, 07 September 2018

Deze week gelezen: Grunberg, Van Hengel, Lehane

Arnon Grunberg, Dennis Lehane, Mirjam van Hengel: de redactie las een volle, grunbergiaanse roman, een biografie die ook als boek geslaagd is, en een poëtisch harde thriller.

*

Daan Stoffelsen: Mirjam van Hengel, Een knipperend ogenblik

In ons Redactioneel schreef ik: 'Campert? Een Revisorauteur? Ja, in de eerste jaargangen dook hij een aantal keren op, zoals hij vaker nieuwe tijdschriften zijn zegen gaf met een gedicht of twee. Hij heeft menig tijdschrift ruimschoots overleefd.' Maar ook op een andere manier heeft Remco Campert iets betekend voor Revisor. 'Remco Campert heeft me altijd gezegd: een uitgeverij moet nooit zelf een tijdschrift beginnen, dat moeten auteurs zelf doen.' Dus als ze dan op je afstappen... Het was een van de argumenten waarmee Suzanne Holtzer, Camperts redacteur en vanaf dat moment ook de onze als tijdschriftredactie, Revisor binnenhaalde bij De Bezige Bij. Mede dankzij Campert konden we #20, onder hoofdredactie van Bernke Klein Zandvoort, maken. Dankuwel meneer Campert!

Met #20 doen we wat terug. Het moment is uitgelezen, tegelijk met de verschijning van Mirjam van Hengels Een knipperend ogenblik. Een portret van Remco Campert. Ik interview haar zondag, dus ik kan niets negatiefs zeggen, maar ik kan ook niets negatiefs bedenken.

Wat ik heel goed vind, is dat deze biografie (ik blijf het toch maar zo noemen) nergens stijf wordt. Het is zo eenvoudig, stelt een beginnende biografielezer als ik (een jury dwingt de romanlezer tot andere genres) vast, om te beginnen bij de grootouders, de jeugd, enzovoort chronologisch, alle details te benoemen, alle vriendschappen en evenementen, alle kritieken op te lepelen en te bekritiseren. Het is zo eenvoudig om als biograaf jezelf te verbannen naar inleiding en epiloog, je brongebruik te verwijzen naar de noten. Van Hengel maakte een boek waarin ze zelf een personage is dat in gesprek gaat met de hoofdpersoon, waarin het leven een verháál is, niet een tijdsbalk met notenapparaat, en waarin het onderwerp en zijn oeuvre alle aandacht krijgen die ze verdienen. Clichéloos ook, vloeiend geschreven. Een knipperend ogenblik is een boek waaruit ik continu wilde voorlezen.

Dat ligt natuurlijk ook aan de hoofdpersoon, die toegankelijk is, geestig, geen Johannes 's Gravenhage (de spion uit 'Om vijf uur in de middag') maar ook geen Somberman, een kind van een verzetsdichter en van zijn tijd, een van de Vijftigers en een van de naoorlogse overlevers, een romanticus, viermaal getrouwd, een dichter, columnist en romancier. Een interessant mens en auteur.

Met Rudy Kousbroek richtte hij Braak op, dat vanaf nummer twee hét tijdschrift van de Vijftigers zou zijn (tot Podium, waarvan Campert ook redacteur zou zijn, het stokje overnam). ‘Braak ontplofte van de energie en scheppingsdrang en in volle vaart kolkten de andere dichters aan. Gedurende de anderhalve jaargang dat het blad bestond zou iedereen erin publiceren: Campert en Kousbroek, Schierbeek, Elburg, Vinkenoog, Andreus, Hanlo, Kouwenaar en Lucebert. [...] De timing was perfect, eigenlijk ging alles vanzelf. Dat Remco Lucebert uitnodigde noemt diens biograaf Wim Hazeu “een literair-historische daad van ongekend belang”, misschien was het veeleer een intelligente uitnodiging aan het toeval.’
Fijn die relativering. Fijn ook de opmerking waarmee Van Hengel haar volgende hoofdstuk opent: ‘Merkwaardig aan de beweging van Vijftig is dat er geen vrouwen toe behoorden.’ De vanzelfsprekendheid van een mannelijke literatuurgeschiedenis, aan de kaak gesteld.

Van Hengel, die hem en Deborah elke vrijdag bij hen thuis trof, spreekt Campert tegen, corrigeert hem, vult zijn herinneringen aan uit andere bronnen. Ze wijst ook op de paradoxen in Camperts leven en werk. 'Het adagium dat je altijd gebruik moet maken van je stemrecht zou altijd zijn meest stellige politieke uitspraak blijven,' schrijft ze. ‘Een schrijver moet niet meedoen, maar op een afstand blijven,’ schrijft hij in Het gangstermeisje. En toch loopt hij mee in demonstraties, treedt hij op bij manifestaties, en schrijft hij over sociaal onrecht, zij het 'schoorvoetend en doortrokken van schaamte om eigen onmacht en de gemakkelijke positie aan de zijlijn'. 'Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden.'
Een belangrijker paradox: 'Verlangen naar wegraken is overal terug te vinden in zijn werk.' Onzichtbaarheid, isolement (zoals hieronder in Oostende), daar verlangt hij naar. En tegelijk neemt hij zijn verantwoordelijkheid als bestuurslid van de schrijverscoöperatie van De Bezige Bij en van Poetry International, en treedt hij op wanneer hij gevraagd wordt. Begin jaren negentig: 'Hij was al jaren gewend aan voorleessessies door het hele land, aan uitnodigingen door boekhandels en literaire organisaties, maar nu nam dit een hoge vlucht.'
Ten slotte: zijn verantwoordelijkheid als redacteur en auteur neemt hij, maar als vader amper. Dat is schrijnend, herkenbaar van deze generatie, maar pijnlijk. Campert was niet alleen een lieve man.

Ja, dít wilde ik voorlezen. Topromantiek. Campert zat in zijn derde huwelijk, dat hij slordig beheerde, en had een jonge Amerikaanse ontmoet. Toch wilde hij schrijven, onzichtbaar, van alles afgesloten in Oostende.

Maar toen Deborah het hotel opbelde kreeg ze te horen dat hij er helemaal niet ingeschreven was. Ze wilde hem echter zó graag zien dat ze toch afreisde naar Oostende.
‘Deborah: “Ik kwam de trein uit en was heel zenuwachtig, want Remco wist niet dat ik zou komen omdat ik hem niet had kunnen bereiken. Hij zou me dus niet afhalen en ik wist niet of ik hem zou kunnen vinden. Toen liep ik vanaf het perron de stationshal in – ik krijg nóg kippenvel als ik eraan denk! – en daar stond hij. De krant te lezen bij de kiosk. Ik vergeet dat nooit meer.”
Remco kijkt aan de overkant van de tafel triomfantelijk, alsof hij het destijds bewust in scène gezet heeft.’

Om het vervolg wilde ik dit stukje voorlezen aan mijn vriendin, het vervolg dat u zelf moet opzoeken op pagina's 344 en 345 en waarvan Van Hengel opmerkt in het gesprek: 'Dat kan niet, zeg ik. Hoe kan ik dat nou opschrijven, dat is echt ongeloofwaardig.' Maar al in die observatie over Campert zie je hoe deze biograaf een schrijver is, geen boekhouder. Het glimmende gezicht van de man die zich een beslissende romantische ontmoeting herinnert, en dan dat beeld, dat past bij iemand die dag in dag uit ensceneert.

De Bezige Bij gaf Een knipperend ogenblik uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Dennis Lehane, Gone, Baby, Gone

Gone, baby, gone is een politiethriller van Dennis Lehane over het speurdersduo Angela Gennaro en Patrick Kenzie. Het is vertaald onder de titel Over mijn lijk, een minder subtiele thrillertitel die meer nadruk legt op dood en verderf dan op de vermissing van een kind, want dat is het begin van het verhaal.
Een kindje van vier is vermist. Amanda. De politie krijgt het onderzoek niet van de grond, Kenzie en Gennaro gaan zoeken. De moeder, Helene, is een verwarde drank- en drugsverslaafde die het liefst televisie kijkt, ook nu haar kindje weg is.

Patrick Kenzie is de verteller. Vooral de passages waarin hij bespiegelingen heeft op het leven en op de dood, op zijn beleving, zijn erg goed. Dat zijn romanpassages die je zelden in thrillers aantreft.

‘Overal om ons heen stierf de herfst in technicolor. De bladeren die van de takken zweefden en in het gras bleven liggen, waren fel geel en vlammend rood, glanzend oranje en roestig groen. De indringende geur van stervende dingen, die zo bij de herfst hoorde, hing in de lucht die door onze kleren sneed en maakte dat we onze spieren spanden en onze ogen wijd open deden. Nergens doet de dood zich zo spectaculair, zo groots, voor als in oktober in New England. De zon, losgebroken van de onweerswolken die de ochtend hadden bedreigd, veranderde ramen in harde rechthoeken van wit licht en legde zijn warme gloed op de bakstenen rijtjeshuizen rondom het tuintje, een rokerige tint van rood die goed bij de donkerder gekleurde bladeren paste.’

Bijzonder veel kleuren. Ik tel er al zes of zeven. En ook geur, want in het huis waar het tuintje achter ligt zijn twee lijken aangetroffen. Kenzie gaat verder:

‘De dood, dacht ik, is niet als de herfst. De dood is recht achter ons. De dood is de smerige keuken van Wee David en Kimmie. De dood is zwart bloed en ontrouwe katten die alles vreten wat ze te pakken kunnen krijgen.’

Mooie beelden en veel verderf en toch dat samen in een poëtisch geheel, hard en sfeervol tegelijk.
Het boek kent veel personages, veel politieonderzoek dat me soms aanzet tot gauw verder balderen, maar dan komt er steeds zo’n goed geschreven passage, bijvoorbeeld over dat de vrouwelijke hoofdpersoon graag een kindje wil, en dan geniet ik echt van de taal van Lehane, van het ritme van zijn zinnen, de eenvoudige woordkeuze, van deze mooie vertelling.

Als de verteller de moeder van het verdwenen meisje tegenkomt nadat het onderzoek niets heeft opgeleverd, maanden later, beschrijft hij de vrouw. Ze geeft een glas bier in haar handen: ‘Ze keek in dat glas alsof Amanda op de bodem lag te wachten.’

Gone Baby Gone werd door House of Books uitgegeven, en vertaald door Hugo en Nienke Kuipers.

Thomas Heerma van Voss: Arnon Grunberg, Goede mannen

Ruim tien jaar geleden, de periode dat ikzelf begon met lezen, had ik het idee dat iedereen wegliep met Grunberg. Klasgenoten, docenten, vrienden, recensenten, ook de paar mensen uit het boekenvak die ik kende: allemaal waren ze enthousiast over Grunbergs werk, zowel zijn fictie als zijn journalistiek. En als ze het niet echt bewonderden vonden ze het op zijn minst interessant, komisch, stilistisch zeldzaam sterk.

Tegenwoordig krijg ik de indruk dat het tij is gekeerd: om me heen hoor ik collega's of uitgevers regelmatig afgeven op Grunbergs slordige stijl, steeds vaker lijkt het wel. Het woord 'overdosis' hoorde ik alleen al in de aanloop naar zijn nieuwste roman drie keer, ik hoorde mensen ook akvast foeteren op zijn overdaad aan min of meer vergelijkbare hoofdpersonages en verhalen. En zijn steeds vergelijkbare verhaaleindes trouwens, Jeroen Pauw refereerde daar begin deze week zelfs aan door in zijn interview met Grunberg te zeggen dat het op het einde wel weer 'allemaal mis' moest gaan, 'typisch Grunberg'.

Het zijn kanttekeningen die ik wel begrijp, die denk ik iedere Grunberg-lezer begrijpt, maar die ik toch altijd wat oneerbiedig of in elk geval onvolledig vind: ja, Grunbergs proza lijdt onder een paar hardnekkige manco's, waarvan oeverloosheid er beslist één is en waarvan ik nooit helemaal begrijp waarom die er niet uit worden gehaald (geen tijd? Geen redacteur? Staat hij het niet toe?). En ja, sinds zijn volgens velen onovertroffen Tirza - bij mij staat De Asielzoeker in hoger aanzien - heeft hij weinig echt sterke boeken meer uitgebracht.
Maar toch. De mate waarin de heftige, bijna devote bewondering omgeslagen lijkt in scepsis en afstand, vind ik overdreven. Misschien komt het ook gewoon doordat ik al zo veel van Grunbergs werk ken en nieuwe verhalen daardoor graag lees: ik heb referentiekaders, ik weet in welke context ik zijn schrijven moet plaatsen. Misschien komt het doordat, ongeacht het soort boek dat eruit voortkomt, Grunberg altijd toegankelijke verhalen schrijft, met op zijn minst geslaagde scènes en zinnen. En dat hij me altijd dwingt een soort van verband aan te gaan met zijn gemankeerde hoofspersonages. Als hij een nieuw boek uitbrengt, wil ik het lezen. En ook als ik er niks aan vind, voel ik me gek genoeg niet bekocht.

De afgelopen dagen las ik Goede mannen en dat boek deed vrijwel alles wat me wat Grunbergs schrijven de afgelopen tien jaar met me heeft gedaan. Ik bewonderde, ik zette plusjes in de kantlijn, ik herlas, ik gaapte, ik haalde mijn schouders op, ik ergerde en verbaasde me. In het kort komt het erop neer dat ik Goede mannen vooral een veel te volle roman vond. Het hoofdpersonage - een typische Grunberg-man, plichtsgetrouw, wars van emoties, zwijgzaam - is een brandweerman die stelselmatig 'De pool' wordt genoemd, ook door hemzelf en dat terwijl hij strikt genomen helemaal geen Pool is. We maken vrij traag (en vreemd slordig geschreven) kennis met zijn voorgeschiedenis, zijn vader, zijn religieuze jeugd, de toewijding waarmee hij in de kazerne wacht op actie.

Dan, nog voor het heden goed en wel op gang is gekomen - centrale gebeurtenis: de vrouw van een brandweercollega is terminaal en dat roept bij de Pool herinneringen op aan vroeger - zijn we al toegetreden tot het verleden, tien jaar eerder, en daar blijven we honderden pagina's. Het beste deel van de roman volgt: we krijgen meer te weten over de Pool, over de zwijgzame oudste zoon die hij blijkt te hebben gehad (in het heden heeft hij maar één kind), en over de ondoorgrondelijke aard van die zoon. Het zijn mooie, lang uitgesponnen scènes waarin we volledig in het hoofd van de Pool blijven, star maar welwillend, aftastend maar onwetend hoe hij zijn stugge, vreemd genoeg ook sympathieke kind kan bereiken. Maar hij probeert het: de Pool koopt een pony voor zijn zoon, hij gaat bij die pony langs. En het mondt uit in een tragische, effectief ingetogen beschreven zelfmoord van de zoon - waarna uitgerekend de Pool de sporen van zijn lichaam van de spoorrails poetst. Want ja, dat is een taakje van de brandweer.

Goede mannen is een roman over rouw, over een vader die geen enkel contact krijgt met zijn kind of met zijn eigen verlangens, over de zoektocht naar troost en houvast voor een ouder die met een trauma is opgescheept. Maar het is óók een roman over seksuele frustratie - er zitten veel merkwaardige en heftige seksscènes in het boek -, over overspel, over een verstoord huwelijk dat uiteindelijk zo onwaarschijnlijk is dat ik er niet meeging. Dat was uiteindelijk mijn grootste probleem met Goede mannen.

Grunberg wil zo veel vertellen dat ik er steeds meer afstand bij voelde. Het boek gaat niet alleen over rouw, het gaat ook over geloof. En dus over troost. En over seks. Natuurlijk, die zaken hangen samen, maar de onderwerpen en subthema's worden gelijktijdig opgeworpen en losgelaten, en gelijktijdig steeds expliciet benoemd (het woord 'troost' komt denk ik tweehonderd keer voor in het boek) én amper uitgewerkt. Na de dood van de Pools zoon is er een raadselachtige, masochistische relatie met de vrouw van een collega. Er is een breed uitgesponnen verstandhouding met een eveneens contactgestoorde boer en de pony, de pony van de overleden zoon die uiteraard onder heftige omstandigheden geslacht moet worden – Grunberg liep een paar jaar terug mee in een slachthuis en heeft dat hier verwerkt, zoals hij zo veel van wat hij de laatste jaren journalistiek deed opduikt in dit proza.

En, nog amper bekomen van al dit bovenstaande, gaat de Pool een klooster in, maar daar krijgen we gek genoeg niets van mee, alleen maar in zijdelingse terugblikken achteraf. Poef, er verstrijkt een jaar, we lezen over die tijd alleen een wanhopige brief die de vrouw van de Pool verstuurd heeft (een vreemde perspectiefwissel). En dan is de Pool weer thuis, onder de wonden, hij heeft in een kippenhok gewoond en mag gewoon weer in dienst, hij praat meteen in allerlei vrij theoretische volzinnen met zijn echtgenote die in dezelfde taal terugpraat (iedereen praat hetzelfde). En het leven gaat weer gewoon door.

En dan is er dus, jaren later, die terminale vrouw van de collega, diegene die door middel van heftige seks troost bood, die gaat nu dood en wordt door de Pool bezocht – waarna zijn vrouw hem toch echt wil verlaten. Waarom op dat moment, waarom niet veel eerder? Ik begreep haar handelen niet, zoals ik eigenlijk niemands handelen begreep in deze alsmaar vollere, bij tijd en wijle veel te vergezochte roman. Ik krijg ook niet de indruk dat het Grunberg daar om te doen was, begrip, misschien haalt hij zijn schouders er wel een beetje voor op en vindt hij dit veel te braaf commentaar, en het voelt ook een beetje gek om zulke fundamentele kritiek te leveren op iemand die zo swingend en overtuigend kan schrijven.

Zoals gezegd: ook in Goede mannen staan tal van mooie scènes. Maar toch: de roman is veel te veel ineen en daardoor weinig echt. Het lijken wel vier novelles die zijn samengeperst tot één roman. Ik snapte al lezende steeds minder goed waar Grunberg met dit alles heen wilde. Het begint als een realistisch portret over rouw, daarna ontspoort het op een Joodse Messiaanse wijze in een verhaal dat alle kanten op schiet, maar dat niets helemaal wordt. Daarbij betrapte ik me steeds vaker op de vraag: waarom krijgen we zo veel scènes zo uitgebreid mee maar enkele cruciale momenten niet, zoals dat jaar in een klooster, zoals dat bezoek aan die stervende vrouw? En belangrijker, of in elk geval storender: waarom voelde ik nauwelijks verandering bij het hoofdpersonage, terwijl het verhaal alle kanten op schiet, behalve de emoties die zo vaak benoemd worden dat ze me bijna door de stort worden geduwd? Ook nu voel ik me niet bekocht. Ik las het boek zowel verbaasd als belangstellend. Al weet ik nog steeds niet helemaal of ik vooral geboeid was doordat ik geïnteresseerd blijf in Grunbergs schrijven of werkelijk door de sterke elementen van dit verhaal.

Nijgh & Van Ditmar gaf Goede mannen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog