3. Eindelijk, de vampier

Jouw dromen tussen mijn dromen

Fiep van Bodegoms feuilleton 'Jouw dromen tussen mijn dromen' rolt door. Ze neemt ons mee naar een nabije toekomst waar mensen niet meer zijn wie ze lijken. Dat is niet erg, dat is gruwelijk, en mooi. Lees Van Bodegom! (En lees aflevering 1 en 2 ook op Revisor.nl.)

*

Eigenlijk weet ik niet zo heel veel over vampiers. Jaren geleden las ik voor het eerst dat ze misschien echt bestaan. Het was een kort artikel in de wetenschapsbijlage van een krant over de vondst van een nieuw bloedtype dat werd gekoppeld aan wat men vroeger aan die fantasiefiguur toeschreef. De  proefpersonen konden slecht tegen zonlicht. Het waren nachtelijke types die geneigd waren tot neerslachtigheid. Maar ze waren ook opvallend sterk en hoewel zij alle bloedtypes konden ontvangen, leek hun bloed giftig, dodelijk zelfs, voor andere mensen.

Ik weet niet hoe ze dat laatste hebben getest, trouwens. Daar bleef het artikel vaag over. Informeel werd het daarom het bloedtype van de vampier genoemd. Het artikel eindigde met een oproep aan alle mensen die symptomen herkenden zich vrijwillig aan te melden voor onderzoek. Er leek te worden gesuggereerd dat het nu nog vrijwillig kon, maar binnenkort misschien niet meer.

Eerst waren er de verschrompelde lichamen in lege huizen, op half verlate parkeerplekken, langs snelwegen. Ze vonden er steeds meer, en steeds dichterbij. Niemand ging nog na zonsondergang naar buiten, of niet alleen in ieder geval. Eenzame wandelaars en  fietsers werden steeds zeldzamer buiten de drukste stedelijk plekken. Er verschenen op het nieuws en online de korrelige bewakingsbeelden van mensen en zelfs bendes die verantwoordelijk zouden zijn voor de moorden. Toen kwamen de verhalen van mensen die verdwenen. Geheime vluchten, verborgen onderzoekscentra, een heel systeem dat deze nieuw soort mensen onderzocht buiten het toezicht van de wet. Dit nieuwe systeem werd gerechtvaardigd, of ten minste het weinige dat naar buiten kwam en gerechtvaardigd moest worden, met het feit dat het om staatsbelang ging en dat deze mensen geen mensen waren, maar monsters die het verdienden monsterlijk behandeld te worden.

Eigenlijk besefte ik pas een paar jaar geleden wat er aan de hand was. Sindsdien ben ik op een andere manier naar mijn herinnering, mijn middelbare schooltijd en vroege twintiger jaren gaan kijken. Met afstand en een licht medelijden voor de onnozele slaapwandelaar van mijn herinnering.

Ik zal niet langer meer mijn bedgenoot in het donker toefluisteren dat ik elke dag aan de dood denk en dat de dood steeds weer een troostende gedachte is. Wat er ook gebeurt, het is godzijdank eindig, vertelde ik hem en mezelf. We leefden in de restanten van de maatschappij waarin we waren opgegroeid en alle dromen en ambities die we ooit hadden leken nu futiel. Onhaalbaar en zo banaal. Maar zelfs die morbide troost bleek een misvatting. Want mijn leven is niet eindig, als ik daarvoor kies.

Soms is er zo’n verlangen naar sentimentaliteit, naar de simulatie van droefenis, zelfs – of misschien juist – te midden van een wereld ondergedompeld in ellende. Een verlangen dat even groot kan zijn als de behoefte aan suiker of een sigaret of om aangeraakt te worden. Maar wat als je naar iets verlangt waarvan je nog niet weet dat je het nodig hebt? Naar iets wat je nog nooit hebt geproefd, maar bijna kan ruiken onder de huid van je medemensen?

Ik kan me herinneren lange tijd zo moe te zijn geweest. Zo moe dat ik de sluitingstijd van de supermarkt zelden haalde en die van de nachtwinkel om middernacht net. Zo moe dat aankleden en de voordeur uit gaan, de wereld tegemoet treden, onmogelijk leek. Zo moe dat het zonlicht altijd te veel was. Alsof het licht alle energie uit mijn lichaam zou zuigen. Zo moe dat ik het zelden kon opbrengen een warme maaltijd te bereiden.

Ik ging naar de huisarts en ze stuurde me door voor een bloedtest. Tijdens de vervolgafspraak vertelde ze me dat ik last had van een ernstig vitamine D-gebrek. Dat was jaren voor de ontdekking van het nieuwe bloedtype, of in ieder geval voordat die kennis ook in de alledaagse regionen van de gezondheidszorg was doorgedrongen. Gebrek aan vitamine D leidt tot lusteloosheid, vermoeidheid en melancholie, las ik online. Ik voelde me enigszins verraden nu bleek dat wat ik sinds mijn puberteit als integraal onderdeel van mijn karakter had gezien slechts de gevolgen van een chemisch tekort bleken te zijn. Het advies was om vaak de zon op te zoeken, vette vis te eten en voedingssupplementen te nemen om het vitaminegebrek op te lossen.

Nu heb ik nooit goed tegen de zon gekund, helder daglicht maakt me duizelig.  Als kind al probeerde ik ondanks vriendelijk, en allengs dwingender, aandringen van mijn ouders zoveel mogelijk binnen te blijven.

Beeld: Marcel Oosterwijk  / CC BY-SA 

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog