Ik lees dat wel terug in recenies, maar ik kan Paul Krüzen moeilijk anders zien dan een echt mens, een individu, met een geschiedenis en gewoontes die eigen zijn. Staat hij voor de sociale achterblijvers, de PVV-stemmers, diegenen aan de andere kant van de kloof? Is hij een representant die nu stem krijgt door de schrijver? En kan de roman dienen als illustratie bij een pamflet voor het communisme of voor welk idealisme dan ook? Dat zeker niet. Paul oordeelt niet, hij preekt niet, hij memoreert en wijst aan. Nee, en daarin is deze roman sterker dan bijvoorbeeld Murat Indrissi dat documentair leek te willen zijn: kijk, dit gebeurt, en het is vreselijk. Voor mij zit de kern van deze roman in de stille, liefdevolle verhouding tot de natuur, tot de bekenden, tot thuis. Tot wat is gebleven. En hoe eenvoudig dat doorbroken kan worden en aan gene zijde van de grens wreedheid en slechtheid oprukt. Misschien volstaat die kern.

Querido gaf Verzet! uit.
De Bezige Bij gaf De heilige Rita uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog