, 19 Oktober 2018

Deze week gelezen: K. Schippers, Hotz, Pollock

Donald Ray Pollock, F.B. Hotz, K. Schippers: de redactie las een gedoseerd vertelde roman zonder sentiment, bijzonder scherpe en onderkoeld komische korte verhalen, en tastend schrijven in collagevorm.

*

Daan Stoffelsen: K. Schippers, Straks komt het

K. Schippers vraagt veel van je. Zijn nieuwste, Straks komt het, opent redelijk rustig, met een versie van 'Radar', dat in ons nummer '10 leugenaars' stond. (K. Schippers was de veertiende leugenaar.) Zijn nichtje Bente stelt dat alles gaat om zitten en staan, hij komt bij een fotozaak en ontmoet de zangeres Doortje, die pleit voor de tast als belangrijkste zintuig: ‘...’t zit in je hele houding... de verschillende druk, de touch, de aanraking van kleren tegen je huid, iets in je tas zoeken en alleen op de vorm beslissen wat.’ Je denkt: het staat, met deze personages en thema's kun je een roman vullen...

... maar Schippers besluit alles op te rapen wat hij ziet en bedenkt, en reist Kurt Schwitters (1887-1948) na, de kunstenaar van de 'Merz'-collages, en herinnert zich parallel de naoorlogse jaren met zijn broer Maarten (de vader van Bente), en 'de juten zak van mijn broer, met dingen die hij eens denkt te gebruiken'. Hij drukt foto's af van Schwitters' kunst en woonplaatsen en de elegenate naaktfoto's die Kurts zoon Ernst van zijn vriendin Esther Guldahl maakte, en in de jeugdpassages duiken er telkens American Songbook-passages op.

Een collage dus, waarin personages zich naar believen heen-en-weer bewegen naar heden en verleden, midden in een scène. Dat leest niet per se eenvoudig, ik viel er telkens weer uit, moest zoeken naar de verbanden, maar mijn zintuigen werden wel geprikkeld, Schippers dwingt je tot observeren. Want alles is fascinerend, de halfopen herinneringen, waarin K. Schippers lijkt te spelen met de mogelijkheden en de feiten zachtjes opzij duwt, de odyssee van de Schwitters (hij was veel in Nederland, op de fiets, maar maakte entarte kunst en moest via Noorwegen naar Engeland vluchten), de pijnlijke verhalen van de joodse oom Maurits, de sprankelende meisjes Doortje, Bente, Dinah... Over Esther komt hij weinig te weten, en al eist E., K. Schippers' echt- en reisgenote, nog wat aandacht op - ‘"Kun je mij niet weer eens noemen?" vraagt E.’ - ze verdwijnt, na wat behartenswaardige opmerkingen:

'We rijden Schwerin uit, de hoofdstad van Mecklenburg-Vorpommern. Dan krijg je Wismar, Neubukow, wat heb je in andere landen aangeraakt.
‘Zit je weer te denken dat de dingen onafhankelijk van elkaar...’ vraagt E.
‘...nee...’
‘Tijdens je leven verenig je de dingen zodat ze er niet afzonderlijk hoeven te zijn.’
De raampjes staan open, je voelt dat de zeelucht nadert, iets zouts in deze streek gemengd met raapolie en een vleug dennengroen. Eerst ruik je het steeds sterker, dan merk je het minder, tot het in zichzelf is opgelost, met jou erbij.
De interpunctie van de tast, het plukken aan je kin, je hals, wrijven over je dijbeen, zomaar wat in de rondte tegenover de schijnbaar zo lineaire zinnen. Het middelpuntloze van elk voorval, het wordt in strenge vervolgregels ondergebracht.'

De dingen onafhankelijk van elkaar, de interpunctie van de tast, dat zijn geweldige ideeën om door te denken - een roman lang. En misschien is dat wel de juiste term: dit is een tastend schrijven, dat een zeer gevoelig, wendbaar lezerschap vereist - ik twijfel af en toe of ik dat genoeg ben. Het is ook een luchtig schrijven, met veel wit, humor, beeldspel. En een grondig schrijven. Wil je meer van Esther Guldahl, zoals K. Schippers zelf, die foto's roepen een losstaand onderzoek op, dan faalt Internet volledig, en slaagt de brievenschrijver, het papier wint. De tast triomfeert.

Querido gaf Straks komt het uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Thomas Heerma van Voss: F.B. Hotz, Dood Weermiddel

Voor De Arbeiderspers ben ik bezig alle verhalen van F.B. Hotz te lezen en te herlezen. Of nou ja, voor De Arbeiderspers, eigenlijk voor een project dat via De Arbeiderspers verschijnt — daarover binnenkort meer informatie. Nu volstaat de mededeling dat ik al die verhalen lees en vooral dat dat me bijzonder goed bevalt. Er zijn veel dingen echt sterk aan Hotz’ proza, en omdat mijn gedachten daarover nog lang niet allemaal gevormd zijn — ik ben nota bene nog midden in mijn leesproject — zal ik hier een paar eerste bevindingen delen, geen totaaloverzicht.

Ten eerste: ondanks de vaak historische decors van de verhalen, veelal tijdens of tussen de Wereldoorlogen, doet Hotz’ taal geen seconde gedateerd aan. Hij schrijft telkens weer bijzonder scherp en onderkoeld komisch, ontroerend ook omdat juist de grote statements of termen vermeden. En dat is een tweede kwaliteit: hoe toon- en ook, tja, kwaliteitsvast de verhalen zijn. Wie een bundel van Hotz leest, weet dat hij of zij vooral overtuigende verhalen zal lezen. Dat het hoe dan ook intrigerend is. Dat de alinea’s soms dicht zijn, de bladzijden ouderwets vol, maar dat het eigenlijk keer op keer loont: ik ken geen (Nederlandse?) korte verhalenschrijver die zo’n consistent oeuvre heeft gemaakt waarin de lat van begin tot eind zo hoog blijft liggen.

Momenteel lees ik Dood weermiddel, zijn in 1976 verschenen debuut. Het is een prachtige bundel, buitengewoon zonde dat-ie niet meer leverbaar is: al het sterke aan Hotz’ schrijven zit in dit boek. Het titel- en tevens openingsverhaal is qua formaat en reikwijdte een bescheiden novelle: het gaat over een sympathieke militaire ingenieur die koste wat kost een fort in Pruisen wil afbouwen. Hij strijdt tegen zijn vrouw (zoals zo vaak bij Hotz), hij strijdt tegen zijn superieuren. Pas geleidelijk besef je dat dit hele verhaal zich in de vorige eeuw afspeelt, Hotz neemt je mee naar een andere wereld zonder te pronken met allerlei details — en je ziet hoe de twintigste eeuw nadert, hoe de wereldoorlogen nabijer komen, wat dat hele fort iets zinloos heeft omdat het de toekomst waarschijnlijk toch niet zal doorstaan. Daar eindigt het verhaal ook min of meer mee, decennia later: de verteller vraagt zich af wat er nou eigenlijk beschermd moet worden.

In ‘Vrouwen winnen’ volgen we een muziekgezelschap dat op weg is naar een concert — dat, uiteraard, voor geen meter loopt. Knap is vooral dat, en dat is typisch Hotz, de schrijver nergens vervalt in enigszins voorspelbare grappen en grollen, in overdreven mistroostige situaties: er gaat iets bijzonder tevergeefs uit van dit ongewenste en tamelijk vreselijk verlopende concert dat via een school tot stand is gekomen; er zit iets uitgesproken komisch in de nuchtere manier waarop het allemaal wordt opgeschreven, maar nooit gaat dat ten koste van de hoofdpersonen. We leven met ze mee, ondanks hun geploeter en gehannes. Zoals wanneer op het einde van het verhaal staat: ‘Het “meerjarig goede contact” met de school was wel verbroken. “Alweer een vaste snabbel kwijt,” zei men op de terugreis. Niet onmogelijk dat de scholen in de omtrek ook bekoeld raakten.’

Van zulke zinnen krijg ik geen genoeg: subtiel, duidelijk, beeldend, ze stimuleren me om door te lezen, alsmaar door. Op deze manier vallen er veel meer verhalen te noemen — het merendeel van Dood weermiddel, eigenlijk — maar ik beperk me nu graag tot eentje: ‘Onrustige dagen’. Een voor Hotz’ doen vrij kleine vertelling, zowel qua lengte (18 pagina's) als qua tijdsduur van het verhaal zelf. Het gaat hier om een man die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de trein neemt van zijn huis in Bussum naar zijn werk in België en plots, zonder dat hij het zelf begrijpt, gefascineerd raakt door een Vlaamse mede-passagiere: Fleur. Ze raken kort aan de praat, hij zoekt haar op, hij wil met haar zijn, hij denkt tot zijn schrik voortdurend aan haar, is ze gevlucht voor de oorlog? Wat doet ze precies in Amsterdam? Er lijkt iets in hem wakker te worden dat al tijden in slaap was gesust.

‘Iedereen in die trein leek geïrriteerd. Behalve ik. Ik hoefde maar aan de bruine gordijnenharen van Fleur te denken en aan mijn stilzwijgende afspraak voor morgen en alle ongemak was draagbaar.’

Natuurlijk vervliegt dat geluk, natuurlijk is er de huiselijkheid die niet zomaar te ontvluchten blijkt. De onvergetelijke slotzinnen, als de ik-verteller weer terug is bij zijn echtgenote Hetty, na een meerdaagse, onverklaarbaar hevige verliefdheid op deze vreemde Vlaamse:

‘Hetty stond achterin het zaaltje bij haar werktafel en hield een vormloze borstrok trots en verlegen voor me omhoog. Ik knikte aardig, met waarderend wenkbrauwenwerk.

Zo staande over haar werk leek ze wel een baal hooi, maar ik wilde van haar houden.’

De Arbeiderspers gaf Dood weermiddel en andere verhalen uit. Er zijn nog flink wat exemplaren beschikbaar op Boekwinkeltjes.nl.

Jan van Mersbergen: Donald Ray Pollock, De hemelse tafel

Vorige week was ik kritisch over Een klein leven van Hanya Yanagihara, omdat er in dat boek zo veel verteld wordt, ik werd er kriegelig van en kon het enorme drama dat zeker in die roman aanwezig is niet meer voelen. Momenteel lees ik De hemelse tafel van Donald Ray Pollock - vertaald door Luc de Rooy. Zijn verhalenbundel Knockemstiff vond ik heel sterk. In De hemelse tafel vertelt Pollock ook heel veel, maar hij doseert heel anders dan Yanagihara.

Als Pearl, vader van drie zonen, alle drie met een vreemde naam, zijn vrouw ziet sterven wacht hij bij haar aan hun bed en kruipt er een worm uit haar mond. Hij laat de worm drogen.

'Later die ochtend droegen hij en Cane Lucille het huis uit en begroeven haar in het schaduwrijke plekje onder de magnolia, waar ze altijd ging zitten om bonen te doppen en de Bijbel te lezen. De volgende paar dagen knaagden de jongens op kippenbotjes en versierden het graf met wat voor mooie dingen ze ook maar konden vinden terwijl Pearl in stilte toekeek hoe de brandende zon boven Carolina van de worm een zilveren, leerachtige reep achterliet. Toen hij helemaal tevreden was met het resultaat, stopte hij wat ervan over was samen met wat pauwenveren in een leeg koffiebonenzakje en naaide het als een doodskleed dicht. Sinds die tijd, en het was inmiddels al veertien jaar geleden, had hij het gebruikt om zijn hoofd op te rusten te leggen, en om hem eraan te herinneren, mocht hij het vergeten, dat er in dit aardse leven slechts één ding zeker is: dat er ooit overal een einde aan zal komen.'

Deze zinnen vertellen een vreemd verhaal, heel duidelijk in de derde persoon vanuit een sterke verteller die de zaken in goedlopende zinnen met schwung neerzet, nergens sentimenteel wordt, geen effect najaagt en toch het drama aan doet komen bij de lezer.

Waar Yanagihara expliciet beschrijft dat iemand eenzaam is of verdriet heeft, kiest Pollock voor beelden en handelingen, en voor een verteller die ondanks een sprong in de tijd laat zien hoe deze Pearl met zijn verdriet omgaat.

Is dit een literatuuropvatting, vraag ik me af. Daar twijfel ik over.
Mijn dogma’s als schrijver probeer ik te bevechten. Na vijf romans in een afstandelijke beschrijvende stijl in de verleden tijd wilde ik een ik-verteller die carnaval viert. Nu laat ik een ik-verteller aan het woord die aan een picknickbank over een cryptogram gebogen zit en die puzzel als houvast voor haar vertelling gebruikt. Het maakt niet zo veel uit welke insteek je kiest, het beoogde gevoel dat ik over wil brengen verschilt niet veel. Als lezer wil ik echter ook ergens iets voelen, en als een vertelling door de uitleg en expliciete bewoordingen me helemaal niks meer doet dan schiet die vertelling zijn doel voorbij. Dat is jammer, maar ligt dat aan mijn literatuuropvatting?

Moeilijk. Ik zal natuurlijk zeggen dat mijn literatuuropvatting los staat van mijn lezen. Dat is niet zo, dat weet ik wel. Ik probeer te benoemen wat het effect van een tekst is, op de lezer die ik ben. De hemelse tafel geeft heel veel rust, ook al is het een grote vertelling waar veel gebeurt. Pollock hanteert woorden, zinnen, passages die ik simpelweg voor me zie en die ruimte laten om heel stiekum wat te voelen.

De Bezige Bij gaf De hemelse tafel uit.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog