, 21 September 2018

Deze week gelezen: Pruis, McGregor

Jon McGregor, Marja Pruis: de redactie las een voor de Booker Prize genomineerde roman waarin wat er ook gebeurt vooral de tijd verstrijkt, en biografische literaire non-fictie.

*

Jan van Mersbergen: Jon McGregor, Reservoir 13

Meestal geef ik een boek veertig bladzijden de kans. Als ik voor die bladzijden al kijk hoe ver ik ben en steeds naar ergens in de twintig of dertig zit en ik ongeduldig wordt en het eigenlijk niet opschiet, dan leg ik het boek weg. Haalt een boek de honderd pagina’s, of beter gezegd: haal ik als lezer in een boek de honderd pagina’s, dan is het boek dus wel in orde, maar als het dan hapert is de teleurstelling groter.

Na een tip van oud-DWDD-boekenpanel lid Ronnie Terpstra schafte ik Reservoir 13 van Jon McGregor aan. Ronnie is goed thuis in de Amerikaanse en Engelse literatuur, zeker ook in het type plattelandsboeken waar ik van hou.

Veelbelovende sticker op de cover die meldt dat de roman genomineerd was voor de Man Booker Prize. Helaas haalde het boek alleen de longlist, bij de laatste zes zat het niet en voor mij is een nominatie alleen een plekje bij de laatste groep. Uitgeverijen doen dat vaak, en het is beschamend als ik in een bio terugzie dat ik met Naar de overkant van de nacht voor de AKO genomineerd was terwijl ik nooit bij het diner kon aanschuiven omdat ik enkel de longlist haalde.

Wat er gebeurt in Reservoir 13: een meisje verdwijnt en het dorpsleven ergens in midden-Engeland gaat door. Beklemmende opzet, want het meisje is weg maar zit nog in de hoofden van de mensen. Recente vermissingszaken die het nieuws domineerden leren ons: we willen de zaak oplossen en afsluiten. Als dat niet kan wordt het een zwaar en moeilijk verhaal. Ongemakkelijk.

Wat er ook gebeurt in Reservoir 13: ieder hoofdstuk beschrijft een compleet jaar na de vermissing en als er vier jaren geweest zijn volg je nog steeds de mensen uit het dorp, de relaties die ontstaan, de weersomslag in de herfst, de jaarlijkse dorpsfeesten, oud en nieuw, en dan weet je het wel.

Nu schrijft Jon McGregor bijzonder goed. Hij vult zijn bladzijden compleet op zonder alinea’s of inspring, alleen her en der een witregeltje, dus de verhalen vloeien in elkaar over en dat past bij de vertelling, maar een passage uit hoofdstuk vier had net zo goed in hoofdstuk drie kunnen staan. ‘In het beukenbos werden de vossenwelpen uit hun burchten gezet,’ is een afsluiting van de blok tekst. ‘Diep in de takken van de taxus op het kerkhof waren de goudhaantjes driftig aan het foerageren,’ is ook zo’n slotzin. Mooie zinnen, maar inwisselbaar. Ze geven het seizoen aan, en de seizoenen verstrijken. Na een paar van die hoofdstukjes die met zulke zinnetjes worden afgesloten herken je de truc.

Na een paar hoofdstukken wreekt zich dat, want de lezer voelt: ze gaan dat meisje nooit vinden, ze zoeken niet eens naar dat meisje. Dit boek gaat over het verstrijken van de tijd. Mooi thema, maar als het op een lezer als ik vooral het effect heeft dat ik ga bladeren, dat ik wel de mooie zinnen tot me neem, maar er geen verhaal is om de jaren dwingend te krijgen, dan overheerst het thema het verhaal, en dat is altijd jammer.

Uitgeverij Nieuw Amsterdam gaf Reservoir 13 uit.

Daan Stoffelsen: Marja Pruis, De Nijhoffs en ik

Het biografievirus heeft me te pakken. Ik las recent over Lucebert en Wolkers en Frank Lodeizen, en Mirjam van Hengels Campertportret trof me bijzonder, door de literaire benadering. Dus nu pakte ik Marja Pruis' De Nijhoffs en ik op, een heruitgave van haar debuut. Het is de biografie van A.H. Nijhoff (Twee meisjes en ik) en vooral het verslag van een fascinatie en een zoektocht, waarin Pruis, nog meer dan Van Hengel in Een knipperend ogenblik, zichzelf blootgeeft als de biograaf, een standaard zet voor literaire non-fictie en bewijst dat goed geschreven non-fictie niet kan zonder het puzzelstukje dat de auteur zelf is.

Pruis is de antiheld van dit verhaal, dat door rigoreus archiefbeheer (ze wijst de betreffende open haard op enig moment nog aan) en een weigerachtige zwaakwaarnemer, verre van compleet lijkt. Zoveel weten we immers niet van Netty Nijhoff, die ook jaren na hun breuk en inmiddels in een gelukkige relatie met een vrouw de echtgenote bleef van Martinus. Pruis' even eenvoudige als briljante strategie is om het weinige wát we weten te reconstrueren aan de hand van de mensen om Nijhoff heen.

  • De schrijfster
  • De zus
  • De zoon
  • De zaakwaarnemer
  • De Italiaanse
  • De tweede vrouw
  • De danser
  • De heilsoldate
  • De dichter
  • De femme fatale
  • De Engelse
  • De Tabakiet
  • De Nijhoffs

Elk van deze personages verdient een eigen benadering, niet zelden een andere set bronnen, weer een ander archief, een plotseling opgedoken getuige, een ander soort biograaf. (Het is wel telkens Pruis zelf, zij het iets schlemieliger dan ze echt is, de antiheld is een interessanter personage dan de gestaalde journalist en onderzoeker.) Al komt het hier vaak op neer:

'Er waart een engel des doods door het land, vermomd als biograaf in spe, gewapend met blocnote en pen. Ze pakt uw hand, zegt zacht: "Vertel het maar", en binnenkort kunt u met verlicht gemoed uw laatste adem uitblazen.'

Zo staat het in 'De zoon'. Dat hoofdstuk, over Faan, besluit ze zo:

'Haar hele leven bleef zijn moeder volhouden dat zij en Martinus Nijhoff elkaar door en door kenden. "Ik begreep hem, voor zover het mogelijk is een ander te begrijpen." Faan had daar zo zijn eigen gedachten over. Tegen het eind van haar leven overhandigt Netty haar zoon een flinke bundel brieven. "Lezen!" Opdat hij er iets van begrijpe, van dit verbond tussen de man die hij is gaan verachten en de vrouw die hij bewondert. Hij leest ze, of misschien ook niet. Feit is dat de brieven in de haard verdwijnen, een voor een.

Dacht ik.'

Zoals we haar kennen, is de schrijfster geestig en kan ze een cliffhanger introduceren, maar ze verhoudt zich ook heel organisch tot Nijhoffs verhaal. Nu ja. Een klein boek, in de heruitgave door een uitstekende, essayistische inleiding voorafgegaan en aangevuld met een met noten doorspekte biografische schets.

De ondertitel, of de gevolgen van een genre, duidt op de kritische ontvangst die het boek kreeg. Een echte biografie was het niet, onwetenschappelijk, te persoonlijk. Maar daarmee misten de critici een punt. Non-fictie hangt ruwweg tussen wetenschappelijke teksten, journalistieke stukken en fictie in, en dan met name de roman. De meest geslaagde non-fictie, vind ik, combineert kenmerken van de roman (enscenering, dialogen, karaktertekening, aandacht voor stijl, perspectief en opbouw) met een subjectieve maar te herleiden verzameling feiten. Perspectief is essentieel, want elk geslaagd literair werk raakt aan de persoon van de auteur; niet altijd is de materie autobiografisch, maar er zijn raakpunten, waardoor de puzzel die het boek wordt, overlapt met de puzzel die de auteur zelf is. Met, in dit geval, scènes uit het leven van de biograaf als puzzelstukjes.

Slaat dit ergens op?

Ik zou zelfs willen zeggen dat goede literatuur per definitie het resultaat is van een puzzelend, tastend, zoekend kunstenaarschap, gecombineerd met meesterschap in het ambacht. In die zin is de opmerking in de zure bespreking op Tzum dat wij een 'zoekende redactie' zijn, een compliment.

Nog één ding. Onlangs schreef Jona Lendering een enthousiasmerende en zeer lezenswaardige liefdesverklaring aan de studie Nederlands, die ik kan onderschrijven (als ik geen classicus was geworden, dan een neerlandicus). 'Misschien zou ik mijn ergernis uitleven in een scriptie met als vraag waarom er zoveel meer literaire prijzen zijn voor fictie dan voor nonfictie,' schreef hij ook. Ik geloof dat dat meevalt, en ik wil wel met hem gaan tellen, maar ik zit in de jury voor een prijs voor literair proza, inclusief non-fictie, en ik zeg hem en u: dat is een zegen.
Er zijn academische argumenten om een bepaalde biografie hoog te achten, journalistieke om de actualiteit of toepasbaarheid van een populair-wetenschappelijk boek te prijzen, maar literaire eisen zijn ook op non-fictie toepasbaar. Er is een grijs (of liever roze of paars, het is heel kleurrijk) gebied waarin auteurs als Marja Pruis, Mirjam van Hengel, Pieter Waterdrinker, Suzanne Jansen, en onze eigen Thomas Heerma van Voss uitblinken, en waarvoor er inderdaad een grote prijs hoort te zijn.

P.S. Dit is ook een poging tot #leeseenvrouw.
P.P.S. ‘Mar liegt nooit,’ schrijft Pruis in dit boek, én in haar essay in ons leugenaarsnummer.

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar gaf De Nijhoffs en ik uit. Op Athenaeum.nl staan de eerste pagina's uit Pruis' inleidende essay.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog