Deze week gelezen: Van Aken, Fenoglio

Jan van Aken, Beppe Fenoglio: de redactie las een grote historische avonturenroman over geheugen en detail en een kleine roman over armoede vol geweldige zinnetjes, rijk door de strakke manier van vertellen.

*

Waar begint De ommegang? Dit weekend, bijvoorbeeld, las ik het zetbestand uit, met 627 pagina's het digitale equivalent van een baksteen, maandag werd duidelijk dat ik Van Aken 12 maart kon interviewen bij Athenaeum, en nu ik dit schrijf is De ommegang net omhooggehouden in De Wereld Draait Door. Oh en wacht, nu u dit leest, publiceert Thomas de Veen vier sterren over deze 'omvangrijke historische roman' in NRC Handelsblad - en hij is niet alleen positief omdat size matters, het is een goede analyse.

'Ik zoek iets, een herinnering die zich net achter de horizon verschuilt, zoals je soms een eenvoudig woord niet meer voor de geest kunt krijgen, maar tegelijkertijd weet dat het je ieder moment weer te binnen kan schieten. Ik zal me het hoofd niet pijnigen, want ik weet dat de kans groter is om het te achterhalen als ik er niet te hard naar zoek; het zal vanzelf komen, onder het vertellen.
Ik weet alleen niet goed waar ik moet beginnen. Bij mijn vroegste herinneringen? Of bij de wending die mijn leven nam toen ik Maelgys weer tegenkwam op de lange weg naar Konstanz? Maar er is geen reden waarom we geen twee paden kunnen bewandelen, tenslotte betreden we het domein van de geest.'

Nee, aanleidingen zijn geen paden, dat zijn ingangen. Een van de daadwerkelijke paden in De ommegang, het abstractste en hoogdravendste, is dat van het geheugen. Isidorus, een vondeling met de naam van de de beschermheilige van de catalogus, de encyclopedie en sinds 2005 het internet, leert volgens de methode van Cicero's Rhetorica ad Herennium hele bibliotheken te memoriseren - te beginnen met Vitruvius' grote boek over de bouwkunde.

'Het was een oude kunst. Je haalt je een plek voor de geest, bijvoorbeeld een huis, waarin je kamers, kelders, nissen en muren kunt gebruiken om de zaken te plaatsen die je wilt onthouden. Je probeert die zaken in een treffend beeld te vangen, een beeld dat door zijn schoonheid, door de ontroering die het opwekt, of juist door groteske absurditeit – gedachten zijn immers vrij – eenvoudig oproepbaar is in het geheugen. Wij herinneren ons na jaren vooral nog wat indruk maakte, terwijl de banale beeldenstroom van alledag in de herinnering snel vervaagt.'

Dus het gaat over het geheugen, het systematische - en het spontane. Spontaan, want hoe herinner je je een dronken nacht? Seks? Een dagenlange tocht op de rug van een paard? Zijn systematische kennis is Isidorus' middel om zijn doel te bereiken: een groot bouwheer te worden. En zolang dat niet zover is, een groot geneesheer.

Maar, en dat is een ander pad: om daar te komen, moet hij de wereld rond. Oxford, Parijs, Bologna, Trebizonde (het huidige Trabzon), Samarkand, de Oostkust van het continent, en retour, waar hij die Maelgys tegenkomt en in Konstanz belandt. Hij is een praktiserend atheïst en wordt omringd door gelovigen, hij is een bescheiden drinker in een liederlijke omgeving, hij is een minnaar die zich niet bindt aan vrouwen (stuk voor stuk een ingang of een pad in dit boek), hij zoekt vrienden en maakt vijanden. Hij is een modern mens rond het jaar 1400 - en dat anachronisme doet hem uiteindelijk in de kerker belanden, niet als slachtoffer van kruisvaders, Turken of Mongolen, maar als individu dat zijn bluf niet waar kon maken.

Het is ook geestig, spannend en interessant, en dat dat zo blijft gedurende die meer dan zeshonderd pagina's, komt door Van Akens ambacht, allereerst in vermogen te variëren, vertragen en versnellen. Door dingen te vergeten (hoe zit het nu met die tocht naar China en terug?). Maar ook in zijn vaardigheid de ernstige ambitie van Isidorus te kleuren met zijn blunders op liefdes- en geloofsgebied, zijn problemen met drank en zijn angst voor de zee.
Details te stapelen. In de eerste pagina's treft Isidorus een mooie vrouw. 'De vrouw droeg op haar linkerslaap een klein litteken als een zilveren spinnetje; ooit had een vaardige heelmeester daar een wond gehecht.' Drie keer raden wie die heelmeester was. Overigens blijft geen van Isidorus' geliefdes zonder kwetsuren. Hij voegt smaak toe door de hoerenbuurten op te zoeken, de Gropekuntlane in Oxford en de Grattecul in Londen. Door de gruwelen van de middeleeuwen in al zijn vleeslijkheid te tonen. En contrast door wijze mannen blind op te voeren.

Van Aken illustreert de grote geschiedenis van de ketterijen van John Wycliffe en Johannes Hus, de Zwarte Dood, de slachtingen in oorlogsgebied, het schisma van het Westen, de structuren van gilden, universiteiten en stadstaten, met een figurant, een kleine man. En wie wil nog lezen over Timoer Lenk of de drie pausen van 1409, als je Isidorus hebt?

Uitgeverij Querido gaf De ommegang uit, en het boek is dus het onderwerp van Athenaeum vs. Revisor IV, op 12 maart. U bent van harte welkom. Op Athenaeum.nl vindt u ook een fragment.

Jan van Mersbergen: Beppe Fenoglio, Doem

La Malora is de Italiaanse titel van Beppe Fenoglio’s kleine roman die nu vertaald is als Doem. Als ik het goed heb betekent malora ‘ruïne’. Ik begon in het boek op een rustige vrijdagavond, gewoon wat lezen in het weekend, maar ik kon niet stoppen met lezen, ik kon niet stoppen met citeren, ik moest hier meteen iets over schrijven, want anders zou ik die geweldige zinnetjes misschien vergeten te noemen. Op bladzijde zestien al, als de arme boerenzoon Agostino Braida op de markt wordt aangesteld als knecht bij ene Tobia Rabino, eigenlijk wordt de jongen gewoon verhandeld als een slaaf, zijn vader vangt een paar duiten, dan zegt Agostino, op weg naar zijn nieuwe meester: ‘Ik voelde me in mijn aderen het bloed van anderen die al knecht waren geweest.’
Centraal zinnetje, eenvoudig van taal, weids van strekking. Armoede maakt geen armoedige taal, dat wordt vaak wel gedacht maar Fenoglio begrijpt dat ook een arme sloeber waardig kan zijn en achteraf zijn verhaal hard en waardig kan vertellen. Niet in de vorm van een geleerd essay over armoede, maar in de vorm van een persoonlijk verslag over wat hij meemaakte, niet als slachtoffer maar als mens van vlees en bloed, een mens met gevoel, met taal die gevoel ademt. Hij piept niet, hij zegt gewoon: ‘Het ging slecht met ons.’ Veel meer kan hij er niet van maken.

Als die jongen in de stal gaat slapen: ‘Ik heb me, op mijn strozak in de stal, wachtend tot mijn buik in slaap zou vallen zodat ook mijn hoofd in slaap kon vallen, heel wat keren afgevraagd of ik die zeven goudstukken wel zou halen, aan het einde van het jaar.’
Verteller Agostino zet zijn broers en ouders heel goed neer. Het is zijn familie, hij kent ze, hij gaat in hoog tempo de rijen langs. Hij zet ook zichzelf neer, als jongen die drie jaar in het Pavoglione bij Tobia Rabino bleef en daar nu hij zijn verhaal uit de doeken doet al een tijdje weg is. ‘Als je voor Tobia werkt betaal je niet alleen met je huid maar met je hele hachje.’ Goed vertaald trouwens door Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek, die zegswijzen, dat zie ik het hele boek door: lekker verteld, ook in het Nederlands.
Om de polenta wat smaak te geven wreven ze ermee over een ansjovis die aan een touwtje aan een balk hing. Dat soort beelden blijven je wel bij, zeker als die vis daar al dagen hangt en amper meer smaak afgeeft. Als de jongen voor het eerst naar Alba gaat, waar zijn broer in het klooster zit, is hij zo onder de indruk dat hij steeds denkt: ‘Voortaan zal ik altijd mee kunnen praten en nooit meer jaloers zijn op degenen die de stad hadden gezien en er heel gewichtig over deden.’

Een boek van meer dan zestig jaar oud, maar die verschillen zijn er nog steeds en dat maakt dit proza tijdloos. Agostino durft de mensen in de stad niet aan te kijken, maar hij weet: ‘Als we daarbuiten in de heuvels waren, nou, dan sloeg ik jullie stuk voor stuk in elkaar, als we op mijn terrein waren. Om je rot te schamen, maar zo zat ik toen in elkaar.’
Heel mooi, die schaamte en die afstand tot die schaamte, in tijd. Ook mooi is de onbeholpenheid waarmee de jongen appelmoes en vis gaat halen voor zijn arme broer die erg bleek is en honger lijdt in het klooster. Hij geeft het eten bij de deur af, een mankepoot zegt dat hij het eten wel aan zijn broer zal geven, en de verteller legt verder niks uit maar je weet: die Emilio zal dit eten nooit te zien krijgen. Dat maakt deze vertelling schrijnend: de situatie is al pijnlijk genoeg, de taal is juist daaraan tegenovergesteld: heel erg sterk.

Het is vooral de manier van vertellen die het boek over armoede zo rijk maakt: duidelijk, hoog tempo, sterk, totaal niet sentimenteel en daardoor zeer gevoelig, voor de lezer. Het personages leven, het huis en de omgeving leven. Fenoglio slaagt er in om een meesterlijke kleine roman af te leveren, geschreven in 1954, wat betreft taal uiterst actueel want er is momenteel geen boek in de boekwinkel te vinden dat mooiere taal herbergt.
Die arme jongen Agostino gaat zijn vader begraven: ‘Tegen elven lag hij onder de grond en was ik tien jaar ouder. We liepen heel langzaam terug.’
Dit kleine boek met grootse taal laat je suf achter, als je die laatste, 123ste pagina gelezen hebt, maar ook hoopvol. Altijd een goed teken. Agostino zegt: ‘Dan was er hoop dat we eindelijk niet meer in armoede hoefden te leven.’ Wederom een eenvoudige conclusie, maar vol hoop.

Doem is uitgegeven door De Bezige Bij.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog