, 19 Januari 2018

Deze week gelezen: Natter, King, Driessen

Bert Natter (en Jonathan Robijn en Justine le Clercq en Kader Abdolah), Martin Michael Driessen, Stephen King: de redactie las een melancholische roman over een terroristische aanslag, een slimme komedie en een thriller zonder overdrijving.

*

Daan Stoffelsen: Bert Natter, Ze zullen denken dat we engelen zijn (en nieuwe boeken van Jonathan Robijn en Justine le Clercq en Kader Abdolah)

Het eenvoudigst is Ze zullen denken dat we engelen zijn samen te vatten als: een man maakt een terroristische aanslag mee, overleeft het met een onbekende vrouw, en worstelt met de nasleep. Want: ze worden verliefd, zij is getrouwd. Hij was getrouwd. Wat is er met zijn vrouw gebeurd? Hij blijkt slecht in namen (een running gag, maar ja, wie onthoudt een naam als Prunella? Bij Natter heten mensen Alfred Ellerau maar nooit gewoon Jan, Daan of Thomas), anderen blijken de aanslag anders te hebben ervaren, en hij lijkt even niet een slachtoffer (dat wil hij ook niet zijn, hij zwijgt over wat er gebeurd is) maar een dader.

Natter laat ons zien dat zo'n aanslag niet zo simpel is. Of de liefde. Maar het begint eenvoudig. De eerste pagina's beschrijft de ik, Alfred dus, minutieus de aanslag.

‘“Voor mij graag een…” Wat ze wil ontgaat mij, want terwijl het meisje zich vooroverbuigt om de vrouw beter te kunnen verstaan, verandert het kabbelende gedruis van de grote stad in een verschrikkelijk kabaal.
Een geldwagen raast over het plein, alles wat hem in de weg staat verpletterend of omverkegelend: prullenbakken, parasols, stoelen, tafels, mensen – om zich een ogenblik later met gierende banden in de gevel van het café aan de overkant te boren.
Met mijn ogen volg ik het spoor van lichamen naar de straat waar de wagen vandaan kwam, tussen de bioscoop en het stadhuis in.
De tijd wordt in fracties van seconden gemeten: een vuurbal slaat uit het café, op hetzelfde moment klinkt er een explosie, een donkere rookwolk wordt over de loungebanken geblazen, spullen worden weggeslingerd, mensen rennen door elkaar, kinderen gillen, glas versplintert, brokstukken vliegen door de lucht, papier dwarrelt omlaag en gruis daalt neer, een muur stort in, sirenes loeien, in een vleugelslag is niets meer zoals het was.’

Dat vind ik zeer geslaagd, wel wat traag, inclusief iets verderop 'Een tijdje niets' - maar dat benadert vermoedelijk de werkelijkheid. Die werkelijkheid, die van een romantische zomer naar orwelliaanse herfst verschuift in nog geen driehonderd pagina's, geeft de scherpte. Het schuiven met versies - Prunella's versies, de eerste blik op de camerabeelden, de tweede - geeft iets onbetrouwbaars aan Alfred, die met geen woord rept over hoe zijn vrouw overleden is, en dat geeft spanning. Hier is mijn twijfel: die scherpte en spanning zijn hard nodig, want de romance overheerst - bij mijn lezing althans. Het blijft licht. Melancholie overstemt woede of angst. En misschien is dat ook wel realistisch: hoe groot de impact ook van het kwaad, we maken onze verhalen klein en behapbaar en we eindigen eenzamer dan we al waren.

Korter wil ik het hebben over drie andere romans die ik las.

  • Mijn jurylezen bracht me eerst op Jonathan Robijns Congo Blues, een kale, nog eenzamere roman over een zwarte jazzpianist die zich heeft losgemaakt van zijn Belgische adoptieouders. Dan komt er een blanke vrouw bij hem in huis, die in alles behalve haar kleur doet denken aan zijn verloren geliefde. Grote onderwerpen als kolonialisme, AIDS, adoptie zijn het decor, maar Robijn schrijft subtiel en laat het mysterie intakt.
  • Toen Krimp van Justine le Clercq, een wat springerige (maar niet vrolijke, ik doel op sprongen in de tijd) roman over een koksdochter die te veel volwassenheid en onafhankelijkheid door haar vader opgedrongen krijgt. Krimp is een roman over liefde geweld, die misschien iets te vet aangezet is, maar wel werkt, ik geloof deze vrouw.
  • Ten slotte las ik Kader Abdolahs Het gordijn, een sympathieke novelle over de auteur die zijn dementerende moeder in Dubai treft. Eerst denkt ze in Amsterdam te zijn, dan op reis naar Mekka, en de zoon accomodeert haar in die wanen, beschrijft de verschillende ficties van de stad Dubai, haar dementie, Amsterdam en Iran. Ik heb grote sympathie opgevat voor de echtgenote, als externe criticus van de schrijver, maar krijg geen beeld van de moeder en zuster, en Abdolah schrijft zoals vaker niet mooi, veelal expliciet over emoties en hij stapelt saaie beelden. Maar het slot is ontroerend.

Ze zullen denken dat we engelen zijn werd door Thomas Rap uitgegeven. Een fragment is te lezen op Athenaeum.nl. Congo Blues verscheen bij Cossee, Krimp bij Podium en Het gordijn bij Prometheus.

Thomas Heerma van Voss: Martin Michael Driessen, De pelikaan

Ik ben doorgaans sceptisch wanneer een verhaal of stuk expliciet komisch wordt genoemd. Misschien omdat ik weinig boeken ken die ik echt heel humoristisch vindt. Misschien ook doordat er in de beste humor volgens mij een zekere tragiek schuilt, en die wordt zelden opgeroepen wanneer alleen maar met volle kracht op de lachstuipen wordt gemikt. Zo zijn de grappigste films naar mijn smaak zelden keiharde komedies – natuurlijk, er zit humor in, maar de verhalen schurken tegen het drama aan, ze hebben een in ontroering overlopende ongemakkelijkheid in zich. Denk aan The Office, zelfs aan zo’n zwartgallig werk als About Schmidt, dáár denk ik in eerste instantie aan wanneer het om humor gaat. Dit alles om de scepsis te illustreren waarmee ik aan Martin Michael Driessens De Pelikaan begon: het boek werd in besprekingen zo vaak humoristisch genoemd, de ondertitel van de roman is zelfs Een komedie – ik vreesde dat hier zozeer naar de lach gehengeld zou worden dat ik er weinig lol aan kon beleven en dat het verder weinig zou voorstellen.

Ik vergiste me. De Pelikaan is een slim, fijn geschreven, doeltreffend en jawel, ook gewoon komisch boek. Geen veredelde moppentapperij (gelukkig niet), geen verzameling klassieke punchlines, deze roman is in essentie één langgerekt en steeds omvangrijker misverstand tussen twee heren die beginnen als vreemden voor elkaar maar eindigen als vrienden. De kracht van dit boek schuilt vooral in de afwisselende perspectieven: beurtelings volgen we hoofdpersonen Andrej en Josip, beiden wonend in het overigens vraag omschreven oude Kroatië. Driessen geeft ons net genoeg informatie om enige sympathie voor beide karakters te geven, om te laten voelen hoe hun leefwereld met bijbehorende rituelen eruitziet, en tegelijkertijd waakt hij ervoor dat hij te uitbundig wordt. Knap, want het zorgt ervoor dat De Pelikaan een heel aanstekelijk tempo krijgt dat past bij de soms slapstickachtige aard.

Ik houd meestal niet zo van wisselende perspectieven, zeker niet als ze zoals hier vanuit een enigszins alwetende stem worden beschreven, maar in deze roman is het nodig. Het is de enige manier om deze kolderieke situatie weer te geven: door te laten zien hoe beide mannen verstrikt raken in hun eigen schijnlogica en hebzucht, en ze uiteindelijk besluiten elkaar te chanteren zonder dat ze het weten van de ander. Stel Driessen had gekozen voor het volgen van slechts één perspectief, dan hadden we met dat personage wellicht meer binding gevoeld, dan was het psychologisch vermoedelijk verfijnder geworden, maar ondertussen was de opzet van de roman totaal niet uit de verf gekozen – dan was het ofwel onduidelijk geweest ofwel volstrekt ongeloofwaardig, dan had de plot gevoeld als een goedkope oplossing.

Nu is De Pelikaan in essentie natuurlijk net zo ongeloofwaardig, maar door Driessens trefzekere toon en die wisselende opbouw werkt het, de roman schreeuwt bij wijze van spreken: kijk, ik ga nu een gek verhaal vertellen, zo zit dat in elkaar. En in dat opzicht dekt die ondertitel Een komedie de lading eigenlijk heel goed. Ja, een fijn boek, waarvan met name het eerste deel me echt kon bekoren. Daarna wordt het her en der een tikje sleets, persoonlijk heb ik meer met Driessens beschrijvingen dan met zijn dialogen, maar voor ik me ook maar enigszins verveelde schakelde hij alweer over naar een volgende, kolderieke scène – daarvoor is hij een veel te goede schrijver, en weet hij veel te duidelijk wat hij doet, hoe hij een verhaal moet opbouwen en jawel, hoe hij een lezer zowaar kan laten glimlachen.

Van Oorschot gaf De pelikaan uit. Bij Athenaeum is een fragment te lezen. Daan Stoffelsen besprak het boek eerder.

Jan van Mersbergen: Stephen King, Joyland

Als mijn opa, die achter de HAK-fabriek woonde, Jehova’s getuigen aan de deur kreeg, vaak jonge vrouwen in rokken, vaak met een kindje erbij, dan zei hij tegen die mensen: Ga toch plezier maken. Daaraan moest ik denken tijdens het lezen van een thriller van Stephen King, in een goedkope gebonden uitgave van Luijting-Sijthoff – echt een vondst van die uitgeverij: harde covers, mooie heldere bladspiegel, dikke sticker op de voorkant met daarop de schappelijke prijs, en waar voor je geld. Ik zag Joyland liggen voor zes euro en omdat ik een boekenbon van € 7,50 had kocht ik er bij de kassa een klein boekje bij van Jan Siebeling met kippen over voorkant voor € 1,50. Mijn jongste zoon vindt diertjes leuk.

Stephen King heeft een ongelofelijke lijst aan boeken geschreven, heel imponerend afgedrukt op de eerste linkerbladzijde van Joyland. Carrie, Christine, Het, Misery, 4 Seizoenen (waar het geweldige The Shawshank Redemption in opgenomen is), Rosie, het prachtig verfilmde The Green Mile, stuk voor stuk ijzersterke thrillers met naast spanning altijd een goeie verteller, levensechte personages met eenvoudige verlangens en dromen die naadloos passen bij het verhaal en de motieven, een heldere stijl en een dwingend plot. Joyland is ook zo’n boek.

Hoe simpel kan een verhaal voor een spannend boek zijn? Een jongen gaat in een pretpark werken: Joyland. Waar ze plezier verkopen. Een paar keer in het boek komt dat terug. ‘Weet je wat we hier verkopen? We verkopen hier plezier. Zullen we plezier gaan maken.’

Mijn opa had daar kunnen werken. Hij verkocht plezier aan Jehova's met hun zielige kindjes. Bovendien speelt in het verhaal van Joyland een kindje een rol dat nog ziek is ook, maar dat is een detail.

In dat park is een spookhuis. In dat spookhuis is een meisje vermoord (Linda Gray). Haar geest waait daar nog rond. Een jongen die een zomerbaantje in het pretpark heeft raakt daardoor geobsedeerd, en op ongeveer de helft van het boek zegt de jongen, die inmiddels een zestiger is: ‘Ik wilde de geest ook zien.’

Buiten de spannende verhaalopzet gewoon een personage laten vertellen wat hij wilde, toen. Want King begrijpt heel goed dat dit verhaal in 1973 speelt, lang geleden dus, en de verteller Devin Jones (hij wordt door de overige mensen in het pretpark Jonesy genoemd) zegt in het begin van het boek al over zichzelf: ‘Ik ben inmiddels een zestigplusser, mijn haar is grijs en ik heb prostaatkanker gehad.’ Zo zet je een verteller neer, zo zet je direct de verteltijd neer. King is daarin een superieure schrijver.

Jones droomt van meisjes: Wendy die hem liet stikken, Erin die al door een andere Joyland-collega veroverd is, Linda die in het spookhuis vermoord is, de knappe moeder van het zieke jongetje. Stephen King laat deze jongen zijn verhaal vertellen en dikt nergens de spanning aan, die zit hem in de vertelling zelf en in de drijfveren van deze verteller. Natuurlijk gebruikt hij cliffhangers en witregels die ook veel zeggen, en heeft ook Joyland een puzzel en een aardige oplossing, maar vooral schept King ruimte.

Als de collega die Erin al veroverd heeft Linda in het spookhuis heeft gezien staat er alleen: ‘De manier waarop ze haar handen uitstak.’ Verder niks. Geen overdreven details, geen bloed, geen opgeklopte spanning, alleen dit losse open zinnetje dat eigenlijk niks zegt maar dat de lezer wel de ruimte geeft om die manier waarop zij haar handen uitstak in je hoofd voor je te zien, samen met haar hele pose. Je ziet haar staan, en in de tekst staat dit juist niet.

Dat is magie. Dat is schrijven op topniveau, aan de hand van een heel oud maar ook heel vaak vergeten principe: de lezer de beelden laten invullen zodat de lezer de spanning kan voelen.

Dat voelen, of de moeilijkheid van het omschrijven van gevoel vergeleken met het beschrijven van wat er gebeurt, haalt King zelf aan. Als de zieke jongen zijn dag in het pretpark heeft beleefd laat hij verteller Devin Jones zeggen: ‘Ik herinner me Mikes dag in het park alsof het vorige week was, maar ik zou veel meer schrijftalent moeten hebben om te vertellen hoe ik me voelde.’

Dat is plezier maken, door de schrijver zelf. Je voelt aan alles dat King veel plezier heeft gehad in het schrijven van dit boek. Zijn standaard ligt hoog, hij doet er alles aan om aan die standaard te beantwoorden, en dat is hem weer gelukt. King mag een tevreden schrijver zijn.

Luitingh-Sijthoff gaf Joyland uit. Op hun site staat ook een fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog